id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 2 - 4 Uit artikel 3 EVRM volgt niet dat op alle politieambtenaren die met een klager bij zijn arrestatie of tijdens zijn detentie contact hadden, de verplichting rust een overtuigende verklaring te geven voor de bij een arrestatie of tijdens een detentie opgelopen verwondingen van die klager; een dergelijke omkering van de bewijslast in strafzaken is immers strijdig met het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtenaren genieten; die regel geldt evenzeer indien de strafrechter uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde burgerlijke rechtsvordering
(1).
(1)Cass. 13 maart 2018, AR P.17.0841.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4, AC 2018, nr. 784; Cass. 15 april 2015, AR P.15.0024.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150415.2, AC 2015, nr. 253; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 738 noot S. DEWULF. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Verbod van onmenselijke en onterende behandeling - Klacht tegen de politie wegens geweld tijdens de arrestatie - Verhoor van de politieambtenaren - Bewijslast - Vermoeden van onschuld van de politieambtenaren - Beoordeling van alleen de burgerlijke vordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Klacht tegen de politie wegens geweld tijdens de arrestatie - Verhoor van de politieambtenaren - Bewijslast - Beoordeling van alleen de burgerlijke vordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Klacht tegen de politie wegens geweld tijdens de arrestatie - Verhoor van de politieambtenaren - Bewijslast - Vermoeden van onschuld van de politieambtenaren - Beoordeling van alleen de burgerlijke vordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 5 De aan artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontleende procedurele verplichting voor de Staat om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken, is een middelen- en geen resultaatsverplichting; slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die redelijkerwijze tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken kunnen leiden
(1).
(1)Cass. 10 april 2018, AR P.17.1135.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2, AC 2018, nr. 784; Cass. 24 maart 2015, AR P.14.1298.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3, AC 2015, nr. 217, RABG 2015, 987 noot V. VEREECKE, RW 2016-17, 738 noot S. DEWULF; EHRM 6 juli 2005, Natchova ea t/Bulgarije; EHRM 2 oktober 2012, Virabyan t/Armenië, EHRM 9 oktober 2012, Mikiashvilli t/Georgië, EHRM 28 september 2015, Bouyid t/België, §120, www.echr.coe.int Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Verbod van onmenselijke en onterende behandeling - Klacht tegen de politie wegens geweld tijdens de arrestatie - Voorwaarde van een effectief onderzoek - Identificatie en bestraffing van de verantwoordelijken - Te stellen onderzoeksdaden - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.1303.N S E J, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 128, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- I R B S, beklaagde,
- M A, beklaagde,
- T H, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 29 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eiseres’ conclusie en houdt geen rekening met alle feitelijke omstandigheden; het onderzoek werd onvolledig gevoerd en niet alle betrokken politieambtenaren werden verhoord; er ligt geen overtuigende verklaring voor van de door de dokter geattesteerde verwondingen die door de eiseres tijdens haar vrijheidsberoving zijn opgelopen; het vermoeden van causaliteit werd dan ook niet weerlegd en is door het arrest miskend.
- Uit artikel 3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een persoon het slachtoffer werd van geweld bij zijn arrestatie of tijdens zijn detentie, er een sterk feitelijk vermoeden bestaat dat de autoriteiten daarvoor verantwoordelijk zijn en het de Staat toekomt om daarvoor een overtuigende verklaring te geven. Indien zij daarin niet slaagt, staat een verdragsrechtelijke inbreuk van de Staat vast.
- Uit die bepaling volgt evenwel niet dat op alle politieambtenaren die met een klager bij zijn arrestatie of tijdens zijn detentie contact hadden, de verplichting rust een overtuigende verklaring te geven voor de bij een arrestatie of tijdens een detentie opgelopen verwondingen van die klager. Een dergelijke omkering van de bewijslast in strafzaken is immers strijdig met het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld, waarvan ook politieambtenaren genieten. Die regel geldt evenzeer indien de strafrechter uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde burgerlijke rechtsvordering.
- In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De aan artikel 3 EVRM door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontleende procedurele verplichting voor de Staat om een officieel onderzoek te voeren dat effectief moet zijn, in die zin dat het moet kunnen leiden tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken, is een middelen- en geen resultaatsverplichting. Slechts die onderzoekshandelingen moeten worden gesteld die redelijkerwijze tot de identificatie en de bestraffing van de verantwoordelijken kunnen leiden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast wat volgt: - de eiseres verzoekt bijkomend onderzoek te bevelen zonder te preciseren wat er dient te gebeuren; - de eiseres heeft pas op 27 juli 2013 klacht neergelegd, dit is meer dan een jaar na de feiten, hetgeen niet zonder invloed kan zijn geweest op de efficiëntie van een onderzoek; - vooraleer rechtstreeks voor de correctionele rechtbank te dagvaarden, verkeerde de eiseres in de mogelijkheid om door middel van burgerlijkepartijstelling een onderzoeksrechter te vatten met verzoek om bepaalde onderzoekhandelingen te stellen, wat zij niet heeft gedaan; - tijdens de rechtszitting van 30 juni 2021 waren de verweerders 1 en 2 aanwezig en zij hebben toelichting verschaft over de feiten; - de advocaat van de eiseres drong op die rechtszitting niet langer aan op bijkomende onderzoekdaden aangezien de zaak op strafgebied definitief is afgehandeld maar was van oordeel dat uit het dossier, zoals het voorligt, enkel kan worden afgeleid dat er een schending is geweest van artikel 3 EVRM en dat er geen verklaring wordt gegeven voor de door de politiediensten gebruikte dwangmaatregelen.
