← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.20 Rolnummer: P.22.0163.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-07 Raadplegingen: 638 - laatst gezien 2026-06-19 05:23 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Krachtens artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel worden geweigerd ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt; de onderzoeksgerechten beslissen onaantastbaar of zij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren op grond van deze facultatieve weigeringsgrond

(1).
(1)Cass. 6 juli 2016, AR P.16.0739.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160706.2, AC 2016, nr. 439; Cass. 26 juni 2013, AR P.13.1098.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130625.1, AC 2013, nr. 398, RDP 2013, 1187; A. WINANTS, “De doorwerking van het EU-Kaderbesluit inzake overlevering”, NC 2006, 92; H. SANDERS, Handboek Overleveringsrecht, Intersentia, 2011, 234-236; A. WINANTS, “Actuele beschouwingen over het Europees aanhoudingsbevel”, in Strafrecht meer…dan ooit, Die Keure, 2011, 41-42; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 607; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 104-106 en 132-133; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 1231-1232; S. DEWULF, Overlevering, APR, 2020, 182-184; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 2095. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Facultatieve weigeringsgronden - Vervolging in België wegens een feit vermeld in het Europees aanhoudingsbevel - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 1° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Facultatieve weigeringsgronden - Vervolging in België wegens een feit vermeld in het Europees aanhoudingsbevel - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 1° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 4 Het onderzoeksgerecht oordeelt met betrekking tot de toepassing van artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel onaantastbaar of de persoon om wiens overlevering wordt verzocht en die geen Belg is, in België verblijft; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 6 juli 2016, AR P.16.0739.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160706.2, AC 2016, nr. 439; Cass. 14 juli 2009, AR P.09.1074.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.4, AC 2009, nr. 454; Cass. 23 december 2008, AR P.08.1803.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.4, AC 2008, nr. 752; Cass. 19 juli 2005, (arrest niet gepubliceerd), RW 2006-07, 210 noot E. DE BOCK; Cass 5 juli 2005, AR P.05.0896.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050705.21, AC 2005, nr. 387, RW 2006-07, 759 noot G. STESSENS; Cass. 5 oktober 2004, AR P.04.1286.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.6, AC 2004, nr. 456, T. Strafr. 2005,
  1. A. WINANTS, “Actuele beschouwingen over het Europees aanhoudingsbevel”, in Strafrecht meer…dan ooit, Die Keure, 2011, 47; J. VAN GAEVER, Het Europees aanhoudingsbevel in de praktijk, Kluwer, 2013, 196; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr. 4741; S. DEWULF, Overlevering, APR 2020, 80-
  2. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel - Terugkeergarantie - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 8 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel - Terugkeergarantie - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 8 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0163.N T L E B, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden om andere redenen, eiser, met als raadsman mr. Dimitri De Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 januari
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 4.4° Wet Europees aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de strafvordering naar Belgisch recht niet is verjaard is en laat daarom ten onrechte na de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel te weigeren; indien de datum van de verjaring niet met zekerheid kan worden vastgesteld, moet twijfel in het voordeel van de eiser spelen en geldt voor hem de meest gunstige datum; het appelgerecht heeft niet getracht het laatst gepleegde feit zo nauwkeurig mogelijk in de tijd te situeren noch de voor de eiser meest gunstige datum in aanmerking te nemen.
  5. Krachtens artikel 4.4° Wet Europees aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval de strafvordering volgens de Belgische wet is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.
  6. De verjaring van de strafvordering bij een voortdurend misdrijf neemt slechts een aanvang op de dag van het beëindigen van de wederrechtelijke toestand.
  7. Het arrest oordeelt als volgt: - het middel van de eiser waarin wordt opgeworpen dat de passage “en verder” van de incriminatieperiode in het Europees aanhoudingsmandaat tot gevolg heeft dat hij daaruit niet kan afleiden tot wanneer de feiten zich hebben afgespeeld en hij bijgevolg geenszins kan weten wanneer de verjaringstermijn begint te lopen, mist elke grond; - deze woorden wijzen op het bestaan van een voortdurend misdrijf en dit behoefde geen verdere invulling in het Europees aanhoudingsbevel; - bovendien is er een verduidelijking gevolgd door de Spaanse autoriteiten waarin wordt bevestigd dat het misdrijf waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd een voortdurend misdrijf van fraude is en dat de incriminatieperiode loopt tot de datum van uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, zijnde 13 september 2021; - door de informatie vervat in het Europees aanhoudingsbevel die bevestiging vindt in de aanvullend verschafte informatie beschikt de eiser over afdoende informatie om de verjaringstermijn in deze zaak te berekenen. Met die redenen stelt het arrest met zekerheid vast dat de incriminatieperiode liep tot 13 september 2021 en kan het arrest naar recht oordelen dat de strafvordering naar Belgisch recht niet is verjaard en dat er bijgevolg geen grond is om de weigeringsgrond van artikel 4.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel toe te passen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat de feiten van witwassen van vermogensvoordelen op Spaans grondgebied slechts een fractie zijn van de feiten waarvoor de vervolging tegen de eiser werd ingesteld, voegt het arrest een voorwaarde toe aan artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel; deze bepaling vereist niet dat de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft in België uitsluitend wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, zoals de appelrechters laten uitschijnen.
