← België

BRAINWIN contra HET VLAAMSE GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Verval van de strafvordering - Redelijke termijn van de rechtspleging - Verantwoordelijkheid van de rechtspersoon - Aanstelling van de lasthebber ad hoc van de rechtspersoon - Mogelijkheid van de lasthebber ad hoc om bewijs à décharge te verzamelen - Beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn op het recht van verdediging - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 Artikel 5 Strafwetboek sluit de rechtspersoon die in rechte of in feite wordt vertegenwoordigd door slechts één persoon niet uit van strafrechtelijke verantwoordelijkheid; bijgevolg kan ook bij een dergelijke rechtspersoon een autonoom schuldpatroon worden vastgesteld, ongeacht het feit dat daarvoor rekening wordt gehouden met de gedragingen of verzuimen van de enige vertegenwoordiger

(1); de morele toerekenbaarheid van een als misdrijf omschreven feit aan een rechtspersoon moet niet steeds het voorwerp uitmaken van een specifiek onderzoek, maar kan blijken uit de gegevens opgeleverd door het algemeen onderzoek naar de feiten; de rechter bepaalt of de hem voorgelegde gegevens volstaan om met kennis van zaken te oordelen over de bedoelde toerekenbaarheid.
(1)Cass. 3 maart 2015, AR P.13.1261.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150303.2, AC 2015, nr. 151; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1290.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3, AC 2013, nr. 270 en Cass. 20 april 2011, AR P.10.2026.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110420.5, AC 2011, nr. 269. Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Vrije woorden: Moreel bestanddeel van het misdrijf - Toerekenbaarheid - Algemeen onderzoek naar de feiten Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 7 De strafrechter die na het verval van de strafvordering enkel nog te beslissen heeft over de burgerlijke rechtsvordering, oordeelt onaantastbaar of het door een partij voorgestelde getuigenverhoor dienstig is voor het bewijs van de onrechtmatige daad; de strafrechter dient daarbij echter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging te eerbiedigen
(1); het Hof gaat na of de strafrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen heeft afgeleid die met die rechten niet in overeenstemming te brengen zijn; de strafrechter kan oordelen dat het herverhoor van getuigen ingevolge het tijdsverloop niet meer dienstig is wegens het risico van onbetrouwbaarheid; daarvoor moet die rechter niet eerst de getuigen horen.
(1)Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0101.N, , ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.6 met concl. OM, RW 2021-2022, 781. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Beoordeling van de burgerlijke vordering na verval van de strafvordering - Verzoek tot het horen van belastende getuigen - Risico van onbetrouwbaarheid van de mondelinge getuigenis - Beoordeling - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Verval van de strafvordering - Beoordeling van de burgerlijke aansprakelijkheid - Verzoek tot het horen ter terechtzitting van belastende getuigen - Risico van onbetrouwbaarheid van de mondelinge getuigenis - Beoordeling - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Strafzaken - Beoordeling van de burgerlijke vordering na verval van de strafvordering - Verzoek tot het horen van belastende getuigen - Risico van onbetrouwbaarheid van de mondelinge getuigenis - Beoordeling - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2022, n° 8, p. 1034-

  1. - DE WAEL, Frank; Noot'Een 'specifiek' of 'bijzonder' onderzoek naar de morele toerekenbaarheid van een misdrijf aan een rechtspersoon' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1278.N I BRAINWIN nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Scailquinstraat 60 bus 181, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Tom Bauwens, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, beklaagde, eiseres, II
  2. P N F G S V D M, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9030 Gent (Mariakerke), Durmstraat 29, waar de eiser woonplaats kiest,
  3. ADVITTEL nv, met zetel te 1180 Ukkel, Beeckmanstraat 53, vertegenwoordigd door de lasthebber ad hoc Inge Gabriëls, met kantoor te 1000 Brussel, Boomstraat 14, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent,
  4. I A S, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent, alle cassatieberoepen tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Economie, Innovatie, Werk, Sociale economie en Landbouw, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Consciencegebouw, Koning Albert II-laan 15, burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 16 september
