← België

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN BEROEP BRUS. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 210

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Vrije woorden: Ambtshalve opwerping van een grief van openbare orde - Grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering - Horen van de partijen over het ambtshalve opgeworpen middel - Openbaar ministerie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 210

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep - Bevoegdheid van de rechter - Ambtshalve opwerping van een grief van openbare orde - Grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering - Artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering - Horen van de partijen over het ambtshalve opgeworpen middel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 210

, tweede en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1448.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen M. A., beklaagde, verweerder. II M. A., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sven De Kerpel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 15 oktober

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel op de voorziening van de eiser I Geschonden wettelijke bepaling - artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
  2. Bij toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan de appelrechter ambtshalve een grief van openbare orde opwerpen binnen de perken van zijn saisine die door de verklaringen van hoger beroep en de grievenformulieren wordt bepaald. Een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering is zo een grief.
  3. Wanneer de appelrechter ambtshalve een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering opwerpt waarover geen van de appellanten een grief heeft aangevoerd in het verzoekschrift met grieven of het grievenformulier dat op straffe van verval van het hoger beroep op grond van artikel 204 Wetboek van Strafvordering moet worden neergelegd ter griffie, dient hij bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering de partijen te verzoeken om zich uit te spreken over het aldus ambtshalve opgeworpen middel. Ook het openbaar ministerie dient in dat geval in de gelegenheid te worden gesteld hierover een standpunt in te nemen.
  4. Uit het arrest en de overige stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerder I in het beroepen vonnis schuldig werd verklaard aan de hem ten laste gelegde feiten en hiervoor tot straffen werd veroordeeld; - de verweerder I hoger beroep tegen dit vonnis heeft ingesteld en een grievenformulier heeft ingediend waarin hij de rubrieken “procedure”, “schuld”, “straf en/of maatregel” en “burgerlijke rechtsvordering” heeft aangevinkt en nader toegelicht, waarbij onder de rubriek “procedure” werd vermeld: “Reden(en): Voorbehoud voor bevoegdheid, verjaring, rechten van verdediging e.a.”; - na het hoger beroep van de verweerder I ook hoger beroep werd aangetekend door de eiser I tegen de verweerder I, waarbij in het verzoekschrift met grieven van de eiser I werd vermeld dat het hoger beroep van de verweerder I werd gevolgd en dat tevens hoger beroep werd aangetekend voor de ten laste van de verweerder I uitgesproken straffen; - de appelrechters ambtshalve opwerpen (arrest, p. 19-21, nr. 3) dat de strafvordering tegen de verweerder I niet ontvankelijk is omdat niet boven elke twijfel vaststaat dat de verweerder I meerderjarig was op het ogenblik van de feiten die hem ten laste zijn gelegd, waarna het arrest (p. 21, nr. 4) oordeelt dat “er […] geen andere grieven zoals bedoeld in artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering [zijn] die het hof [van beroep] ambtshalve zou moeten opwerpen”.
  5. Aldus staat vast dat: - geen van de appellanten een grief heeft aangevoerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering tegen de verweerder I wegens de minderjarigheid van die laatste; - het arrest de strafvordering tegen de verweerder I niet ontvankelijk heeft verklaard op grond van een ambtshalve grief in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, met name door te oordelen dat niet boven elke twijfel vaststaat dat de verweerder I meerderjarig was op het ogenblik van de hem ten laste gelegde feiten.
  6. Door de strafvordering tegen de verweerder I niet ontvankelijk te verklaren op grond van een ambtshalve grief zonder de partijen en de eiser I te verzoeken zich hierover uit te spreken, schenden de appelrechters artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Middel
  7. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Middel van de eiser II
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: door eensdeels aan te nemen dat de beklaagden, waaronder de eiser II, aanvankelijk wellicht niet hebben gehandeld uit puur winstbejag maar eerder om vanuit hun kwetsbare situatie toch enig inkomen te verwerven maar anderdeels met deze verzachtende omstandigheid geen rekening te houden, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest gaat er bovendien ten onrechte van uit dat het bewezen is dat de eiser II zich schuldig heeft gemaakt aan zedenfeiten met geweld en bedreiging ten aanzien van de slachtoffers; de eiser II werd niet vervolgd voor dergelijke feiten, die hij bovendien systematisch en formeel heeft ontkend, zodat de appelrechters hiermee ten onrechte rekening houden om “een zeer strenge straf op te leggen”; tevens werd, bij gebrek aan identificatie van de slachtoffers en mede gelet op de dubbele pogingen, de verplichte geldboete ten onrechte bepaald op 64.000,00 euro.
  9. Het in artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR omschreven vermoeden van onschuld belet de rechter niet om bij de straftoemeting rekening te houden met alle aan tegenspraak onderworpen feiten die verband houden met de persoonlijkheid van de dader en de handelingen die hij heeft gesteld, ook wanneer die een misdrijf kunnen opleveren, mits hij geen uitspraak doet over het strafbare karakter ervan. Het vermoeden van onschuld staat er echter wel aan in de weg dat de rechter bij de beoordeling van de straftoemeting rekening houdt met een misdrijf waarvoor de beklaagde niet definitief werd veroordeeld.
  10. Het arrest verklaart de eiser II schuldig aan diverse feiten van mensensmokkel met verzwarende omstandigheden, aan pogingen daartoe, aan leiderschap van een criminele organisatie en aan illegaal verblijf in het Rijk, en oordeelt dat al die feiten werden gepleegd met hetzelfde opzet. Het veroordeelt de eiser II voor die misdrijven tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van 64.000,00 euro, dit is 1.000,00 euro, vermeerderd met 70 opdeciemen, acht maal toegepast, of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden, alsook tot een ontzetting uit de in artikel 31 Strafwetboek bedoelde rechten gedurende een periode van vijf jaar. Voor de motivering van deze straf baseert het arrest (p. 27) zich onder meer op de volgende redenen: “Tegenover de slachtoffers was [de eiser II] buitengewoon brutaal en vertoonde hij geen enkel respect. Het slachtoffer F.H. heeft aan de politie verklaard hoe [de eiser II] haar en verschillende andere vrouwen wilde dwingen met hem seks te hebben en hij haar daarbij bedreigd en verwond heeft met een wapen. Ofschoon die feiten niet als afzonderlijke misdrijven worden vervolgd, zijn ze veelzeggend over de mentaliteit van [de eiser II] en nopen ze het hof [van beroep] een zeer strenge straf op te leggen”.
  11. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de zedenfeiten en bedreigingen die de eiser II zou hebben gepleegd maar waarvoor hij niet werd vervolgd en die door hem werden betwist, bewezen zijn en nopen tot een strenge bestraffing. Hierdoor miskent het arrest het vermoeden van onschuld van de eiser II. In zoverre is het middel gegrond. Omvang van de cassatie
  12. De voormelde onwettigheden leiden tot de vernietiging van: - de beslissing van het arrest over de strafvordering tegen de verweerder I, met uitzondering van de beslissing over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen van de verweerder I en van de eiser I tegen de verweerder I; - de beslissing over de aan de eiser II opgelegde straffen en de daaruit voort-vloeiende beslissingen over de bijdragen, waarbij de beslissing over de schuldigverklaring van de eiser II onaangetast blijft. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - uitspraak doet over de strafvordering tegen de verweerder I, behoudens in zoverre het de hogere beroepen van de verweerder I en van de eiser I tegen de verweerder I ontvankelijk verklaart; - de eiser II tot straffen en bijdragen veroordeelt. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser II tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in geheel op 202,71 euro, waarvan de eiser I 96,80 euro is verschuldigd en de eiser II 105,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181024.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.