- Het arrest oordeelt verder als volgt: - het strafdossier bevat voldoende elementen om zich een duidelijk en objectief beeld te verschaffen over de omstandigheden waarin de feiten hebben plaatsgevonden, de redenen van de tussenkomst van de politie-inspecteurs en de wijze waarop die tussenkomst is gebeurd; - uit geen enkel element blijkt dat de verschillende getuigenverklaringen door iets anders was ingegeven dan de betrachting om een zo waarheidsgetrouwe weergave van de feiten te geven; hun verklaringen zijn overeenstemmend en bevestigen het verloop van de feiten zoals aangegeven in de interventiefiche en door de verweerder 3; - de openbare rust werd door de eiseres ernstig verstoord, zij gedroeg zich agressief en was niet voor rede vatbaar; - het politieoptreden, dat op verzoek van een verantwoordelijke van de buurtwinkel is gebeurd, was verantwoord en is kalm verlopen; - uit de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat de politie-inspecteurs stapsgewijs zijn tewerk gegaan, dat er gepoogd werd met de eiseres te communiceren en het conflict op een minder ingrijpende wijze op te lossen; - uit het geheel van de feitelijke gegevens die uit de overeenstemmende verklaringen voortvloeien, blijkt dat er wettig doel was voor het gebruik van dwang, met name om de openbare rust te herstellen die door de eiseres ernstig werd verstoord, dat andere minder verstrekkende maatregelen zonder gevolg bleven en dat de gebruikte dwangmaatregel proportioneel was, ook rekening houdende met de bijzonder lichte aard van de onmiddellijk na de aanhouding vastgestelde letsels en het gegeven dat het aannemelijk is dat minstens de roodheid aan de pols werd veroorzaakt door het blijven tegenstribbelen eenmaal de eiseres geboeid was; - er werd verantwoorde en proportionele dwang gebruikt, zonder dat er enige slagen werden toegebracht; - er zijn geen ernstige elementen die wijzen op een zichtbare kwetsbaarheid; - de feiten omschreven als opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door politieambtenaren met discriminatoire beweegredenen en op een bijzonder kwetsbaar persoon zijn niet bewezen; - er zijn geen elementen om aan te nemen dat de bestuurlijke aanhouding willekeurig was en dat die is gebeurd om discriminerende redenen, met name omdat ze Franstalig was en omwille van haar herkomst; de aanhouding was enkel ingegeven door het verloop, de tussenkomst en de houding van de eiseres zelf; - er kan ook geen sprake zijn geweest van misbruik van gezag aangezien de gebruikte dwang legitiem was gezien de omstandigheden; - het blijkt niet dat de politieambtenaren enige maatregelen in strijd met de wetten of koninklijke besluiten hebben beraamd; de politie kan overgaan tot een bestuurlijke aanhouding wanneer een persoon de openbare rust verstoort, hetgeen in deze het geval was, zoals blijkt uit de verschillende getuigenissen; - de behandeling was ook niet onmenselijk en vernederend; de eiseres verkeerde ook niet in een toestand van gevaar waaraan hulp diende te worden verleend; - de feiten omschreven onder de telastleggingen waarvoor de verweerders rechtstreeks werden gedagvaard zijn niet bewezen en de vordering tot betaling van een schadeloosstelling als rechtstreeks gevolg van die feiten is bijgevolg ongegrond. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest eiseres’ verweer over het vermoeden van causaliteit en verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat artikel 3 EVRM niet is geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert in zijn drie onderdelen schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten en de algemene motiveringsverplichting: het arrest miskent de bewijskracht van het attest van 14 januari 2012 dat een uiteenzetting doet van de medische toestand van de eiseres en van de stukken 7 en 8 bij de besluiten van de eiseres; het houdt geen rekening bij de beoordeling van het minimumniveau van ernst voor de werkingssfeer van artikel 3 EVRM en de proportionaliteit van het gebruikte geweld met de fragiele toestand van de eiseres (eerste onderdeel); het arrest dat oordeelt dat geen slagen werden toegebracht, miskent de bewijskracht van de stukken 2 en 3 bij de besluiten van de eiseres waarin een vaststelling van slagen en verwondingen werd gedaan; het houdt ook geen rekening met de verklaringen van de zus van de eiseres en van de getuige D.S. die meedelen dat de eiseres gezondheidsproblemen had op het ogenblik van de tussenkomst van de politie-inspecteurs (tweede onderdeel); het arrest miskent de verklaringen van de getuigen die een vooringenomenheid tonen ten aanzien van de eiseres en haar familie (derde onderdeel).
- De miskenning van de bewijskracht van een akte levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre faalt het middel in zijn drie onderdelen naar recht.
- Voor het overige komt het middel in zijn drie onderdelen onder het mom van een miskenning van de bewijskracht van akten op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de bewijswaarde van de stukken van het strafdossier of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel in zijn drie onderdelen niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,41 euro, waarvan 42,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220406.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150324.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150415.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250422.2N.14 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div