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II.1 en II.3 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II.2 voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  6. In zoverre ook gericht tegen de beslissing dat de strafvordering tegen de eisers vervallen is wegens verjaring, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres I
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 en 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak niet heeft geleid tot een ernstige en onherstelbare miskenning van het recht van verdediging van de eiseres I en verklaart dienvolgens de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder ontvankelijk; het arrest steunt die beslissing op het gegeven dat de lasthebber ad hoc vanaf zijn aanstelling de belangen van de eiseres I ten volle heeft kunnen behartigen gedurende de verdere strafprocedure; het recht van verdediging van de eiseres I was echter reeds onherroepelijk miskend door het tijdsverloop vóór de aanstelling van de lasthebber ad hoc; op het moment van die aanstelling waren door toedoen van eiseres’ afgevaardigde bestuurder, de eiser II.1, namelijk reeds onherroepelijk bewijselementen ver¬dwenen en nadien waren bijkomende onderzoekshandelingen zoals getuigen¬verhoren zinloos geworden; bovendien bevond de eiseres I zich in die periode in een bijzonder kwetsbare toestand die haar niet toeliet proactief bewijs à décharge te verzamelen of bij te houden; de eiseres I kan niet worden vereenzelvigd met haar afgevaardigde bestuurder; de onderzoeksrechter had reeds vanaf de aanvang van het gerechtelijk onderzoek een lasthebber ad hoc moeten aanstellen; op grond van de redenen die het arrest bevat, kan het Hof zijn wettigheidscontrole niet uitoefenen.
  8. Op grond van artikel 2bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de onderzoeksrechter ambtshalve een lasthebber ad hoc aanstellen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Hij is daartoe echter niet steeds verplicht en uit de enkele afwezigheid van die aanstelling kan geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging van de rechtspersoon worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. De strafrechter oordeelt onaantastbaar of de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde zo ernstig en onherstelbaar heeft aangetast dat geen eerlijke beoordeling van de aan die beklaagde verweten feiten meer mogelijk is en de op die feiten gesteunde burgerlijke rechtsvordering bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met alle dienstige omstandigheden, zoals het al dan niet bestaan van de mogelijkheid voor een beklaagde rechtspersoon om in de periode vóór de aanstelling van een lasthebber ad hoc bewijs à décharge te verzamelen of bij te houden. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  10. Het arrest (p. 14-16 en 19-23) steunt het met het middel bekritiseerde oordeel in essentie hierop dat: - de eiser II.1 als afgevaardigde bestuurder van de eiseres I reeds geruime tijd en alleszins vanaf 4 januari 2013 op de hoogte was van het administratief dossier waarop de strafvordering is gebaseerd, terwijl de subsidieregeling alleszins verplicht tot het bewaren van relevante stukken over een periode van vijf jaar; - de eiseres I tijdens het gerechtelijk onderzoek of de procedure tot regeling van de rechtspleging geen bijkomend onderzoek heeft gevraagd; - er gelet op de volledigheid en de betrouwbaarheid van de onderzoeksgegevens niet in te zien valt welke relevante stukken nog aan het strafdossier kunnen worden toegevoegd, terwijl ook de door de eiseres I gevraagde getuigenverhoren niet dienend zijn omwille van de redenen die het arrest verder specificeert; - een eventuele tegenstrijdigheid tussen de belangen van de eiseres I en deze van de eiser II.1 zich slechts heeft gemanifesteerd naar aanleiding van de eindvordering van het openbaar ministerie van 22 oktober 2015, waarin de eiseres I als mededader naast de eiser II.1 voor dezelfde telastleggingen wordt vervolgd; - het niet-aanstellen van een lasthebber ad hoc door de raadkamer reeds op de eerst nuttige rechtszitting van de eerste rechter van 12 mei 2016 is geremedieerd door de ambtshalve aanstelling van een lasthebber ad hoc, die in de verdere strafprocedure eiseres’ belangen ten volle heeft kunnen behartigen. Het arrest (p. 36-37) oordeelt verder dat de eiser II.1 de enige was die in naam en voor rekening van de eiseres I prestaties verrichtte en dat de subsidiefraude hen beiden kan worden aangerekend omdat de eiser II.1 de feiten van de telastlegging G wetens en willens heeft gepleegd.
