← België

F. contra V.M.W.; S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022

Art. 28bis

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 15 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Leiding en gezag van de procureur des Konings - Aanwijzingen van een misdrijf - Autonome opsporingen door de politie - Kennisgeving van de opsporingen aan de procureur des Konings - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 15 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 3 - 5 Artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het opsporingsonderzoek zich uitstrekt over de proactieve recherche, waaronder wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten; proactieve recherche vereist de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie teneinde de autonomie van de speurder onder het toezicht en de leiding van het openbaar ministerie te stellen zodra, op grond van een redelijk vermoeden van reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, relevante gegevens dienen ingezameld en verwerkt te worden, die tot het privéleven van de betrokkene behoren en die wegens hun vaagheid geen grond tot een onmiddellijk repressief optreden opleveren

(1); het staat aan de rechter om op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen of bepaalde politionele vaststellingen volstaan om het redelijke vermoeden van strafbare feiten zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering op te leveren en of naar aanleiding van die vaststellingen verrichte opsporingshandelingen een zodanige impact op het privéleven van personen hebben dat zij eveneens onder de toepassing van die bepaling vallen; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(2).
(1)Cass. 18 november 2015, AR P.15.1450.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1, AC 2015, nr. 688; Cass. 19 mei 2015 AR P.15.0023.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.5, AC 2015, nr. 324; Cass. 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, AC 2002, nr. 340, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Zie G. SCHERRENS, “BOM, een nuttig instrument in de bestrijding van de zware criminaliteit?” in Recente ontwikkelingen in het strafrecht, Larcier, 2008, 139-168; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel & Svacina, 2019, 972-988; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 415-420.
(2)Cass. 26 maart 2013, AR P.13.0133.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5, AC 2013, nr. 212, T. Strafr. 2013, 246; Cass. 2 oktober 2007, AR P.07.0685.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2, AC 2007, nr. 446; Cass. 4 juni 2002, AR P.02.0387.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5, AC 2002, nr. 340, met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 416. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Proactieve recherche - Begrip - Voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie - Doel van de toestemming - Redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde strafbare feiten - Opsporingen die invloed hebben op het privéleven van de betrokkene - Beoordeling door vonnisrechter - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 15 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Proactieve recherche - Begrip - Voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie - Doel van de toestemming - Redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde strafbare feiten - Opsporingen die invloed hebben op het privéleven van de betrokkene - Beoordeling door vonnisrechter - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 15 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privéleven - Proactieve recherche - Begrip - Voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie - Doel van de toestemming - Redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde strafbare feiten - Impact van opsporingen op het privéleven van de betrokkene - Beoordeling door vonnisrechter - Controle door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 28bis

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 5 augustus 1992 op het politieambt - 05-08-1992 - Art. 15 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1354.N I M F, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING cv, met zetel te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 189, burgerlijke partij, verweerster. II E H S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Rik Vanreusel, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 oktober 2021, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 12 februari

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28bis Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de wijkagente haar initiële summiere vaststellingen betreffende de uitbating van een cannabisplantage verder heeft willen laten toetsen aan feitelijke vaststellingen en aanwijzingen van een vermoed misdrijf in uitvoering, alsook dat zij vervolgens, overeenkomstig artikel 40 Wet Politieambt, de procureur des Konings door middel van het aanvankelijk proces-verbaal nr. HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013 in kennis heeft gesteld van een redelijk vermoeden van reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten in de zin van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering; vervolgens oordeelt het arrest dat ook de handelingen van de gerechtelijke politie vervat in de aanvankelijke processen-verbaal nr. HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en nr. 004780/2013 van 9 juli 2013, namelijk het ter plaatse gaan kijken, het nazicht doen naar de huurder van het pand, het vragen van een stroommeting, het nemen van foto's van de straatzijde van een pand en het weergeven van de resultaten daarvan, handelingen betreffen die de verbalisanten autonoom konden stellen; die handelingen werden nochtans verricht zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de procureur des Konings, terwijl zij verder bouwen op de vaststellingen en aanwijzingen vervat in het vermelde proces-verbaal van 25 juni 2013 nadat die vaststellingen en aanwijzingen reeds ter kennis van de procureur des Konings waren gebracht; aldus is het arrest niet naar recht verantwoord; minstens laat het bij gebrek aan nadere vaststellingen het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  3. Het arrest stelt niet vast dat de wijkagent het proces-verbaal nr. HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013 ter kennis van de procureur des Konings heeft gebracht voorafgaand aan de handelingen vermeld in de processen-verbaal nr. HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en nr. 004780/2013 van 9 juli
  4. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  5. De in artikel 28bis, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering vastgelegde regel dat het opsporingsonderzoek wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings belet niet dat overeenkomstig de artikelen 28bis, § 1, tweede lid, en 28ter, § 3, Wetboek van Strafvordering en artikel 15 Wet Politieambt, de politiediensten die bij het vervullen van hun opdrachten stoten op aanwijzingen van het plegen van een misdrijf, in het kader van hun algemene opdracht van gerechtelijke politie autonoom kunnen optreden teneinde dit misdrijf op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, de daders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid, op de wijze en in de vormen bepaald door de wet, op voorwaarde dat zij de procureur des Konings over de gevoerde opsporingen op de hoogte brengen binnen de termijn en op de wijze die deze bij richtlijn vaststelt.
