← België

S. contra B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10 Rolnummer: P.21.1267.N Zaak: S. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht - Overige - Unierecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-02-24 Raadplegingen: 1104 - laatst gezien 2026-06-18 18:41 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging en deze bepaling bedoelt met “de redenen” de tenlastgelegde strafbare feiten en met “de aard” de juridische kwalificatie van die feiten en geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel onderwerpt de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging aan enig bijzonder vormvereiste, zodat een rechtstreekse dagvaarding een beklaagde niet tot in de details moet inlichten over de redenen van een tegen hem ingebrachte beschuldiging noch vereist is dat die dagvaarding per beklaagde een beschrijving bevat van de concrete feitelijke gedragingen waarop elke tegen hem uitgebrachte telastlegging steunt

(1).
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 736. met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Kennis van de ingebrachte beschuldigingen - Tenlastegelegde feiten en kwalificatie - Vorm van deze kennisgeving - Rechtstreekse dagvaarding - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 4 Een rechtstreekse dagvaarding moet niet aan de hand van een bijzondere beschrijving van de aard en de redenen van de beschuldiging of op enige andere wijze vermelden waarom een beklaagde wordt vervolgd voor een feit dat hem niet is verweten in een tijdens het strafonderzoek opgesteld proces-verbaal en dat het proces-verbaal is opgesteld door de douane- en accijnsadministratie in het kader van een onderzoek naar inbreuken inzake douane en accijnzen, waarover die administratie de strafvordering uitoefent behoudens voor wat betreft de gevangenisstraf, dat het proces-verbaal bijzondere bewijswaarde geniet en dat de rechtstreekse dagvaarding of de veroordelende beslissing een verwijzing bevat naar vaststellingen opgenomen in dat proces-verbaal, doet daaraan geen afbreuk aangezien het niet dat proces-verbaal, maar wel de rechtstreekse dagvaarding is die de strafvordering voor de strafrechter aanhangig maakt en die zodoende de beschuldiging tegen de beklaagde bevat; de door de administratie in de loop van het onderzoek opgestelde processen-verbaal betreffen in dat verband enkel stukken van het strafdossier die de beklaagde, naast andere hem ter beschikking staande gegevens, kennis kunnen verschaffen van wat hem ten laste is gelegd en waarop hij zich in de loop van het proces kan verdedigen, zodat de inhoud van die processen-verbaal de navolgende strafvordering van de administratie dan ook niet beperkt; vereist is enkel dat de beklaagde met de informatie die hij met de dagvaarding verneemt en de overige gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, in het bijzonder de stukken van het strafdossier, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen de beschuldiging en de rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde over die informatie beschikt waarbij het Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 736. met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Kennis van de ingebrachte beschuldigingen - Rechtstreekse dagvaarding - Vervolging voor feiten die de beklaagde in het proces-verbaal opgesteld tijdens het strafonderzoek niet werden verweten - Strafvordering uitgaande van de administratie van douane en accijnzen - Draagwijdte - Noodzakelijke informatie in de dagvaarding - Gevolg - Beoordeling door de rechter - Wettigheidscontrole van het Hof Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Uitoefening van de strafvordering - Rechtstreekse dagvaarding - Vervolging voor feiten die de beklaagde in het proces-verbaal opgesteld tijdens het strafonderzoek niet werden verweten - Draagwijdte - Noodzakelijke informatie in de dagvaarding - Gevolg - Beoordeling door de rechter - Wettigheidscontrole van het Hof Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Douane en accijnzen - Uitoefening van de strafvordering - Rechtstreekse dagvaarding - Vervolging voor feiten die de beklaagde in het proces-verbaal opgesteld tijdens het strafonderzoek niet werden verweten - Draagwijdte - Noodzakelijke informatie in de dagvaarding - Gevolg - Beoordeling door de rechter - Wettigheidscontrole van het Hof Fiches 5 - 10 De strafbepalingen vervat in de bepalingen van de artikelen 45 en 48 Accijnswet en 220, 221 en 281/2 AWDA maken deel uit van het bijzonder douanestrafrecht, waarmee de wetgever via een eigen systeem voor strafrechtelijke opsporing en vervolging de omvang en de frequentie van de fraude wil bestrijden in een bijzonder technische en vaak grensoverschrijdende materie die mede grotendeels door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst, waarbij de bestraffing van de inbreuken op de douane- en accijnswetgeving vaak bemoeilijkt wordt door het hoge aantal personen dat bij de handel is betrokken en door de mobiliteit van de goederen waarop de rechten zijn verschuldigd; deze inbreuken worden voornamelijk gepleegd wegens de enorme winsten die ermee kunnen worden gerealiseerd, dit ten nadele van verschillende overheden en om die redenen, en in het bijzonder om dit type criminaliteit te ontraden, bestraft de wetgever douane- en accijnsmisdrijven met geldboeten die zeer zwaar kunnen zijn omdat zij worden berekend op grond van de douanerechten of accijnzen die de daders ontduiken of wilden ontduiken en het ontradend effect van de geldboeten kan enkel uitwerking krijgen wanneer voor het berekenen van die geldboeten niet alleen de gerealiseerde winst, maar ook de verhoopte winst in rekening wordt gebracht en ook artikel 42 DWU bepaalt dat de sancties die door de lidstaten worden vastgesteld voor het niet naleven van de douanewetgeving effectief, proportioneel en afschrikkend moeten zijn; dat geldboeten inzake douane en accijnzen de financiële draagkracht van de veroordeelde redelijkerwijze overstijgen, houdt niet in dat die misdrijven op een onevenredige of een discriminerende wijze worden bestraft, ook niet wanneer zij de door de daders verhoopte winst niet hebben opgeleverd omdat zij tijdig zijn ontdekt en de omstandigheid dat de door een beklaagde gepleegde feiten zo ernstig zijn dat de geldboete redelijkerwijze niet kan worden herleid tot een bedrag dat de beklaagde wel zal kunnen betalen omdat een dergelijk bedrag in generlei verhouding staat tot de feiten, leidt er evenmin toe dat de rechter die beklaagde geen of maar een beperkte hoofdgevangenisstraf kan opleggen, zodat binnen de voormelde perken de rechter onaantastbaar de sanctie vaststelt die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader waarbij het Hof nagaat of uit de vaststellingen en redenen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Onmenselijke of vernederende behandeling - Douanewetgeving - Strafbepalingen - Ratio legis van de strafbepalingen - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste aanvullend protocol - Artikel 1 - Recht op ongestoorde eigendom - Douanewetgeving - Strafbepalingen - Ratio legis van de strafbepalingen - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Handvest Grondrechten Europese Unie - Artikel 49.3 - Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen - Douanewetgeving - Strafbepalingen - Ratio legis van de strafbepalingen - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Vrije woorden: Douanewetgeving - DWU - Artikel 42 - Sancties voor de niet naleving van de douanewetgeving - Principes - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Douanestrafrecht - Strafbepalingen - Artikel 45 en 48 Accijnswet 2009 - Artikelen 220, 221 en 281/2 AWDA - Ratio legis van de strafbepalingen - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Vrije woorden: Europese Unie - DWU - Artikel 42 - Sancties voor de niet naleving van de douanewetgeving - Principes - Geldboeten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49.3 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 48 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 220 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 221 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 281/2 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiches 11 - 12 Uit de bepalingen van de artikelen 40 en 41 Strafwetboek volgt dat de veroordeelde niet de keuze heeft om de geldboete niet te betalen en in de plaats daarvan de vervangende gevangenisstraf te ondergaan
(1).