  11. Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters het niet aannemelijk achten dat de eiseres I in de periode vóór de aanstelling van een lasthebber ad hoc met haar afgevaardigde bestuurder een belangenconflict zou hebben gehad dat haar zou hebben verhinderd nuttige gegevens à décharge bij te brengen, kan het arrest wettig besluiten tot de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering. Die redenen laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres I
  12. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek, zoals van toepassing, en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest rekent het feit van de telastlegging G ten onrechte toe aan de eiseres I; het arrest stelt immers vast dat de eiseres I zich vereenzelvigt met haar afgevaardigde bestuurder, zodat het niet kan besluiten tot het bestaan bij de eiseres I van een eigen, van de eiser II.1 onderscheiden opzet, wil of kennis; dat oordeel is ook in strijd met de aanstelling van een nieuwe lasthebber ad hoc bij het tussenarrest van 27 februari 2018; bovendien was een specifiek onderzoek naar de morele toerekenbaarheid van de telastlegging aan de eiseres I vereist, wat hier niet is gebeurd.
  13. Het autonome karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon belet niet dat bij de vaststelling van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon, rekening wordt gehouden met het gedrag van de natuurlijke personen die handelen voor of namens de rechtspersoon. De rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die hem juridisch of feitelijk besturen of voor zijn rekening optreden, zodat hun gedrag bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon mee in aanmerking kan worden genomen.
  14. Artikel 5 Strafwetboek sluit de rechtspersoon die in rechte of in feite wordt vertegenwoordigd door slechts één persoon niet uit van strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Bijgevolg kan ook bij een dergelijke rechtspersoon een autonoom schuldpatroon worden vastgesteld, ongeacht het feit dat daarvoor rekening wordt gehouden met de gedragingen of verzuimen van de enige vertegenwoordiger.
  15. De morele toerekenbaarheid van een als misdrijf omschreven feit aan een rechtspersoon moet niet steeds het voorwerp uitmaken van een specifiek onderzoek, maar kan blijken uit de gegevens opgeleverd door het algemeen onderzoek naar de feiten. De rechter bepaalt of de hem voorgelegde gegevens volstaan om met kennis van zaken te oordelen over de bedoelde toerekenbaarheid.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Op grond van een geheel van feiten die het vaststelt, oordeelt het arrest (p. 36-37) onder meer als volgt: - de feiten van de telastlegging G zijn materieel toerekenbaar aan de eiseres I; - de schuld van een rechtspersoon staat echter pas vast indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de rechtspersoon, hetzij het gevolg is van een binnen deze rechtspersoon begane onachtzaamheid; - bij de beoordeling van de schuld van een rechtspersoon kan worden gesteund op handelingen of verzuimen van de natuurlijke personen die binnen de rechtspersoon actief zijn. Het moreel bestanddeel moet dus worden afgeleid uit het binnen de rechtspersoon gevoerde of afwezige beleid; - uit het strafdossier blijkt ontegensprekelijk dat de eiser II.1 de sterke man was binnen de eiseres I. Hij was gedelegeerd bestuurder ervan en hij was de enige die in naam en voor rekening van de vennootschap prestaties verrichtte; - aangezien de feiten van de telastlegging G wetens en willens door de eiser II.1 als gedelegeerd bestuurder van de eiseres I zijn gepleegd, kan de inbreuk beiden worden aangerekend. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers II.1 en II.3
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten en van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oor-deelt dat de telastleggingen B tot G duidelijk en dus niet duister of dubbelzinnig zijn aangezien daarmee aan de eisers II.1 en II.3 wordt verweten onrechtmatig subsidies te hebben verworven door het indienen van prestaties voor advies, opleiding en advies voor internationaal ondernemen, terwijl die prestaties niet werden uitgevoerd; het arrest steunt daarvoor op de informatie vermeld in de verwijzingsbeschikking en de gegevens van het strafdossier, in het bijzonder het verhoor van de eiser II.1; uit de processen-verbaal met verhoren van derden en van de eiser II.1 blijkt echter dat er net wel subsidieerbare prestaties werden geleverd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van die processen-verbaal en kan het de onduidelijkheid van de telastleggingen niet verhelpen met een verwijzing naar het strafdossier.