  6. Artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het opsporingsonderzoek zich uitstrekt over de proactieve recherche, waaronder wordt verstaan, met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten. Proactieve recherche vereist de voorafgaande schriftelijke toestemming van het bevoegde openbaar ministerie teneinde de autonomie van de speurder onder het toezicht en de leiding van het openbaar ministerie te stellen zodra, op grond van een redelijk vermoeden van reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, relevante gegevens dienen ingezameld en verwerkt te worden, die tot het privéleven van de betrokkene behoren en die wegens hun vaagheid geen grond tot een onmiddellijk repressief optreden opleveren.
  7. Het staat aan de rechter om op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen of bepaalde politionele vaststellingen volstaan om het redelijke vermoeden van strafbare feiten zoals bepaald in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering op te leveren en of naar aanleiding van die vaststellingen verrichte opsporingshandelingen een zodanige impact op het privéleven van personen hebben dat zij eveneens onder de toepassing van die bepaling vallen. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  8. Het arrest (p. 33-38) stelt vast dat de opsporingshandelingen van de recherche, beschreven in de aanvankelijke processen-verbaal nr. HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en nr. 004780/2013 van 9 juli 2013, steunen op de volgende verdachte handelingen die de wijkagente ter gelegenheid van een controle adresverandering heeft vastgesteld en heeft vermeld in haar aanvankelijk proces-verbaal HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013: na aanbellen door de wijkagente werd de toegangspoort geopend en kwam een nerveus reagerende P. naar buiten, de wijkagente nam een cannabisgeur waar vanuit de koer, er stond een voertuig achteraan het perceel geparkeerd, P. is politioneel gekend voor tientallen misdrijven waaronder drugfeiten en een voertuig dat op een berm aan de voorkant van het huis was geparkeerd bleek toe te behoren aan aanvankelijk medebeklaagde E.E.
  9. Eensdeels oordeelt het arrest dat de wijkagente daarmee slechts summiere vaststellingen heeft gedaan over een eigenaardige toestand, waarbij “de indruk [was] gewekt dat mogelijks een cannabisplantage in werking in het pand kon worden aangetroffen”. Anderdeels oordeelt het daarover als volgt: “Er is in deze geen sprake van proactieve recherche overeenkomstig artikel 28bis van het Wetboek van Strafvordering. Wanneer een verbalisant vaststellingen doet die lijken te wijzen op het bestaan van een misdrijf, kan, alvorens de procureur des Konings daarvan bij proces-verbaal in kennis te stellen, autonoom informatie worden ingewonnen en vaststellingen worden gedaan om na te gaan van welk eventueel misdrijf er sprake kan zijn om alzo de procureur des Konings op doelmatige wijze voor te lichten over de ernst en de draagwijdte van de aangifte. Dergelijke handelingen behoren wegens hun beperkte opzet en draagwijdte niet tot de proactieve recherche. Op basis van de beschikbare elementen en de behandeling van de zaak voor het hof (van beroep) blijkt dat een wijkagente heeft vastgesteld dat er verdachte zaken aan de hand zijn in het voormeld pand gelet op de verdachte cannabisgeur en de zenuwachtigheid van de persoon die de poort opendeed. Zij zag tevens de aanwezigheid van een voertuig achteraan. Deze in het aanvankelijk proces-verbaal nummer HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013, in het aanvankelijk proces-verbaal nummer HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en in het navolgend proces-verbaal met nummer 004780/2013 (deel van het navolgend proces-verbaal dat in de debatten behouden blijft — zie hierboven) vermelde handelingen bestaande uit het ter plaatse gaan kijken, het nazicht doen naar de huurder van het pand, het nazicht doen naar de persoon op wiens naam een voertuig ingeschreven staat, het vragen van een stroommeting, het nemen van foto's van de straatzijde van een pand en het weergeven van de resultaten daarvan, die de verbalisanten autonoom kunnen stellen vooraleer van die melding kennis te geven aan de procureur des Konings, zijn door geen enkele nietigheid aangetast en zijn volledig conform artikel 40 Wet Politieambt, dat bepaalt dat politieambtenaren de door hen gedane vaststellingen opnemen in een proces-verbaal dat aan de bevoegde gerechtelijke overheid wordt gezonden.” Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat noch de vaststellingen van de wijkagente beschreven in het aanvankelijk proces-verbaal nr. HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013, noch de opsporingshandelingen beschreven in de aanvankelijke processen-verbaal nr. HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en nr. 004780/2013 van 9 juli 2013 vallen onder het toepassingsgebied van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering.