(1)G. MARLIER G en J. DE METS, “De vervangende gevangenisstraf: ook bij een geldboete met uitstel”, noot onder Gent 28 oktober 2018, T.Strafr. 2019/4, p. 222-225 (p. 223); P. ARNOU, “De vervangende straf” in Strafrecht als roeping: liber Amicorum Lieven Dupont, F. Verbruggen, R. Verstraeten, D. Van Daele en B. Spriet (eds.), Universitaire Pers Leuven, 2005, 265-285 (nr. 43). Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Niet betaling van de geldboete - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - VERVANGENDE GEVANGENISSTRAF Vrije woorden: Geldboete - Niet-betaling - Gevolg Fiche 13 De appelrechter die de beklaagde veroordeelt tot een geldboete, maar geen vervangende gevangenisstraf uitspreekt indien die geldboete niet tijdig wordt betaald, legt aan de beklaagde geen zwaardere straf op dan de eerste rechter die deze vervangende gevangenisstraf wel aan de beklaagde heeft opgelegd. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Eenparigheid van stemmen - Vervangende gevangenisstraf opgelegd door de eerste rechter - Geen vervangende gevangenisstraf in hoger beroep - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.21.1267.N K. M. A. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat, 67, b14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 september
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten EU, artikel 149 Grondwet, de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 220 “e.v.”, 267 tot 272 en 281 tot 283 AWDA en de artikelen 45 tot 48 Accijnswet 2009, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het respect voor het recht van verdediging en de primauteit van het internationaal recht: in antwoord op de appelconclusie van de eiser oordeelt het arrest dat de rechtstreekse dagvaarding een voldoende duidelijke en precieze omschrijving geeft van de beide aan de eiser ten laste gelegde feiten, dat er geen twijfel kan bestaan over de draagwijdte van wat aanhangig werd gemaakt en dat de loutere vaststelling dat in het proces-verbaal van de administratie van de douane en accijnzen van 21 september 2016 zoals aangevuld bij het proces-verbaal van 1 februari 2017 met het nummer 2015/180/8899 niet werd vermeld dat het ten laste van de eiser werd opgesteld met betrekking tot feit 2, geenszins afbreuk doet aan de duidelijke vermelding in de rechtstreekse dagvaarding van alle feiten waarvoor de eiser wordt vervolgd en waarvoor hij zich dient te verantwoorden, met inbegrip van het daarin uitdrukkelijk vermelde feit
  3. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 220 “e.v.” AWDA en het bijgevolg niet de wetsbepalingen preciseert die de kritiek op de beslissing ondersteunen, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  4. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering schendt, is het eveneens onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging. Deze bepaling bedoelt met “de redenen” de ten laste gelegde strafbare feiten en met “de aard” de juridische kwalificatie van die feiten.
  6. Geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel onderwerpt de wijze waarop de vervolgde partij op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging aan enig bijzonder vormvereiste.
  7. Een rechtstreekse dagvaarding moet een beklaagde niet tot in de details inlichten over de redenen van een tegen hem ingebrachte beschuldiging. Niet vereist is dat die dagvaarding per beklaagde een beschrijving bevat van de concrete feitelijke gedragingen waarop elke tegen hem uitgebrachte telastlegging steunt.
  8. Evenmin moet een rechtstreekse dagvaarding aan de hand van een bijzondere beschrijving van de aard en de redenen van de beschuldiging of op enige andere wijze vermelden waarom een beklaagde wordt vervolgd voor een feit dat hem niet is verweten in een tijdens het strafonderzoek opgesteld proces-verbaal. Dat het proces-verbaal is opgesteld door de douane- en accijnsadministratie in het kader van een onderzoek naar inbreuken inzake douane en accijnzen, waarover die administratie de strafvordering uitoefent behoudens voor wat betreft de gevangenisstraf, dat het proces-verbaal bijzondere bewijswaarde geniet en dat de rechtstreekse dagvaarding of de veroordelende beslissing een verwijzing bevat naar vaststellingen opgenomen in dat proces-verbaal, doet daaraan geen afbreuk. Het is immers niet dat proces-verbaal, maar wel de rechtstreekse dagvaarding die de strafvordering voor de strafrechter aanhangig maakt en die zodoende de beschuldiging tegen de beklaagde bevat. De door de administratie in de loop van het onderzoek opgestelde processen-verbaal betreffen in dat verband enkel stukken van het strafdossier die de beklaagde, naast andere hem ter beschikking staande gegevens, kennis kunnen verschaffen van wat hem ten laste is gelegd en waarop hij zich in de loop van het proces kan verdedigen. De inhoud van die processen-verbaal beperkt de navolgende strafvordering van de administratie dan ook niet.
