id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.8 Rolnummer: C.20.0385.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-02-17 Raadplegingen: 625 - laatst gezien 2026-06-14 12:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche De sommen, renten of waarden waarvan sprake in artikel 2.7.1.0.6, § 1, eerste en tweede lid VCF, worden geacht als legaat te zijn verkregen en worden zodoende aan de erfbelasting onderworpen in de mate de begunstiging aan de hand van een beding ten gunste van een derde van de erflater uitgaat; indien de begunstiging uitgaat van twee erflaters zijn de sommen, renten of waarden als fictief legaat uitgaande van elk van de erflaters belastbaar in de mate de begunstiging uitgaat van elke erflater. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Erfbelasting - Sommen, renten of waarden geacht als legaat te zijn verkregen - Begunstiging door twee erflaters aan de hand van een beding ten gunste van een derde - Fictief legaat - Gevolg voor de belastbaarheid Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.6, § 1, eerste en tweede lid - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0385.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen I. V. D., verweerster, met als raadsman mr. Nathalie Labeeuw, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1831 Diegem, Berkenlaan 8A, bus 4 – Greenhouse BXL. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 maart 2020 (rolnummer 2019/AR/755). Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2.7.1.0.6, § 1, eerste lid, VCF, voor zijn wijziging door het Vlaams Decreet van 23 december 2016, worden de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Krachtens het tweede lid van dezelfde wetsbepaling worden ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen, hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, hetzij na het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.
- De sommen, renten of waarden waarvan sprake in voormelde wetsbepaling worden geacht als legaat te zijn verkregen en worden zodoende aan de erfbelasting onderworpen in de mate de begunstiging aan de hand van een beding ten gunste van een derde van de erflater uitgaat. Indien de begunstiging uitgaat van twee erflaters zijn de sommen, renten of waarden als fictief legaat uitgaande van elk van de erflaters belastbaar in de mate de begunstiging uitgaat van elke erflater.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat voormeld artikel 2.7.1.0.6, § 1, VCF niet voorziet in een herleiding van het fictief legaat wanneer over de helft van de reserve/afkoopwaarde van de levensverzekeringsovereenkomst, die op naam van de langstlevende echtgenoot doorloopt bij het vooroverlijden van zijn echtgenoot en die tot het gemeenschappelijk vermogen behoort, reeds erfbelasting was betaald door de begunstigde kinderen bij het overlijden van de eerst stervende van hun ouders, faalt naar recht.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 2.7.1.0.1 en 2.7.1.0.2 VCF, is het volledig afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van voormeld artikel 2.7.1.0.6, § 1, VCF en bijgevolg niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 324,05 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220210.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div