  19. Het arrest verwijst voor de beslissing over de duidelijkheid van de telastleggingen B tot G niet naar processen-verbaal met verhoren van derden en kan bijgevolg de bewijskracht van die processen-verbaal niet miskennen.
  20. Het arrest (p. 12-14) oordeelt dat de eiser II.1 tijdens zijn uitgebreide ondervraging in de loop van het strafdossier werd geconfronteerd met alle aspecten van de strafklacht die door het Agentschap Ondernemen werd neergelegd naar aanleiding van de resultaten van een administratief onderzoek inzake dienstverleningsprojecten waarbij de eiseres I als dienstverlener is opgetreden. Het leidt onder meer daaruit af dat de eisers II.1 en II.3 wel degelijk over voldoende informatie beschikten om zich op de telastleggingen te verdedigen. Daarmee geeft het arrest geen uitlegging van eisers verklaringen ter gelegenheid van het hier bedoelde verhoor, wat het middel in werkelijkheid aanvoert, maar leidt het enkel een gevolg af uit de bij dat verhoor ter sprake gebrachte onderwerpen. Aldus miskent het arrest niet de bewijskracht van het proces-verbaal waarin dat verhoor is opgenomen.
  21. Het arrest (p. 14 en 24-25) oordeelt verder dat de eisers II.1 en II.3 uitgaan van een verkeerde, minstens te enge lezing van de telastleggingen omdat hen daarmee niet wordt verweten geen prestaties te hebben uitgevoerd, maar wel geen prestaties te hebben uitgevoerd die reglementair in aanmerking kwamen voor de uitbetaalde subsidies, zodat de vraag niet is of er prestaties zijn geleverd, maar wel of die prestaties voor subsidiëring in aanmerking kwamen. Aldus oordeelt het arrest niet dat de telastleggingen zijn gebaseerd op niet-uitgevoerde prestaties.
  22. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  23. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld en verder verwijst naar de inlichtingen verstrekt in de eindvordering van het openbaar ministerie, zoals hernomen in de verwijzingsbeschikking, kan op grond van die redenen wettig beslissen dat de telastleggingen B tot G geen onduidelijkheid of ondubbelzinnigheid bevatten die de eisers II.1 en II.3 heeft gehinderd in hun verdediging, zodat de burgerlijke rechtsvordering wel degelijk ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers II.1 en II.3
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verklaart de feiten van de telastlegging G (subsidiefraude) bewezen en veroordeelt de eisers II.1 en II.3 dienvolgens tot schadevergoeding aan de verweerder; de appelrechters hebben geweigerd over te gaan tot de ondervraging ter rechtszitting van de door de eisers II.1 en II.3 opgegeven getuigen, zijnde personen die ofwel waren betrokken bij de administratieve controles waarvan stukken in het dossier ontbreken, ofwel personen die verklaringen hebben afgelegd en konden afleggen over de realiteit van de gesubsidieerde prestaties die de eisers II.1 en II.3 hebben geleverd; de appelrechters die op grond van een aantal getuigenverklaringen oordelen dat de verwevenheid van verschillende vennootschappen een bepalend schuldelement is, oordelen ten onrechte dat die verklaringen geen doorslaggevend bewijs uitmaken; de appelrechters oordelen eveneens ten onrechte dat de getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn door tijdsverloop, terwijl zij verklaringen afgelegd enkele jaren na de feiten wel betrouwbaar achten; de rechter kan ook niet op voorhand de accuraatheid of juistheid van een getuigenverklaring beoordelen.
  25. De strafrechter die, zoals hier, na het verval van de strafvordering enkel nog te beslissen heeft over de burgerlijke rechtsvordering, oordeelt onaantastbaar of het door een partij voorgestelde getuigenverhoor dienstig is voor het bewijs van de onrechtmatige daad. De strafrechter dient daarbij echter het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging te eerbiedigen. Het Hof gaat na of de strafrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen heeft afgeleid die met die rechten niet in overeenstemming te brengen zijn.