  9. Vereist is enkel dat de beklaagde met de informatie die hij met de dagvaarding verneemt en de overige gegevens waarover hij redelijkerwijze kan beschikken, in het bijzonder de stukken van het strafdossier, voldoende informatie heeft om zich naar behoren te kunnen verdedigen tegen de beschuldiging. De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde over die informatie beschikt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Het arrest stelt vast dat de eiser als dader, mededader of belanghebbende is vervolgd wegens de volgende feiten: “Zoals het op 24 augustus 2015 in een magazijn te …, … (feit A) werd vastgesteld en uit verder onderzoek is gebleken, dat de gedaagden zich schuldig gemaakt hebben aan: Feit A sluikinvoer te A. op 19 augustus 2015 van 10.049.600 sigaretten van het merk JIN LING, niet voorzien van in België geldige fiscale kentekens en op vrachtlijst 126E nummer 148694L9313917 van 13 augustus 2015 aangegeven als COOK WARE SET WITH GLASS/STEEL COVER IN GIFT BOX (container SUDU 658104-6); Feit B sluikinvoer te A. op 19 augustus 2015 van 32.290.000 stuks sigaretten van de merken J1N LING en EM@IL, niet voorzien van in België geldige fiscale kentekens en op vrachtlijst 126E nummer 148694L9313917 van 13 augustus 2015 aangegeven als COOK WARE SET WITH GLASS/STEEL COVER IN GIFT BOX (containers SUDU 854228-6, SUDU 558841-0, en SUDU 655796-5)”.
  12. Het arrest (p. 11) oordeelt zoals het middel vermeldt, alsook dat: - de dagvaarding op uitdrukkelijke en relatief uitgebreide wijze verwijst naar de bepalingen op grond waarvan een inbreuk aan de eiser ten laste werd gelegd; - het feit dat het hier bedoelde proces-verbaal niet vermeldt dat het lastens de eiser werd opgesteld met betrekking tot het feit 2, geen afbreuk doet aan het feit dat er geen twijfel kon bestaan over wat aan de eiser ten laste werd gelegd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser met de in de rechtstreekse dagvaarding vermelde telastleggingen en gegevens naar behoren op de hoogte is gesteld van de aard en de redenen van de tegen hem ingestelde beschuldiging, zonder dat het gehouden was tot een verdere onderzoeks- of motiveringsverplichting. Aldus is de beslissing ook regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 14 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 42.1 DWU, de artikelen 11, 11bis, 16 en 149 Grondwet, artikel 85 Strafwetboek, de artikelen 163, 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 220 “e.v.” en 281 AWDA en de artikelen 45 en 48 Accijnswet 2009 en het koninklijk besluit van 17 maart 2010: het arrest veroordeelt de eiser, na het aannemen van verzachtende omstandigheden, tot een gevangenisstraf van drie jaar én tot een geldboete van 5.000.000,00 euro, berekend op de door de sluikinvoer ontstane accijnsschuld; die straf miskent het evenredigheidsbeginsel en het recht op ongestoorde eigendom; er is voor wat betreft de bestraffing en het ermee beoogde doel geen faire afweging tussen de vereisten van het algemeen belang en het individueel belang van de beklaagde wanneer deze laatste wordt veroordeeld tot een excessieve straf; de opgelegde straf is bovendien onmenselijk en vernederend omdat zij geen herstel meer toelaat; de verzachtende omstandigheden die het arrest hier aanneemt, komen niet tegemoet aan die kritiek; de accijnsschuld is, hoewel tenietgegaan door de verbeurdverklaring van de ingevoerde goederen, zonder enige verantwoording volledig opeisbaar gesteld; die wettelijke regeling is discriminerend; de betrokken goederen zijn ook nooit op de markt gebracht.
  14. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 220 “e.v.” AWDA en het “K.B. van 17 maart 2010”, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. Artikel 11bis Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  16. Artikel 49.3 Handvest Grondrechten Europese Unie bepaalt dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit. Artikel 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom, onverminderd het recht van de Staat om onder meer de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
  17. De feiten waaraan het arrest de eiser schuldig verklaart, worden op grond van de artikelen 45 en 48 Accijnswet 2009 en de artikelen 220 en 221 AWDA bestraft met gevangenisstraf van vier maanden tot vijf jaar en met geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken rechten. Artikel 48, tweede lid, Accijnswet 2009 bepaalt dat de op de verbeurdverklaarde of afgestane accijnsgoederen niet meer opeisbare accijnzen niettemin als basis zullen dienen voor de berekening van de overeenkomstig artikel 45 op te leggen boeten. Artikel 281/2 AWDA bepaalt dat de bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85 doch met uitzondering van artikel 68, van toepassing zijn op de misdrijven strafbaar gesteld bij deze wet en de bijzondere wetten inzake douane en accijnzen.
