← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16 Rolnummer: P.21.0909.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-02-10 Raadplegingen: 876 - laatst gezien 2026-06-18 23:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Volgens artikel 67ter, vijfde lid, Wegverkeerswet is de politierechtbank bevoegd waar de overtreding werd gepleegd die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van dit artikel

(1).
(1)C. DE ROY, “De Wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid: opnieuw een strengere aanpak van verkeersovertreders”, RW 2018-19, 131; Ph. TRAEST, Topis verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020, 16. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Plaats van de overtreding Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiche 2 Een schuldigverklaring van de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt aan het door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de kentekenplaathouder is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door de kentekenplaathouder daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder
(1).
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Verzending van de vraag om inlichtingen over de vermoedelijke bestuurder van het voertuig aan de kentekenplaathouder - Rechtspersoon - Ontvangst van de vraag om inlichtingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 4 Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de kentekenplaathouder dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder, mits de kentekenplaathouder of de natuurlijke persoon die hem in rechte vertegenwoordigt, gelet op de zware sanctie die zij kunnen oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikken om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen
(1); dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de zetel van kentekenplaathouder of aan de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt; de rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de kentekenplaathouder-rechtspersoon het vermoeden afleidt dat de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld
(2).
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8; Cass. 18 september 2019, AR P.19.0246.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190918.2, AC 2019, nr. 465; Cass. 12 maart 2019, AR P.18.0243.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.1, AC 2019, nr. 465; Cass. 23 januari 2019, AR P.18.0623.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.12, AC 2019, nr. 41 noot M.N.B; Cass. 29 april 2014, AR P.13.1977.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.2, AC 2014, nr. 302. Ph. TRAEST, Topis verkeers(straf)recht, Intersentia, 2020, 18.
(2)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Verzending van de vraag om inlichtingen over de vermoedelijke bestuurder van het voertuig aan de kentekenplaathouder - Vermoeden van kennisname van de vraag om inlichtingen door de natuurlijke persoon die de rechtspersoon van de kentekenplaathouder vertegenwoordigt - Aannemelijk maken van niet-ontvangst van de vraag om inlichtingen - Vermoeden van onschuld - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Wegverkeerswet - Verzending van de vraag om inlichtingen over de vermoedelijke bestuurder van het voertuig aan de kentekenplaathouder - Vermoeden van kennisname van de vraag om inlichtingen door de natuurlijke persoon die de rechtspersoon van de kentekenplaathouder vertegenwoordigt - Aannemelijk maken van niet-ontvangst van de vraag om inlichtingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0909.N W P H V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ruben Vispoel, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 21 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ontvankelijk. Het verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk en het oordeelt impliciet dat de saisine van het appelgerecht zich uitstrekt tot alle beschikkingen van het beroepen vonnis. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen
  4. Het eerste middel voert schending aan van artikel 622 Gerechtelijk Wetboek, artikel 139 Wetboek van Strafvordering en artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis, na de plaats van het vervolgd feit te hebben gesitueerd te Brussel in plaats van te Roeselare, oordeelt dat de appelrechters bevoegd zijn om kennis te nemen van de strafvordering, terwijl het misdrijf van artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet wordt vol¬trokken op de plaats waar de voorgeschreven mededeling dient te worden ontvangen; aangezien het misdrijf is voltrokken te Brussel, was de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, en in hoger beroep de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, niet bevoegd om van de strafvordering kennis te nemen. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 774 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis heeft de plaats van het vervolgde feit gewijzigd van Roeselare in Brussel zonder de eiser uit te nodigen daarover en over de gevolgen daarvan voor de territoriale bevoegdheid verweer te voeren. Het derde middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces en van het verbod op auto-saisine: de appelrechters, die vaststellen dat het vervolgde feit te situeren is in Brussel, hebben zich een bevoegdheid toegeëigend die hen niet toekwam.
  5. Volgens artikel 67ter, vijfde lid, Wegverkeerswet is de politierechtbank bevoegd waar de overtreding werd gepleegd die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van dit artikel. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de overtreding die aanleiding gaf tot de toepassing van artikel 67ter Wegverkeerswet, te situeren is te Roeselare. Derhalve was de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, en in hoger beroep de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, bevoegd om kennis te nemen van de strafvervolging wegens de inbreuk op artikel 67ter Wegverkeerswet gerelateerd aan de te Roeselare op 3 maart 2018 vastgestelde verkeersovertreding. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
  7. Voor het overige kunnen de middelen, ook al waren ze gegrond, niet tot cassatie leiden aangezien de appelrechters wel degelijk bevoegd waren om kennis te nemen van de strafvordering. In zoverre zijn de middelen niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.2 EVRM en artikel 67ter Wegverkeerswet
  8. Artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt dat: - wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een op naam van een rechtspersoon ingeschreven motorvoertuig en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe zijn gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen; - deze mededeling moet gebeuren binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.
