id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.5 Rolnummer: P.21.1221.N Zaak: S. contra Fluvius System Operator CV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-03-02 Raadplegingen: 784 - laatst gezien 2026-06-19 04:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn van het proces is niet het tijdstip van de feiten, maar het tijdstip waarop een vervolgde persoon door een officiële kennisgeving van een bevoegde overheid of op een andere wijze weet dat hij het voorwerp uitmaakt van een vervolging
(1)Cass. 23 juni 2020, AR P.20.0020.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2, AC 2020, nr. 436; Cass. 13 februari 2018, AR P.17.0610.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3, AC 2018, nr. 96; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347 met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, N.C. 2017, 562 noot J. MEESE; Cass. 12 januari 2016, AR P.15.0514.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2, AC 2016, nr. 22; EHRM 27 november 2007, Hamer t/België, RABG 2008, 419 noot F. VAN VOLSEM; EHRM 20 januari 2004, Kangasluoma t/Finland; EHRM 22 juni 2000, Coëme t/België, www.echr.coe.int . Zie C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 744-745; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 51-
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn van het strafproces - Beginpunt van de redelijke termijn - Tijdsverloop sinds de feiten - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1221.N W S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het exploot van betekening van het cassatieberoep moet worden neergelegd ter griffie van het Hof binnen de in artikel 429 Wetboek van Strafvordering bedoelde termijnen.
- Volgens de door de griffier aangebrachte vermelding werd het exploot van betekening van eisers cassatieberoep aan de verweerster slechts neergelegd ter griffie van het Hof op 30 november 2021, dit is buiten de in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn van twee maanden welke een einde heeft genomen op 23 november
- In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht op een eerlijk proces en zijn recht van verdediging niet zijn miskend als gevolg van het tijdsverloop van twee jaar en bijna zeven maanden tussen de feiten en het verhoor van de eiser; de onderzoeksrechter werd reeds op 1 februari 2018 in kennis gesteld van een internationale DNA-match; het duurde meer dan één jaar alvorens hiernaar verder onderzoek werd gevoerd door op 26 maart 2019 een Europees onderzoekbevel te richten tot Nederland; het onderzoek naar de persoon van de eiser is bijzonder beperkt gebleven; door de abnormale duur van de rechtspleging kunnen bewijzen, ook deze à décharge, zijn teloorgegaan; als gevolg hiervan is de normale uitoefening van het recht van verdediging onmogelijk gemaakt en moet het onredelijk karakter van de duur van de rechtspleging worden gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de vervolging.
- Het staat aan de rechter te oordelen of rekening houdend met de complexiteit van de strafvervolging, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing en vervolging belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde het recht op behandeling van een strafvervolging binnen een redelijke termijn is miskend.
- Het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is niet het tijdstip van de feiten, maar het tijdstip waarop een vervolgde persoon door een officiële kennisgeving van een bevoegde overheid of op een andere wijze weet dat hij het voorwerp uitmaakt van een vervolging.
- Het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten waarvoor vervolging is ingesteld en het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn houdt dan ook als dusdanig geen verband met de beoordeling van de redelijketermijnvereiste of met de mogelijke impact van het niet respecteren van de redelijketermijnvereiste op de bewijsverzameling en de uitoefening van het recht van verdediging.
- Dit belet evenwel niet dat, ongeacht de redelijketermijnvereiste, het stilzitten van de met opsporing en vervolging belaste overheden of het nalaten door die overheden om bepaalde onderzoeksgegevens te exploiteren een impact kan hebben op de uitoefening van het recht van verdediging van een beklaagde.
- Het staat aan de rechter te oordelen of dit stilzitten of dit nalaten, voor zover aannemelijk gemaakt, daadwerkelijk afbreuk heeft gedaan aan het recht van verdediging van een beklaagde op een wijze die niet kan worden geremedieerd, zoals het ook aan de rechter staat te oordelen of de niet-naleving van de redelijketermijnvereiste daadwerkelijk een impact heeft gehad op de bewijsverzameling en afbreuk heeft gedaan aan het recht van verdediging op een wijze die niet kan worden geremedieerd.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de wijze waarop het onderzoek werd gevoerd en eisers aanvoering betreffende de redelijketermijnvereiste als volgt: - het onderzoek is niet onvolledig omdat geen verder onderzoek werd verricht naar andere mogelijke medebetrokkenen, noch naar concrete feiten van de verkoop van cannabis; - het strafdossier bevat in zijn huidige samenstelling afdoende objectieve elementen die de appelrechters in staat stellen om zich een oordeel te vormen over de schuldvraag van de eiser; - het gegeven dat in casu geen gerechtelijk onderzoek werd gevoerd naar eisers betrokkenheid, waarbij geen confrontaties werden doorgevoerd, doet daaraan geen afbreuk; - er moet worden vastgesteld dat de eiser op geen enkel ogenblik bijkomend onderzoek heeft gevraagd, noch aan de procureur des Konings, noch aan de eerste rechter tijdens de behandeling ter rechtszitting, noch aan het hof van beroep; - de eiser kwam slechts in beeld nadat er een DNA-hit kwam met zijn DNA in verband met de 2 handschoenen die in de technische ruimte van de cannabisplantage werden aangetroffen; - de eiser werd op 19 september 2019 verhoord door de Nederlandse politiediensten, waarbij hij werd geconfronteerd met de elementen van het strafonderzoek, in het bijzonder de vaststelling dat zijn DNA werd aangetroffen op de binnenzijde van 2 handschoenen die in de technische ruimte van de cannabisplantage werden aangetroffen; - de eiser was aldus in de mogelijkheid om een verklaring te geven over deze aangetroffen DNA-sporen in de technische ruimte van de plantage; - de eiser heeft tevens kennis kunnen nemen van de inhoud van de verklaring van T.D. van 25 november 2019, en hij was in de mogelijkheid om zijn verweer desbetreffend te laten gelden, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep, waarbij de eiser zich telkens liet vertegenwoordigen door zijn raadsman; - de redelijke termijn in strafzaken neemt slechts een aanvang vanaf het moment dat de rechtsonderhorige wordt verontrust en hij derhalve kennis krijgt van het tegen hem gevoerde strafonderzoek; - dit aanvangspunt van de redelijke termijn is voor de eiser te situeren op 19 september 2019, zijnde zijn verhoor door de Nederlandse politiediensten, waarbij hij kennis kreeg van de misdrijven waarvan hij verdacht werd en van de belastende elementen die zijn betrokkenheid bij de cannabisplantage zouden kunnen aantonen; - het beroepen vonnis werd reeds 18 maanden na de start van deze redelijke termijn uitgesproken en het arrest wordt reeds 4 maanden na de inleiding van de zaak in hoger beroep uitgesproken, zijnde 21 maanden na de start van de redelijke termijn; - rekening houdend met het grensoverschrijdend karakter van het gevoerde onderzoek (uitvoering van een Europees onderzoekbevel in Nederland, verhoor van de eiser in Nederland) en met het uitgevoerde DNA-onderzoek, is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken; - de eiser heeft elk verweer kunnen voeren en heeft dit ook in detail gevoerd in zijn beroepsconclusie van 21 bladzijden. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijketermijnvereiste in deze zaak niet is miskend, alsook dat het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop het onderzoek bezwarende gegevens heeft opgeleverd lastens de eiser en het tijdstip waarop hij de gelegenheid kreeg daarover verweer te voeren, geen afbreuk heeft gedaan aan zijn recht van verdediging en zijn recht op een eerlijk proces. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250319.2F.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div