  18. De vermelde strafbepalingen maken deel uit van het bijzonder douanestrafrecht, waarmee de wetgever via een eigen systeem voor strafrechtelijke opsporing en vervolging de omvang en de frequentie van de fraude wil bestrijden in een bijzonder technische en vaak grensoverschrijdende materie die mede grotendeels door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst. De bestraffing van de inbreuken op de douane- en accijnswetgeving wordt vaak bemoeilijkt door het hoge aantal personen dat bij de handel is betrokken en door de mobiliteit van de goederen waarop de rechten zijn verschuldigd. Deze inbreuken worden voornamelijk gepleegd wegens de enorme winsten die ermee kunnen worden gerealiseerd, dit ten nadele van verschillende overheden. Om die redenen, en in het bijzonder om dit type criminaliteit te ontraden, bestraft de wetgever douane- en accijnsmisdrijven met geldboeten die zeer zwaar kunnen zijn omdat zij worden berekend op grond van de douanerechten of accijnzen die de daders ontduiken of wilden ontduiken. Het ontradend effect van de geldboeten kan immers enkel uitwerking krijgen wanneer voor het berekenen van die geldboeten niet alleen de gerealiseerde winst, maar ook de verhoopte winst in rekening wordt gebracht. Artikel 42 DWU bepaalt in dat verband dat de sancties die door de lidstaten worden vastgesteld voor het niet naleven van de douanewetgeving effectief, proportioneel en afschrikkend moeten zijn.
  19. Dat geldboeten inzake douane en accijnzen door de vermelde omstandigheden de financiële draagkracht van de veroordeelde redelijkerwijze overstijgen, houdt niet in dat die misdrijven op een onevenredige of een discriminerende wijze worden bestraft, ook niet wanneer zij de door de daders verhoopte winst niet hebben opgeleverd omdat zij tijdig zijn ontdekt.
  20. Dat de door een beklaagde gepleegde feiten zo ernstig zijn dat de geldboete redelijkerwijze niet kan worden herleid tot een bedrag dat de beklaagde wel zal kunnen betalen omdat een dergelijk bedrag in generlei verhouding staat tot de feiten, leidt evenmin ertoe dat de rechter die beklaagde geen of maar een beperkte hoofdgevangenisstraf kan opleggen.
  21. Binnen de voormelde perken stelt de rechter onaantastbaar de sanctie vast die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof gaat wel na of uit de vaststellingen en redenen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepalingen.
  22. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  23. Het arrest veroordeelt de eiser tot een gevangenisstraf die het midden houdt tussen de wettelijk bepaalde minimum- en maximumgevangenisstraf, alsook tot een geldboete van 5.000.000,00 euro, wat neerkomt op de helft van de accijnzen verschuldigd op de verbeurdverklaarde goederen. Deze geldboete is een straf die het arrest enkel kan opleggen door verzachtende omstandigheden voor de eiser aan te nemen.