  26. De strafrechter kan oordelen dat het herverhoor van getuigen ingevolge het tijdsverloop niet meer dienstig is wegens het risico van onbetrouwbaarheid. Daarvoor moet die rechter niet eerst de getuigen horen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  27. Eensdeels steunt het arrest (p. 25-35) de bewezenverklaring van de feiten van de telastlegging G niet zonder meer op getuigenverklaringen met betrekking tot de verwevenheid tussen de dienstverlenende en dienstverkrijgende vennootschappen, maar ook op een geheel van andere onderzoeksgegevens die het vermeldt, meer bepaald gegevens van het administratief dossier, vennootschapsgegevens, resultaten van het financieel onderzoek en documenten zoals financiële plannen, businessplannen en haalbaarheidsstudies. Anderdeels oordeelt het arrest (p. 14-16 en 21-23) dat: - het strafdossier alle relevante bewijselementen bevat, namelijk de noodzakelijke gegevens die een beoordeling van de zaak toelaten, bestaande uit de administratieve dossiers, de gegevens van de betrokken vennootschappen, de resultaten van de bankvorderingen, de verhoren van alle betrokkenen en de stukkenbundels van de eisers; - de eisers II.1 en II.3 niet kunnen worden gevolgd in hun bewering dat het administratief dossier slechts fragmentarisch zou zijn overgemaakt en de appelrechters in staat zijn om op grond van de voorhanden zijnde stukken de zaak te beoordelen en op gefundeerde wijze uitspraak te doen; - de eisers II.1 en II.3 de mogelijkheid hebben om tegenspraak te voeren over de inhoud en de bewijswaarde van de voorliggende vaststellingen en stukken, inclusief wat het administratief dossier betreft. Een verhoor van de ambtenaren verbonden aan het Agentschap Ondernemen, die de stukken opvroegen en de vaststellingen maakten, is niet relevant voor dit inhoudelijk debat; - de eisers II.1 en II.3 de gesuggereerde onregelmatigheden in het administratief onderzoek niet aannemelijk maken, zodat er ook om die reden geen aanleiding bestaat om een verhoor van de vermelde ambtenaren te organiseren; - de tijdens het vooronderzoek lastens de eisers II.1 en II.3 afgelegde getuigenverklaringen niet de enige of doorslaggevende bewijselementen uitmaken, maar samen met de andere, objectieve onderzoeksresultaten moeten worden beoordeeld; - deze getuigenverklaringen, afgenomen enkele jaren na de feiten, niet a priori onbetrouwbaar zijn; - een herverhoor van deze getuigen, meer dan tien jaar na de feiten, waardoor ernstige twijfels zullen rijzen over de accuraatheid en de juistheid van de verklaringen, om die reden niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding noch voor het recht op een eerlijk proces. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig beslissen dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eisers II.1 en II.3 niet zijn miskend door het niet-horen ter rechtszitting van de door hen voorgestelde getuigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  28. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel van de eisers II.1 en II.3
  29. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de redenen op grond waarvan het arrest beslist dat de overschrijding van de redelijke termijn het recht van verdediging niet miskent, staan haaks op de stukken van het strafdossier; de eisers II.1 en II.3 hadden geen daadwerkelijke mogelijkheid om te verzoeken bijkomend onderzoek uit te voeren aangezien zij niet tijdig werden opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer over de regeling van de rechtspleging; de eisers II.1 en II.3 hebben bovendien kunnen aantonen dat het administratief dossier niet volledig werd meegedeeld.
  30. Het middel komt op tegen de onaantastbare vaststellingen van het arrest dat de eisers II.1 en II.3 tijdig zijn opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer en dat het administratief dossier volledig is meegedeeld of het verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 221,71 euro, waarvan de eiseres I 109,20 euro is verschuldigd en de eisers II 112,51 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 8 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240626.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110420.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150303.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230110.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.