id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6 Rolnummer: C.21.0252.N-C.21.0216.N Zaak: E. contra BELFIUS VERZEKERINGEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-02-17 Raadplegingen: 1373 - laatst gezien 2026-06-19 12:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche Hoewel in beginsel de rechtsplegingsvergoeding wordt berekend op basis van het gevorderde bedrag en niet op basis van het aan de in het gelijk gestelde partij toegekende bedrag, kan de rechter niettemin de rechtsplegingsvergoeding berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, wanneer dit laatste bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normale bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegingsvergoeding, zonder hiertoe verplicht te zijn
(1).
(1)Zie Cass. 20 november 2020, AR P.12.0203.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.2, AC 2012, nr. 623; Cass. 17 november 2010, AR P.10.0863.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4, AC 2010, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Berekening - Op basis van toegekend bedrag - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 557, 559, 618 en 1022, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing I Nr. C.21.0216.N ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, Rue des Croisiers 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.484.654, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELFIUS VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Karel Rogierplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.764.064, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest, in aanwezigheid van B. E. B., II Nr. C.21.0252.N B. E. B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELFIUS VERZEKERINGEN nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Karel Rogierplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.764.064, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest, in aanwezigheid van ETHIAS nv, met zetel te 4000 Luik, Rue des Croisiers 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.484.
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 november
- Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak C.21.0216.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. In de zaak C.21.0252.N voert de eiser in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Voeging
- De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis zodat zij dienen te worden gevoegd. B. Zaak C.21.0216.N (…) C. Zaak C.21.0252.N (…) Derde middel
- Volgens artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het basis-, minimum- en maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld door de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit. Volgens artikel 1 Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het bedrag van de basis-, minimum- en maximumbedragen van de in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg en volgens de bepalingen van dit besluit. Artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt voor de in geld waardeerbare vorderingen op basis van het bedrag van die vorderingen de basis-, minimum- en maximumbedragen. Het bedrag van die vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 559, 561, 562 en 618 Gerechtelijk Wetboek.
- Uit deze bepalingen volgt dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in beginsel wordt berekend op basis van het gevorderde bedrag en niet op basis van het aan de in het gelijk gestelde partij toegekende bedrag. De rechter kan de rechtsplegingsvergoeding niettemin berekenen op basis van het toegekende veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, wanneer dit laatste bedrag volgt ofwel uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan, ofwel uit een te kwader trouw verrichte verhoging die als enig doel had op kunstmatige wijze het bedrag van de vordering op te trekken tot een hogere schijf van de rechtsplegingsvergoeding, zonder hiertoe verplicht te zijn.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijk dat de eiser in zijn appelconclusie een rechtsplegingsvergoeding vraagt van 6000 euro en dat de verweerster in haar appelconclusie laat gelden dat de rechtsplegingsvergoedingen bepaalt dienen te worden op basis van het werkelijk toegekende bedrag.
- De appelrechter die oordeelt dat de eiser zijn vordering sterk heeft overgewaardeerd en bijgevolg de rechtsplegingsvergoedingen die hem toekomen niet moeten worden berekend op grond van het gevorderde bedrag, zonder na te gaan of de eiser zich heeft gedragen als een normaal bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende of te kwader trouw de gevorderde bedragen heeft verhoogd, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.21.0216.N en C.21.0252.N. In de zaak C.21.0216.N: Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 487,62 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. In de zaak C.21.0252.N: Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsvergoedingen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijke vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240906.1N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241104.3F.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101117.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121120.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div