id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof
Art. 26
, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 49/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1231.N D. G. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 3 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet (tweede en vijfde onderdeel) en artikel 149 Grondwet (derde, vierde en vijfde onderdeel), artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (tweede, derde, vierde en vijfde onderdeel) en artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof (derde, vierde en vijfde onderdeel): de eiser verzocht de appelrechters de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, namelijk “Schenden de artikelen 49/1 en 38, § 1, 1° Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat het dezelfde geldboete van 200,00 tot 2.000,00 euro en het facultatief bijkomend verval van het recht tot sturen van 8 dagen tot vijf jaar, die de wetgever nodig achtte voor diegene die bij verval van het recht tot sturen bewust nalaat om zijn rijbewijs tijdig in te leveren ter griffie teneinde nog verder te kunnen rijden tijdens de periode van het verval, ook toepast voor de bestraffing van diegene die slechts uit vergetelheid of onzorgvuldigheid zijn rijbewijs laattijdig ter griffie inlevert?”; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte deze vraag niet te moeten stellen omdat de eiser daarmee de zwaarte van de straf in vraag zou stellen, wat een prerogatief van de wetgever is en dus geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag (tweede onderdeel); het wijst verder ten onrechte eisers verzoek tot het stellen van deze vraag af omdat de rechtbank niet verplicht is deze vraag te stellen en hierover soeverein beslist (derde onderdeel); het bestreden vonnis oordeelt eveneens ten onrechte dat de prejudiciële vraag niet bijdraagt tot de beslechting ten gronde en derhalve niet relevant is en met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat het antwoord niet nuttig noch onontbeerlijk is voor het geschil; de rechtbank kan oordelen over de redenen waarom de eiser zijn rijbewijs niet binnen de gestelde termijn heeft neergelegd en of er al dan niet verzachtende omstandigheden aanwezig zijn; deze redenen zijn tegenstrijdig doordat de prejudiciële vraag niet zowel niet pertinent als niet onontbeerlijk kan zijn voor de oplossing van de zaak (vierde onderdeel); het oordeelt ten slotte ten onrechte dat de voorgestelde prejudiciële vraag geen gelijke categorieën zou vergelijken die verschillend worden behandeld (vijfde onderdeel). In ondergeschikte orde verzoekt het middel aan het Hof de reeds vermelde prejudiciële vraag te stellen.
- Artikel 49/1, eerste lid, Wegverkeerswet bestraft hij die, nadat tegen hem een verval van het recht op sturen werd uitgesproken, zijn rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs niet inlevert binnen de door de Koning bepaalde termijn. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid verzachtende omstandigheden aan te nemen. Het derde lid voorziet in een herhalingsstelsel. Op grond van artikel 38, § 1, 1°, Wegverkeerswet kan voor dit misdrijf een verval van het recht tot sturen worden uitgesproken.
- Vóór de invoering van deze strafbepaling door artikel 3 van de wet van 18 juli 2012 tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer betreffende de inlevering van het rijbewijs bij het verval van het recht tot sturen kon de niet of laattijdige inlevering van het rijbewijs slechts worden gestraft met een geldboete van 10,00 tot 250,00 euro overeenkomstig artikel 67 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en artikel 29, § 2, Wegverkeerswet. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 49/1 Wegverkeerswet volgt dat de wetgever een afzonderlijke strafbaarstelling met beduidend zwaardere straffen noodzakelijk achtte om te vermijden dat na de kennisgeving van het verval van het recht tot sturen verder van het rijbewijs zou worden gebruik gemaakt.
- Noch uit de tekst van artikel 49/1 Wegverkeerswet noch uit de wetsgeschiedenis ervan noch uit de aard van dit misdrijf kan worden afgeleid dat het moreel bestanddeel van dit misdrijf noodzakelijk bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van de strafbare gedraging. Derhalve is het door artikel 49/1 Wegverkeerswet bedoelde misdrijf strafbaar ongeacht of het met opzet dan wel louter door een onachtzaamheid wordt gepleegd.
- De eiser voert aan dat de wetgever het door de artikelen 10 en 11 Grondwet gewaarborgde gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel miskent door voor de dader van het door artikel 49/1 Wegverkeerswet bedoelde misdrijf in eenzelfde bestraffing te voorzien en dit ongeacht of de niet of laattijdige inlevering van het rijbewijs opzettelijk is gebeurd dan wel een louter gevolg is van onachtzaamheid, waardoor de wetgever volgens de eiser personen die zich in een niet-vergelijkbare toestand bevinden gelijk behandelt.
- Het Hof is overeenkomstig artikel 26, § 2, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof verplicht de prejudiciële vraag, zoals geherformuleerd in het dictum van dit arrest, te stellen.
- Het beantwoorden van de door de eiser aangevoerde middelen wordt opgeschort totdat het Grondwettelijk Hof bij arrest over deze prejudiciële vraag uitspraak heeft gedaan.
- De beslissing over de kosten wordt aangehouden. Dictum Het Hof, Stelt de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 49/1 Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet doordat de wetgever niet voorziet in een onderscheid in bestraffing al naargelang de dader dit misdrijf opzettelijk dan wel louter uit onachtzaamheid pleegt?” Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 februari 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220222.2N.31 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div