← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.13 Rolnummer: P.21.1433.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-02-24 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-06-15 09:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Een schuldigverklaring wegens het besturen van een voertuig op een openbare plaats in een toestand van alcoholintoxicatie in de zin van artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet of het besturen van een voertuig op een openbare plaats in een staat van dronkenschap in de zin van artikel 35 Wegverkeerswet vereist niet dat de verbalisanten die toestand van intoxicatie of dronkenschap op de openbare plaats zelf hebben vastgesteld; dat een bestuurder een voertuig op een openbare plaats heeft bestuurd in een door artikel 34, § 2, 1°, en 35 Wegverkeerswet bedoelde toestand kan ook blijken uit latere buiten die openbare plaats gedane vaststellingen

(1).
(1)Cass. 19 april 2016, AR P.15.1382.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.2, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 Vrije woorden: Artikel 34, § 2, 1° - Besturen van een voertuig op een openbare plaats in een toestand van alcoholintoxicatie - Vaststelling door de verbalisanten - Voorwaarden van de vaststelling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 35 Vrije woorden: Besturen van een voertuig op een openbare plaats in staat van dronkenschap - Vaststelling door de verbalisanten - Voorwaarden van de vaststelling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Vaststelling door de verbalisanten - Wegverkeer - Vaststelling van de toestand van alcoholintoxicatie of dronkenschap bij het besturen van een voertuig op een openbare plaats - Voorwaarden van de vaststelling - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34, § 2, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 35 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1433.N G. I. A. D. C. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jozef Ubaghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 1 oktober
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het bestreden vonnis stelt met het oog op de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet een deskundige aan teneinde advies te verlenen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de eiser tot het besturen van een motorvoertuig. Dit is geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet-ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3, 8.1 en 8.2 EVRM, artikel 22 Grondwet en artikel 47bis, § 2, § 3 en § 6, 4°, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het recht op eerbiediging van het privéleven: het bestreden vonnis is gesteund op een niet officieel verhoor van de eiser dat werd afgenomen door de politie zonder dat hij in kennis werd gesteld van zijn zwijgrecht, het verbod op zelfincriminatie en het recht op bijstand van een raadsman; het bestreden vonnis neemt aan dat de eiser zich zelf heeft beschuldigd in zijn eerste verklaring, namelijk door zijn verklaring in aanmerking te nemen dat hij “net” met het voertuig zou hebben gereden; indien het Hof aanvaardt dat deze techniek van quasi verhoor zonder de lezing van eisers rechten naar Belgisch recht kan worden toegestaan, is dit niet in overeenstemming met artikel 6.1 en 6.3 EVRM en biedt het geen voldoende waarborg voor het recht van verdediging, in casu het verbod op zelfincriminatie en het ontberen van het recht op bijstand van een raadsman; de beslissing is aldus niet naar recht verantwoord.
  5. Het bestreden vonnis grondt de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van geïntoxiceerd en dronken sturen op de verklaring van de onafhankelijke getuige K.Z. die melding deed van het vreemde rijgedrag van de eiser (zeer onregelmatig versneld en vertraagd rijden, rijden aan 20 km/u waar 50 km/u was toegelaten en het bruusk remmen wanneer het verkeerslicht naar de oranje fase veranderde), die veel geloofwaardiger werd bevonden dan de posterieure geschreven verklaring van een nauw bij de eiser betrokken getuige, het gegeven dat de verklaringen van deze getuige G.H. niet stroken met de uit het dossier blijkende chronologie, op de vaststellingen van de verbalisanten waaruit blijkt dat de eiser erg kort nadat hij zijn wagen heeft verlaten een ademanalyse aflegde met een alcoholconcentratie van 0,80 mg/l en hij daarnaast ook meerdere tekenen van dronkenschap vertoonde en ten slotte op het gegeven dat de eiser na de feiten een antwoordformulier kreeg toegestuurd waarbij hij aankruiste de feiten niet te betwisten. Die schuldigverklaring is niet gesteund op de mededelingen van de eiser nadat hij werd aangetroffen in een woning aan de .... Aldus berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 8.1 en 8.2 EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, artikel 47bis, § 2, § 3 en § 6, 4°, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 28, 34, § 2, 1°, 35 en 38, § 1, 1°, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van het privéleven: vermits de verbalisanten de eiser niet hebben aangetroffen op de openbare weg, wat wordt bevestigd op pagina drie van het bestreden vonnis, kunnen ze niet hebben vastgesteld dat zijn intoxicatie of dronkenschap niet is ontstaan na het besturen van het voertuig; de intoxicatie noch de dronkenschap is dus vastgesteld op de openbare weg, maar na het buiten brengen van de eiser uit de woning …; het bestreden vonnis acht aldus de artikelen 34, § 2, 1°, 35 en 38, § 1, 1°, Wegverkeerswet ten onrechte van toepassing op intoxicatie en dronkenschap in het privéleven of in de privéwoning.