  9. Artikel 29ter, eerste lid, Wegverkeerswet bestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van 200,00 euro tot 4.000,00 euro of met een van de straffen alleen hij die de door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde verplichtingen niet nakomt. Ingeval van herhaling binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak na een veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, worden de straffen verdubbeld.
  10. Uit artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen; - de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten: zo kan zij schriftelijk worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking of een aanmaning daartoe, maar ze kan ook mondeling worden gesteld; - het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft.
  11. Een schuldigverklaring van de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt aan het door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist dat indien de vraag om inlichtingen schriftelijk aan de kentekenplaathouder is verstuurd, redelijkerwijze kan worden aangenomen dat die vraag door de kentekenplaathouder daadwerkelijk is ontvangen dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder.
  12. Artikel 6.2 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat de rechter uit de vaststelling dat de vraag om inlichtingen daadwerkelijk werd verstuurd, afleidt dat die vraag ook daadwerkelijk is ontvangen door de kentekenplaathouder dan wel dat de niet-ontvangst een gevolg is van het nalatig handelen van de kentekenplaathouder, mits de kentekenplaathouder of de natuurlijke persoon die hem in rechte vertegenwoordigt, gelet op de zware sanctie die zij kunnen oplopen, over een daadwerkelijke mogelijkheid beschikken om dit vermoeden van ontvangst of nalatigheid voor het niet-ontvangen te weerleggen. Dit veronderstelt dat de vervolgende partij aantoont dat de vraag om inlichtingen werd aangeboden aan de zetel van kentekenplaathouder of aan de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt.
  13. De rechter die uit het enkele gegeven dat een vraag om inlichtingen is verstuurd naar de zetel van de kentekenplaathouder-rechtspersoon het vermoeden afleidt dat de natuurlijke persoon die de kentekenplaathouder-rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt daardoor alleen kennis heeft van de vraag om inlichtingen of dat hij die kennisname zelf onmogelijk heeft gemaakt en die op grond daarvan oordeelt dat het hem dan ook toekomt aannemelijk te maken dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen en dat hij niet nalatig is geweest, schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
  14. Het bestreden vonnis verklaart de eiser schuldig om op 1 juni 2018 artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet te hebben overtreden en dit op basis van wat volgt: - op 3 maart 2018 werd een snelheidsovertreding vastgesteld voor een voertuig met een aan Anthomel bv toegekende kentekenplaat; - op 16 mei 2018 werd aan Anthomel bv een aanmaning tot betaling van de onmiddellijke inning verstuurd, alsook van de vraag om de identiteit van de bestuurder mee te delen, nadat reeds op 9 maart 2018 een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling samen met een voorstel tot onmiddellijke inning aan Anthomel bv werd toegestuurd; - noch het antwoordformulier, noch de vraag om inlichtingen werden door de eiser teruggestuurd; - de eiser houdt voor dat hij het antwoordformulier niet heeft ontvangen; - de schuldigverklaring aan het misdrijf van artikel 67ter Wegverkeerswet vereist enkel het bewijs dat de vraag werd verstuurd, maar niet dat de vraag om inlichtingen ook werd ontvangen door de kentekenplaathouder; - het komt de kentekenplaathouder die beweert dat hij de vraag om inlichtingen niet heeft ontvangen, toe zijn bewering met feitelijke gegevens aannemelijk te maken.
  15. Het bestreden vonnis leidt dan ook het vermoeden dat de eiser kennis had van de vraag om inlichtingen louter af uit de verzending van de aanmaning tot onmiddellijke inning met een vraag om inlichtingen, zonder vast te stellen dat blijkt dat die vraag om inlichtingen werd aangeboden op de zetel van Anthomel bv dan wel aan de eiser zelf. Die beslissing schendt artikel 6.2 EVRM en miskent het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Bijgevolg is de schuldigverklaring van de eiser niet naar recht verantwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar dit uitspraak doet over de hogere beroepen en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 171,49 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140429.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190123.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190918.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240904.2F.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.