  9. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Krachtens artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel worden geweigerd ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.
  11. De onderzoeksgerechten beslissen onaantastbaar of zij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren op grond van deze facultatieve weigeringsgrond.
  12. Met de overweging dat de feiten van witwassen van vermogensvoordelen op Spaans grondgebied slechts een fractie zijn van de feiten waarvoor de vervolging tegen de eiser werd ingesteld, oordeelt het arrest niet dat deze facultatieve weigeringsgrond vereist dat de betrokkene uitsluitend in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt. Met dit oordeel voegt het evenmin een voorwaarde toe voor de toepassing van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel, maar vermeldt het de reden op grond waarvan wordt geoordeeld dat de toepassing van deze facultatieve weigeringsgrond in deze zaak niet opportuun is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat het niet zeker is dat de eiser voor deze feiten in België verder zal worden vervolgd, gelet op bepaalde afspraken, verantwoordt het arrest niet naar recht waarom de weigeringsgrond niet wordt toegepast.
  14. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. De onderzoeksgerechten beslissen onaantastbaar of zij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigeren op grond van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  16. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt, maar ook als volgt: - het middel van de eiser waarin hij om de toepassing verzoekt van de in artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde facultatieve weigeringsgrond wordt ongegrond verklaard; - vooreerst wordt beklemtoond dat dit slechts een facultatieve en geen verplichte weigeringsgrond is; - vervolgens wordt uit de stukken afgeleid dat er onderhandelingen lopen tussen de Belgische en Spaanse justitiële autoriteiten voor de overname van de vervolging door de laatstgenoemde justitiële autoriteiten voor het gedeelte van het witwassen van vermogensvoordelen op Spaans grondgebied, zodat het nog niet vaststaand is dat de eiser in België verder zal worden vervolgd voor de specifieke feiten van witwassen van vermogensvoordelen; - de gerechtelijke overheden beschikken daarbij over een discretionaire bevoegdheid om te beslissen of de strafvervolging gelet op de omstandigheden al dan niet in België moet worden verdergezet; - ten slotte wordt erop gewezen dat de feiten van witwassen van vermogensvoordelen op Spaans grondgebied slechts een fractie zijn van de feiten waarvoor de vervolging lastens de eiser werd ingesteld, zijnde het plegen van inbreuken op de drugwetgeving in vereniging, het deel uitmaken van een criminele organisatie en het witwassen van vermogensvoordelen op Belgisch grondgebied. Met het geheel van die redenen verantwoordt het arrest naar recht de weigering de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel in deze zaak toe te passen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat het feit dat de Spaanse autoriteiten de vervolging voor de feiten van witwassen op Spaans grondgebied in de toekomst mogelijks zouden overnemen overeenkomstig gemaakte afspraken tussen de bevoegde autoriteiten, niet wegneemt dat hij in België nog wordt vervolgd en dat integendeel deze afspraken slechts nodig waren indien het inderdaad om dezelfde feiten ging.
  18. Artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. Met het geheel van de redenen die zijn vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest wijst eisers verzoek om hem tijdelijk aan Spanje over te leveren met toepassing van artikel 24, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel ten onrechte af; de eiser had om dit uitstel van overlevering verzocht om zijn rechten in het Belgische dossier te waarborgen, waarbij zijn rechten in het Spaanse dossier konden worden veilig gesteld door hem tijdelijk uit te lenen aan Spanje; het arrest oordeelt ten onrechte dat de tijdelijke overleving een prerogatief is van het openbaar ministerie en dit niet kan worden bevolen door het onderzoeksgerecht; het arrest beantwoordt niet eisers verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de mogelijke strijdigheid van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel met artikel 24 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel). Ondergeschikt wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Schendt artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel artikel 24 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel in die zin dat het de beslissing over een tijdelijke overlevering niet toevertrouwt aan de gerechtelijke macht die beslist over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel.”