  10. Met de redenen op grond waarvan het arrest tot het vermelde oordeel komt, laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  11. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de gerechtelijke politie autonoom verdere informatie heeft ingewonnen en vaststellingen heeft gedaan nadat de procureur des Konings reeds met het aanvankelijk proces-verbaal nr. HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013 door de wijkagente in kennis werd gesteld van de feitelijke vaststellingen en aanwijzingen van een vermoed misdrijf in uitvoering; anderzijds stelt het arrest vast dat niet alleen de handelingen vermeld in het aanvankelijk proces-verbaal nr. HA.60.L5.002139/2013 van 25 juni 2013, maar ook de handelingen vermeld in de aanvankelijke processen-verbaal nr. HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 en nr. 004780/2013 van 9 juli 2013, handelingen zijn die de verbalisanten autonoom kunnen stellen vooraleer daarvan kennis te geven aan de procureur des Konings; die vaststellingen zijn tegenstrijdig.
  13. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is geheel afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest weert foto’s en de daarbij verstrekte toelichting in het proces-verbaal nr. 004780/2013 van 9 juli 2013 als onregelmatig bewijs uit het debat wegens de onregelmatigheid van de uitgevoerde technische observatie; het oordeelt dat er geen reden is om andere processen-verbaal of stukken uit het debat te weren en dat met het weren van de duidelijk omschreven informatie en stukken alle sporen die betrekking hebben op de onwettige observatie met hulpmiddel worden uitgewist; het beantwoordt daarbij echter niet eisers zelfstandig verweer dat de beschikking tot huiszoeking van 9 juli 2013 niet werd uitgevoerd, maar de onderzoeksrechter op 10 juli 2013 een machtiging tot observatie heeft verleend die het gevolg is van de vermelde onregelmatigheden, waaronder het op onregelmatige wijze betreden van de boomgaard en de daaropvolgende onregelmatige (technische) observatie, aangezien de machtiging tot observatie van de onderzoeksrechter uitdrukkelijk werd gesteund op de bij de onregelmatige observatie gedane vaststelling dat de ramen van de woning waren afgeplakt met zwarte vijverfolie, zodat de onregelmatigheid wel degelijk van invloed is geweest op de onderzoekshandelingen in het dossier.
  15. Het arrest (p. 33-38) oordeelt onder meer als volgt: - “Aanhorigheden van een woning genieten de bescherming van artikel 8 EVRM en de artikelen 15 en 22 van de Grondwet. Een boomgaard gelegen achteraan de hoeve en met de hoeve volledig omsloten door een afsluiting met toegangspoort houdt een dergelijke eigen aanhorigheid in. Het gegeven dat de oorspronkelijke medebeklaagde [P.] op dat ogenblik al dan niet een regelmatige inschrijving had is niet relevant”; - “Elke huiszoeking vormt een inbreuk op voormelde fundamentele rechten zodat deze enkel kan plaatsvinden in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die de wet voorschrijft. Het zonder meer betreden door de politiediensten van de boomgaard die een eigen aanhorigheid van een woning uitmaakt, is een inbreuk op het grondwettelijk gewaarborgd recht van onschendbaarheid van de woning”; - “Het proces-verbaal met nummer HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni 2013 bevat enkel inlichtingen, informatie over de woning en de twee foto's genomen vanaf de straatkant. De gegevens vermeld in dit proces-verbaal zijn niet bekomen met schending van de onschendbaarheid van de woning (met aanhorigheden) en zijn evenmin bekomen middels een observatie met technische hulpmiddelen om inzicht te verwerven in een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid nu alles wat vastgesteld werd eenvoudig vast te stellen is zonder het pand te betreden”; - “Tot wering uit de debatten wordt besloten van de hiervoor onder punt 4.5.b) geciteerde toelichting in het proces-verbaal met nummer 004780/2013 en van de bijlagen 1/3 en 1/4 nu de drie officieren van gerechtelijke politie niet over een voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter hebben beschikt om deze observatie met behulp van een technisch middel (fototoestel) uit te voeren om inzicht te verwerven in een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheden”; - “Met de vaststelling van de inspecteur van politie ter gelegenheid van een adrescontrole dat een cannabisgeur vanuit de koer haar tegemoet kwam, op het ogenblik dat de oorspronkelijke medebeklaagde [P.] de groene poort had geopend om haar te woord te staan, was de indruk gewekt dat mogelijks een cannabisplantage in werking in het pand kon worden aangetroffen. De uit de debatten geweerde informatie en twee foto's hebben voor het opstarten van een gerechtelijk onderzoek geen relevantie gehad”; - “Er is geen reden om andere