id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.2 Rolnummer: P.21.1330.N Zaak: V. contra Baloise NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-02-10 Raadplegingen: 772 - laatst gezien 2026-06-18 21:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van een inverdenkinggestelde spreekt zich niet definitief uit over de strafvordering en heeft geen definitief gezag van gewijsde; deze beslissing stelt immers slechts vast dat het in de gegeven omstandigheden en met de beschikbare gegevens op een bepaald ogenblik niet verantwoord is de rechtspleging verder te zetten; dit oordeel kan aldus later nog wijzigen in het geval van andere omstandigheden en beschikbare gegevens. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Voorlopig gezag van gewijsde - Draagwijdte Fiche 2 Uit de artikelen 246 en 247 Wetboek van Strafvordering, die ook van toepassing zijn op een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling, volgt dat deze beslissing niet verhindert dat indien lastens een inverdenkinggestelde nieuwe bezwaren zijn ingekomen, hij op vordering van het openbaar ministerie met een nieuwe beschikking alsnog naar de vonnisrechter wordt verwezen
(1); de raadkamer beoordeelt het bestaan van nieuwe bezwaren op het ogenblik dat zij opnieuw is gevat om over de regeling van de rechtspleging te oordelen; niet vereist is dat zij de nieuwe bezwaren in de nieuwe beschikking zelf vaststelt
(2); die vaststelling kan ook blijken uit andere aan tegenspraak onderworpen dossierstukken waarnaar de raadkamer in haar nieuwe beschikking verwijst.
(1)Cass. 29 november 2016, AR P.15.0214.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.2, AC 2016, nr. 681. Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 384; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GompelSvacina, 2019, 1023; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 995.
(2)Cass. 2 februari 1994, AR P.93.0499.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940202.10, AC 1994, nr. 62; Cass. 9 oktober 1985, AR 4558, AC 1985-86, nr. 80; Cass. 7 september 1982, AR 7464, AC 1983, nr. 18; Cass. 8 maart 1965, Pas. 1965, I, 702 met concl. van advocaat-generaal P. MAHAUX; Cass. 29 juli 1954, AC 1954,
- Zie R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 385; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GompelSvacina, 2019, 1024; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Buitenvervolgingstelling - Nieuwe bezwaren - Vordering van het openbaar ministerie - Moment van beoordeling van de nieuwe bezwaren - Vaststelling van de nieuwe bezwaren in een processtuk - Recht op tegenspraak - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 130 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 246 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 247 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1330.N I F C F V H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen BALOISE nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthofbrug 16, burgerlijke partij, verweerster. II J M F G, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mathias De Daele, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 september 2021 (hierna het arrest) en de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 12 februari 2020 (hierna de beschikking van de raadkamer). De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 130 Wetboek van Strafvordering: de beschikking van de raadkamer heeft de eiser ten onrechte naar de correctionele rechtbank verwezen; bij beschikking van 13 september 2018 had de raadkamer de eiser voor dezelfde feiten immers reeds buiten vervolging gesteld en in de navolgende beschikking heeft zij niet het bestaan van nieuwe bezwaren vastgesteld.
- Een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van een inverdenkinggestelde spreekt zich niet definitief uit over de strafvordering en heeft geen definitief gezag van gewijsde. Deze beslissing stelt immers slechts vast dat het in de gegeven omstandigheden en met de beschikbare gegevens op een bepaald ogenblik niet verantwoord is de rechtspleging verder te zetten. Dit oordeel kan aldus later nog wijzigen in het geval van andere omstandigheden en beschikbare gegevens.
- Uit de artikelen 246 en 247 Wetboek van Strafvordering, die ook van toepassing zijn op een beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling, volgt dat deze beslissing niet verhindert dat indien lastens een inverdenkinggestelde nieuwe bezwaren zijn ingekomen, hij op vordering van het openbaar ministerie met een nieuwe beschikking alsnog naar de vonnisrechter wordt verwezen.
- De raadkamer beoordeelt het bestaan van nieuwe bezwaren op het ogenblik dat zij opnieuw is gevat om over de regeling van de rechtspleging te oordelen. Niet vereist is dat zij de nieuwe bezwaren in de nieuwe beschikking zelf vaststelt. Die vaststelling kan ook blijken uit andere aan tegenspraak onderworpen dossierstukken waarnaar de raadkamer in haar nieuwe beschikking verwijst.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De beschikking van de raadkamer verwijst de eiser naar de correctionele rechtbank en neemt daarbij de beweegredenen aan die zijn omschreven in de schriftelijke vordering van de procureur des Konings van 13 december
- Die vordering tot regeling van de rechtspleging verwijst op haar beurt naar het proces-verbaal van de rechtszitting van de correctionele rechtbank van 28 mei 2019 en naar de heropening van het gerechtelijk onderzoek met inleidende vordering aan de onderzoeksrechter van 4 november
- Deze nieuwe vordering tot het inleiden van een gerechtelijk onderzoek steunt uitdrukkelijk op de artikelen 246 en 247 Wetboek van Strafvordering en op “de nieuwe elementen in de hierbij gevoegde processen-verbaal”. Uit de bewoordingen van de beschikking van de raadkamer in samenhang met de stukken naar dewelke zij verwijst, blijkt dat de raadkamer ten aanzien van de eiser I wel degelijk het bestaan van nieuwe bezwaren heeft vastgesteld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest is dubbelzinnig gemotiveerd; enerzijds stellen de appelrechters in de beschikking van de raadkamer geen enkele onregelmatigheid vast en anderzijds oordelen zij dat zij als vonnisrechters niet te oordelen hebben over onregelmatigheden die aan de beschikking van verwijzing zouden kleven.
- Het is niet dubbelzinnig te oordelen dat de beschikking van de raadkamer door geen enkele onregelmatigheid is aangetast en daar in ondergeschikte orde aan toe te voegen dat het vonnisgerecht hoe dan ook niet te oordelen heeft over onregelmatigheden die aan een dergelijke beschikking zouden kleven. Deze oordelen beletten de eiser niet te achterhalen wat het arrest heeft beslist. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 221 euro, waarvan de eiser I 110,85 euro is verschuldigd en de eiser II 110,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940202.10 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div