id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220224.1N.7 Rolnummer: C.21.0408.N Zaak: D. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2022-03-07 Raadplegingen: 1168 - laatst gezien 2026-06-19 03:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het subsidiaire karakter van de rechtsvordering wegens ongerechtvaardigde verrijking belet dat de vordering wordt aangenomen wanneer de eiser over een andere rechtsvordering beschikte, die hij heeft laten teloorgaan; de vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking kan dus niet worden ingewilligd wanneer zij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot een aan de eiser ter beschikking staande rechtsvordering te omzeilen
(1).
(1)Cass. 14 juni 2021, AR C.21.0018.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.7, AC 2021, nr. 439 en Cass. 9 juni 2017, AR C.16.0382.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3, AC 2017, nr.
- Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Rechtsvordering wegens ongerechtvaardigde verrijking - Subsidiair karakter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van de ongerechtvaardigde verrijking Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Verrijking zonder oorzaak - Rechtsvordering uit ongerechtvaardigde verrijking - Subsidiair karakter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van de ongerechtvaardigde verrijking Fiche 3 Het subsidiaire karakter van de vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking staat er niet aan in de weg dat een eiser in hoofdorde zijn vordering steunt op het bestaan van een overeenkomst tussen de partijen en in subsidiaire orde op grond van ongerechtvaardigde verrijking in geval hij niet slaagt in zijn bewijslast met betrekking tot de contractuele vordering. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Subsidiair karakter vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking - Vordering in ondergeschikte orde Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van de ongerechtvaardigde verrijking Fiche 4 Een vermogensverschuiving kan ongedaan worden gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt; de verrijking is niet ongerechtvaardigd wanneer zij steunt op de wil van de verarmde voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving tot stand te brengen. Thesaurus CAS: VERRIJKING ZONDER OORZAAK Vrije woorden: Ontbreken van een rechtsgrond Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van de ongerechtvaardigde verrijking Tekst van de beslissing Nr. C.21.0408.N J. D. H., eiseres, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 14 september 2021 (G.21.0087.N), vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 februari
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel in zijn geheel
- Het subsidiaire karakter van de rechtsvordering wegens ongerechtvaardigde verrijking belet dat de vordering wordt aangenomen wanneer de eiser over een andere rechtsvordering beschikte, die hij heeft laten teloorgaan. De vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking kan dus niet worden ingewilligd wanneer zij tot doel heeft een wettelijk beletsel met betrekking tot een aan de eiser ter beschikking staande rechtsvordering te omzeilen. Het subsidiaire karakter staat niet eraan in de weg dat een eiser in hoofdorde zijn vordering steunt op het bestaan van een overeenkomst tussen de partijen en in subsidiaire orde op grond van ongerechtvaardigde verrijking in geval hij niet slaagt in zijn bewijslast met betrekking tot de contractuele vordering. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking strekt dan niet tot de uitvoering van de overeenkomst, maar tot de vergoeding tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming.
- De appelrechter stelt vast dat de verweerder zijn vordering “in eerste instantie [steunde] op een, beweerde lening, die evenwel bij gebrek aan enig geschrift niet kon bewezen worden” en in ondergeschikte orde op ongerechtvaardigde verrijking “indien - zoals in dit geval - de lening niet aangetoond is”.
- De appelrechter die vervolgens oordeelt dat het subsidiair karakter van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet eraan in de weg staat dat de verweerder deze vordering instelt indien de lening niet kan worden bewezen, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking kan een vermogensverschuiving worden ongedaan gemaakt wanneer voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming iedere rechtsgrond ontbreekt. De verrijking is niet ongerechtvaardigd wanneer zij steunt op de wil van de verarmde, voor zover deze ertoe strekte een definitieve vermogensverschuiving in het voordeel van de verrijkte tot stand te brengen. Die wil van de verarmde kan onder meer blijken uit de bedoeling de verrijkte te begunstigen, het speculatieve oogmerk of de omstandigheid dat de verarmde uitsluitend of hoofdzakelijk in zijn eigen belang handelde.
- De appelrechter stelt vast dat de eiseres niet betwist dat zij het bedrag van 31.143,19 euro van de verweerder heeft ontvangen, de verweerder hiertoe een lening is aangegaan bij de bank ten belope van 30.000,00 euro, dit bedrag bestemd was ter voldoening van een schuld van de verweerster en diende gestort te worden op een derdenrekening van de raadsman van haar gewezen echtgenoot, de partijen hebben samengewoond maar hieraan een einde is gekomen ten tijde van de betaling.
- De appelrechter die vervolgens oordeelt dat, mede gelet op het feit dat “de partijen op dat ogenblik reeds geruime tijd hun relatie beëindigd hadden en niet eens meer samenwoonden”, er geen aannemelijke reden blijkt te zijn voor een definitieve vermogensverschuiving, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
- Met de hiervoor weergegeven redenen voldoet de appelrechter aan het voorschrift van artikel 149 Grondwet en diende hij niet nader in te gaan op het bedoelde verweer dat louter hypothetisch is. Het onderdeel kan voor het overige niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.482,94 euro in debet waarvan 650 euro rolrecht in debet verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220224.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260330.3N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170609.3 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210614.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div