processen-verbaal en/of stukken uit de debatten te weren”; - “Noch de onregelmatige observatie met gebruik van een technisch hulpmiddel om inzicht te verwerven in de woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid noch het naar aanleiding daarvan opgestelde proces-verbaal hebben invloed gehad op de uitbreiding van het gerechtelijk onderzoek op 9 juli 2013 en de aflevering van het bevel tot huiszoeking op diezelfde dag”; - “Met het weren uit de debatten van de hiervoor duidelijk omschreven informatie en stukken worden alle sporen die betrekking hebben op de onwettig uitgeoefende observatie met hulpmiddel uitgewist”; - “Anders dan [de eiser I] aanvoert, is er geen sprake van schending van zijn recht van verdediging nu de inlichtingen en de foto's bekomen door de onregelmatig uitgevoerde observatie met een technisch hulpmiddel om inzicht te verwerven in een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid worden geweerd uit de debatten”; - “Het openbaar ministerie kon terecht de onderzoeksrechter vorderen met verwijzing naar de informatie verstrekt in het aanvankelijk proces-verbaal nummer HA.60.F1.004518/2013 van 28 juni
  16. Dit proces-verbaal bouwt verder op de vaststellingen van de inspecteur van politie (zie proces-verbaal van 25 juni 2013 houdende vaststelling geur van cannabis) en brengt in het concrete geval geen relevante informatie bij wat betreft de woning en aanhorigheden. De ontdekking van de cannabisplantage is gedaan op datum van de huiszoeking in het kwestieus pand.” Uit die redenen blijkt dat de appelrechters het bedoelde verweer van de eiser I in overweging hebben genomen en oordelen dat de geweerde informatie, in het licht van de andere vermelde informatie, niet relevant is geweest voor het opstarten van het gerechtelijk onderzoek en het verlenen van het bevel tot de huiszoeking van 9 juli 2013, die wel degelijk aanleiding heeft gegeven tot de ontdekking van de cannabisplantage. Aldus beantwoorden en verwerpen zij eisers verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verwerpt eisers verweer dat de machtiging tot observatie van de onderzoeksrechter van 10 juli 2013 steunt op de onregelmatige vaststelling dat de ramen van de woning waren afgeplakt met de onjuiste stelling dat “met het weren uit de debatten van de hiervoor duidelijk omschreven informatie en stukken alle sporen die betrekking hebben op de onwettig uitgeoefende observatie met hulpmiddel [worden] uitgewist”; aldus miskent het arrest het principe dat de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs niet alleen geldt voor het onrechtmatig verkregen bewijs zelf, maar ook voor alle bewijzen die rechtstreeks of onrechtstreeks eruit voortvloeien en miskent het de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, zoals ook gewaarborgd door artikel 6 EVRM.
  18. De rechter oordeelt onaantastbaar of bewijselementen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeien uit een onregelmatig verklaard bewijselement en zij dus net als dat onregelmatig verklaard bewijs uit het debat moeten worden geweerd.
  19. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel weigert het arrest niet om bewijsmateriaal te weren dat voortkomt uit onregelmatig verkregen bewijs, maar oordeelt het onaantastbaar dat het onregelmatige bewijsgegeven dat de eiser I heeft aangevoerd, erin bestaande dat de machtiging tot observatie van de onderzoeksrechter van 10 juli 2021 mede steunt op de onregelmatige vaststelling dat de ramen van de woning waren afgeplakt, niet relevant is voor het verdere onderzoek dat het bewijs van eisers schuld heeft opgeleverd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: hoewel hiertoe uitgenodigd door het verweer van de eiser I, stellen de appelrechters niet vast dat het verlenen van de machtiging tot observatie van 10 juli 2021 niet is gesteund op het resultaat van het op onregelmatige wijze betreden van de boomgaard en de daaropvolgende onregelmatige (technische) observatie en doen zij daarover geen nadere vaststellingen. Aldus laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
  21. Op grond van de redenen die het arrest (p. 33-38) bevat, in het bijzonder deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, is het Hof in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 330,61 euro, waarvan de eiser I 165,30 euro is verschuldigd en de eiser II 165,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220906.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.15 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020604.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071002.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100317.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130326.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151118.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.