  21. Artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Het arrest oordeelt in verband met eisers op artikel 24 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel gesteund verzoek onder meer als volgt: “Ten overvloede wordt daaraan toegevoegd dat het toestaan van een tijdelijke overlevering volgens Belgisch recht slechts een mogelijkheid doch geen verplichting is en dat [de eiser] geen enkele gegronde reden heeft gegeven om hem in deze zaak tijdelijk aan de uitvaardigende Staat over te leveren onder nog te onderhandelen en vast te stellen voorwaarden. De omstandigheid dat hij in twee verschillende landen het voorwerp uitmaakt van grootschalige strafonderzoeken waarbij hij in beide landen zijn rechten van verdediging wenst uit te putten, wordt als onvoldoende reden beschouwd om eventueel – indien het al mogelijk zou zijn – te beslissen om tot een tijdelijke overlevering over te gaan”.
  23. Aldus vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan de kamer van inbeschuldigingstelling, zo zij daartoe bevoegd mocht zijn, van oordeel is dat in deze zaak in het licht van de door de eiser aangevoerde elementen de in artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde uitvoeringsmodaliteiten niet moeten worden toegepast.
  24. Die redenen, welke door het middel niet worden bekritiseerd, dragen zelfstandig de beslissing artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel niet toe te passen. Het middel dat in wezen enkel het oordeel bekritiseert dat het openbaar ministerie als enige bevoegd is om te beslissen over de uitvoeringsmodaliteiten van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, is gericht tegen overtollige redenen en kan dan ook niet tot cassatie leiden.
  25. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  26. De prejudiciële vraag die betrekking heeft op de vermelde overtollige redenen en dus op een aspect van het middel dat niet ontvankelijk is, wordt niet gesteld. Vierde middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 8 Wet Europees aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht; door de door de eiser gevraagde terugkeergarantie af te wijzen omdat zijn “duurzame band“ met België verdwenen zou zijn, terwijl artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel enkel vereist dat de betrokken persoon in België zou verblijven en het arrest niet vaststelt dat dit niet het geval zou zijn voor wat betreft de eiser, voegt het arrest een voorwaarde toe aan de wet en is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  28. Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  29. Artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Indien de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel met het oog op de instelling van vervolging betrekking heeft, Belg is of in België verblijft, kan de overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de persoon, na te zijn berecht, naar België wordt teruggezonden teneinde aldaar de straf of de veiligheidsmaatregel te ondergaan die tegen hem in de uitvaardigende Staat is uitgesproken.”
  30. Het onderzoeksgerecht oordeelt met betrekking tot de toepassing van artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel onaantastbaar of de persoon om wiens overlevering wordt verzocht en die geen Belg is, in België verblijft. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  31. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen als volgt: - terecht merkt het openbaar ministerie op dat de eiser een vast inschrijvingsadres heeft in Spanje; - daaruit kan worden afgeleid dat zijn bindingen met Spanje zeker niet geringer zijn dan deze met België; - uit de stukken waarop de kamer van inbeschuldigingstelling vermag acht te slaan, wordt afgeleid dat de eiser reeds sedert 22 januari 2018 afgeschreven is naar het buitenland en dat hij in Spanje is gedomicilieerd; - de feitelijke omstandigheden dat hij al zijn bindingen in België zou hebben, dat hij al een aantal bedrijven in België heeft, dat zijn partner een eigendom in België heeft en dat zijn schoonkinderen in België wonen en werken kunnen niet overtuigen nu de eiser ook in Spanje bedrijven en eigendommen heeft; - de duurzame band van de eiser met België is verdwenen sinds hij zowel zijn domicilie als zijn economische en sociale belangen heeft verplaatst naar het buitenland en dan meer in het bijzonder Spanje; - gelet op die omstandigheden wordt geen toepassing gemaakt van de terugkeergarantie. Uit die redenen volgt dat het arrest het begrip verblijf in België niet louter verengt tot het hebben van een duurzame band met België. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser niet in België verblijft in de zin van artikel 8 Wet Europees Aanhoudingsbevel en dat er bijgevolg geen grond is om de terugkeergarantie te verlenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041005.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050705.21 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081223.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090714.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130625.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160706.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.