  24. Bij het bepalen van die straffen houdt het arrest rekening met het volgende: - de feiten zijn ernstig en laakbaar en geven blijk van een frauduleuze ingesteldheid en een handelwijze die schade toebrengt aan het legitieme handelsverkeer, die de fiscale en economische ordening verstoort en die maatschappelijk verwerpelijk is; - de eiser werd voorheen reeds meermaals correctioneel veroordeeld voor onder meer handel in verdovende middelen, oplichting, faillissementsmisdrijven, heling, oplichting en douanemisdrijven. Hij werd eveneens meermaals veroordeeld door de politierechtbank. Hij beschikt dan ook over een ongunstig strafrechtelijk verleden; - bij het bepalen van de strafmaat houdt het hof van beroep rekening met de aard, de omvang en de ernst van de feiten, de vaststelling dat de eiser uitsluitend handelde uit louter winstbejag, zijn concrete rol en aandeel in de feiten en zijn ongunstig strafrechtelijk verleden, het significante tijdsverloop sedert de feiten zonder dat de redelijke termijn is overschreden en het feit dat door de inbeslagname het beoogd financieel voordeel niet werd verkregen; - het hof van beroep brengt voor de eiser verzachtende omstandigheden in rekening, namelijk de afwezigheid van veroordelingen tot criminele straf; - het opleggen van een effectieve gevangenisstraf van drie jaar is gepast rekening houdend met voormelde motieven waaronder de aard en de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de eiser; - het bedrag van de geldboete wordt om de voormelde redenen, met inbegrip van de verzachtende omstandigheden, gepast geacht. Uit het bijzondere karakter van de geldboete inzake douane en accijnzen, gelijk aan de verschuldigde rechten of een veelvoud ervan, volgt evenwel dat de enige geldboete hier moet worden berekend op de som van de door die misdrijven ontdoken accijnzen; - het hof van beroep is van oordeel dat het gepast voorkomt aan de eiser een geldboete ten bedrage van 5.000.000,00 euro op te leggen. Dergelijke geldboete is evenredig met de bewezen verklaarde feiten, eveneens rekening houdend met de vaststelling dat het patrimoniaal voordeel zich voor de eiser niet heeft gerealiseerd door de inbeslagname van de gesmokkelde sigaretten; - de eiser verzoekt in ondergeschikte orde om de geldboete met uitstel uit te spreken. De eiser komt enkel nog in aanmerking voor probatie-uitstel, maar hij stelt geen voorwaarden voor en het hof van beroep ziet evenmin werkgebieden waarvoor nuttige voorwaarden zouden kunnen worden opgelegd. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de eiser zou het opleggen van een straf met probatie-uitstel bovendien een onvoldoende sterk signaal zijn voor de eiser dat hij zijn gedrag dient te verbeteren. Op grond van die redenen kan het arrest de eiser wettig veroordelen tot de voormelde straffen zonder hem een straf op te leggen die op grond van de ernst van de feiten en zijn persoonlijkheid onredelijk of in strijd met zijn recht op ongestoorde eigendom is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 49 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 149 Grondwet, artikel 85 Strafwetboek en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest past artikel 40 Strafwetboek niet toe, zonder te motiveren waarom het geen vervangende gevangenisstraf voor de opgelegde geldboete oplegt; doordat de eerste rechter wel een vervangende gevangenisstraf uitsprak, wordt in hoger beroep de straf in haar geheel verzwaard; immers de uitvoering van de vervangende gevangenisstraf geldt uiteindelijk als verval van de schuld terwijl deze mogelijkheid nu wordt uitgesloten; het arrest is niet uitgesproken met eenparige stemmen en noch het openbaar ministerie noch de administratie van de douane en accijnzen heeft hoger beroep ingesteld tegen het beroepen vonnis; door de strafverzwaring wordt de aan de eiser opgelegde straf des te meer onevenredig; het arrest is ook niet naar behoren gemotiveerd.
  26. Artikel 40, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat, bij gebreke van tijdige betaling, de geldboete kan worden vervangen door gevangenisstraf waarvan de maximumduur in die bepaling is vastgesteld. Artikel 41 Strafwetboek bepaalt: “In alle gevallen kan de veroordeelde zich van die gevangenisstraf bevrijden door de geldboete te betalen; hij kan zich niet onttrekken aan het verhaal op zijn goederen door aan te bieden de gevangenisstraf te ondergaan.”
  27. Uit die bepalingen volgt dat de veroordeelde niet de keuze heeft om de geldboete niet te betalen en in de plaats daarvan de vervangende gevangenisstraf te ondergaan.
  28. De appelrechter die de beklaagde veroordeelt tot een geldboete, maar geen vervangende gevangenisstraf uitspreekt indien die geldboete niet tijdig wordt betaald, legt aan de beklaagde dan ook geen zwaardere straf op dan de eerste rechter die deze vervangende gevangenisstraf wel aan de beklaagde heeft opgelegd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  29. Voor het overige kan het feit dat het arrest aan de eiser geen vervangende gevangenisstraf oplegt, hem niet grieven. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241231.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.29 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.