  7. Een schuldigverklaring wegens het besturen van een voertuig op een openbare plaats in een toestand van alcoholintoxicatie in de zin van artikel 34, § 2, 1°, Wegverkeerswet of het besturen van een voertuig op een openbare plaats in een staat van dronkenschap in de zin van artikel 35 Wegverkeerswet vereist niet dat de verbalisanten die toestand van intoxicatie of dronkenschap op de openbare plaats zelf hebben vastgesteld. Dat een bestuurder een voertuig op een openbare plaats heeft bestuurd in een door artikel 34, § 2, 1°, en 35 Wegverkeerswet bedoelde toestand kan ook blijken uit latere buiten die openbare plaats gedane vaststellingen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3, 8.1 en 8.2 EVRM, de artikelen 15 en 22 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 28, 34, § 2, 1°, 35 en 38, § 1, 1°, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten, het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van het privéleven: de woning waar de eiser zich bevond op het ogenblik van de vaststellingen is geen openbare plaats; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat uit het strafdossier zou blijken dat de eiser geïntoxiceerd of dronken een voertuig zou hebben bestuurd in het wegverkeer of op een openbare plaats; door dit aan te nemen miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van het proces-verbaal (stuk 3); een verklaring van een aanvankelijk onbekende getuige kan geen afbreuk doen aan het gebrek aan noodzakelijke vaststellingen.
  9. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit het eerste onderdeel is het niet ontvankelijk.
  10. In zoverre het onderdeel formeel de miskenning aanvoert van de bewijskracht van akten, maar in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van het in het middel vermelde proces-verbaal en de verklaring van de getuige K.Z, is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 8.1 en 8.2 EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht op eerbiediging van het recht op privéleven en de onschendbaarheid van de woonst: de verbalisanten hebben met miskenning van het recht op privéleven de eiser met een dubieus voorwendsel, dat zijn voertuig niet slotvast was uit de privéwoning van zijn tafelgenoten gehaald; het bestreden vonnis is mede gesteund op een proces-verbaal dat een verklaring van de eiser bevat die hij aflegde nadat zijn recht op privéleven werd miskend en aldus ook zijn recht op een eerlijk proces; het bestreden vonnis heeft ten onrechte niet de schending van artikel 6.1 en 6.3 EVRM vastgesteld en het bedoelde proces-verbaal ten onrechte niet geweerd, minstens niet er de bijzondere bewijswaarde van ontdaan.
  12. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen.
  13. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van vaststelling door de woorden in dat proces-verbaal “[de eiser] erkent dat hij net met het voertuig reed”, te lezen als dat de eiser zonet zou hebben gereden; de woorden ‘net’ en ‘zonet’ hebben immers een andere betekenis volgens het Van Dale woordenboek.
  15. Het bestreden vonnis grondt eisers schuldigverklaring niet op de betwiste vermelding in het bedoelde proces-verbaal. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van het antwoordformulier van 12 augustus 2020 door er een schulderkenning van de eiser in te lezen; de eiser heeft enkel erkend dat hij geïntoxiceerd was en hij een positieve ademanalyse had afgelegd, niet dat hij dronken of geïntoxiceerd een voertuig had bestuurd; bovendien heeft de eiser op het proces-verbaal geschreven “gelezen en niet goedgekeurd’, verklaring die het bestreden vonnis niet in aanmerking neemt.
  17. Artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  18. Het in het onderdeel vermelde antwoordformulier bevat de resultaten van de alcoholcontrole. Het bevat geen vaststelling van inbreuken die door de eiser zouden zijn gepleegd op de Wegverkeerswet, maar vermeldt de referte van het proces-verbaal AN.
  19. L7.4016676/2020 dat de bedoelde vaststellingen wel bevat. Datzelfde formulier bevat de vraag of de betrokkene erkent de bovenvermelde inbreuken te hebben gepleegd, waarnaast het woord JA is aangeduid.
  20. Met het oordeel dat de eiser na de feiten een antwoordformulier kreeg opgestuurd, waarbij hij aankruiste de feiten niet te betwisten, geeft het bestreden vonnis aldus een uitlegging van dit formulier die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het bijgevolg de bewijskracht ervan niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, artikel 47bis, § 1, § 2, § 3, derde lid, en § 6, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op zelfincriminatie: de verbalisanten hebben in hun proces-verbaal, waarop de veroordeling ten onrechte is gesteund, vermeld dat de eiser toegeeft dat hij net met de wagen heeft gereden; die verklaring hebben ze afgenomen zonder de eiser te wijzen op zijn rechten inzonderheid het verbod op zelfincriminatie; indien de voormelde wetsbepalingen van het Wetboek van Strafvordering geen waarborg bieden tegen het afleggen van een verklaring onmiddellijk na de feiten en niet in een “formeel verhoor”, schenden die wetsbepalingen artikel 6.1 en 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aangezien zij geen effectief soelaas bieden aan het verbod op zelfincriminatie bij een “gesprek” met verbalisanten maar alleen bij een verhoor.
  22. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel en is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.