id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.6 Rolnummer: P.22.0171.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-02 Raadplegingen: 697 - laatst gezien 2026-06-17 14:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 7 Uitleveringswet bepaalt dat niet tot uitlevering wordt overgegaan wanneer sedert het ten laste gelegde feit, de vervolgingen of de veroordeling, de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht is bereikt; artikel 8.1 Uitleveringsovereenkomst bepaalt dat geen uitlevering wordt toegestaan indien, volgens de wetgeving van de verzoekende of van de aangezochte partij, verjaring van de strafvordering is ingetreden; het onderzoeksgerecht dat de tenuitvoerlegging beoordeelt van een door de Marokkaanse overheid verleend internationaal bevel tot aanhouding met het oog op strafvervolging, moet op grond van de vermelde bepalingen nagaan of op het ogenblik van de uitlevering de verjaring van de strafvordering voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet is bereikt naar Belgisch recht; het onderzoeksgerecht gaat met dat doel na of de verjaring van de strafvordering volgens het Belgisch recht niet werd geschorst of gestuit en het houdt daarbij rekening met handelingen van overheden in Marokko; een in Marokko verrichte onderzoeksdaad binnen de oorspronkelijke verjaringstermijn, zoals het verhoor van een medeverdachte, heeft een stuitend effect op de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht
(1).
(1)Cass. 1 maart 2011, AR P.11.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3, AC 2011, nr. 171 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER; Cass. 22 juni 1994, AR P.94.0719.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940622.14, AC 1994, nr.
- Het OM had geadviseerd tot partiële cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot het wanbedrijf van bendevorming (feit 3), aangezien de feiten dateren van 2015 en de appelrechters aannamen dat ‘minstens tot 2017 onderzoeksdaden met stuitende werking werden gesteld', dus niet ‘tot en met 2017', waardoor er enige onzekerheid bestaat over een stuiting in de loop van 2017 en bijgevolg het al dan niet bereiken van de verjaringstermijn van 5 jaar op moment van het bestreden arrest van 3 februari
- Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Passieve uitlevering - Verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht - Wanbedrijf - Stuiting van de verjaring - Stuitingsdaad gesteld in de verzoekende staat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 7 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Overeenkomst van 7 juli 1997 tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering - 07-07-1997 - Art. 8.1 - 59 Link Justel databank 19970707-59 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 22 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Overeenkomstig artikel 8.1 Uitleveringsovereenkomst wordt geen uitlevering toegestaan indien, volgens de wetgeving van de verzoekende partij, verjaring van de strafvordering is ingetreden; op grond van de artikelen 15 tot 18 van het Marokkaanse Strafwetboek zijn de vrijheidsbenemende criminele hoofdstraffen levenslange opsluiting of opsluiting van vijf tot dertig jaren, de vrijheidsbenemende correctionele hoofdstraffen gevangenisstraf van in de regel een maand tot vijf jaren en de vrijheidsbenemende politiehoofdstraffen detentie van minder dan een maand; op grond van artikel 5 van het Marokkaanse Wetboek van Strafvordering bedraagt de verjaring van de strafvordering vijftien jaren voor misdaden, vier jaren voor wanbedrijven en een jaar voor overtredingen, telkens vanaf de datum van het plegen van het feit; de artikelen 293 en 294, eerste lid, van het Marokkaanse Strafwetboek bestraffen met opsluiting van vijf tot tien jaar iedere persoon die deel uitmaakt van een vereniging van misdadigers; geen enkele vrijheidsbenemende hoofdstraf die dat wetboek bepaalt onder hoofdstuk 5, afdeling 1, artikelen 293 tot 299 (Vereniging van misdadigers en hulp aan misdadigers) is een politiestraf; bijgevolg kan de verjaringstermijn voor overtredingen naar Marokkaans recht daarop evenmin van toepassing zijn
(1).
(1)Het OM had geconcludeerd dat het tweede onderdeel geen antwoord behoeft, wat betreft de verjaring naar Marokkaans recht voor het wanbedrijf van feit 3 (bendevorming), omdat het niet tot een ruimere cassatie kan leiden, gelet op het probleem van verjaring naar Belgisch recht (eerste onderdeel). Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Passieve uitlevering - Verjaring van de strafvordering naar het recht van de verzoekende staat - Verjaringstermijn voor wanbedrijven naar Marokkaans recht - Drempel van de straf voor overtredingen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 7 juli 1997 tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering - 07-07-1997 - Art. 8.1 - 59 Link Justel databank 19970707-59 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 322 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 323 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Marokkaans Strafwetboek - 15-09-2011 - Art. 5 Marokkaans Strafwetboek - 15-09-2011 - Art. 18 Marokkaans Strafwetboek - 15-09-2011 - Art. 293 Marokkaans Strafwetboek - 15-09-2011 - Art. 294 Marokkaans Wetboek van Strafvordering - 10-02-1959 - Art. 5 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0171.N S K, vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 februari 2022. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.1 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (hierna Uitleveringsovereenkomst), artikel 7 Uitleveringswet 1874 en de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de feiten die het voorwerp uitmaken van het verzoek tot uitlevering, naar Belgisch recht kunnen worden gekwalificeerd als vervoer en uitvoer van verdovende middelen in het kader van een vereniging (eerste feit), het stellen van voorbereidende handelingen voor de levering van verdovende middelen in het kader van een vereniging (tweede feit) en deel te hebben uitgemaakt van een vereniging met het oog op het plegen van misdaden tegen personen of eigendommen (derde feit); minstens het derde feit betreft een wanbedrijf; het arrest oordeelt dat de feiten zouden zijn gepleegd in april 2015 en dat minstens tot 2017 onderzoeksdaden met stuitende werking werden gesteld; het preciseert echter niet op welke datum de laatste stuitingsdaad zou hebben plaatsgevonden; in zoverre het zo moet worden gelezen dat die stuitingsdaad heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2017, oordeelt het arrest minstens voor wat betreft het derde feit niet wettig dat de strafvordering niet is verjaard; in zoverre het moet worden gelezen in die zin dat de laatste stuitingsdaad plaatsvond in 2017, maar het niet preciseert op welke datum die stuitingsdaad heeft plaatsgevonden, stelt het arrest het Hof niet in staat om de wettigheid te toetsen van de beslissing dat de strafvordering op 3 februari 2022 niet is verjaard. 2. Artikel 7 Uitleveringswet bepaalt dat niet tot uitlevering wordt overgegaan wanneer sedert het ten laste gelegde feit, de vervolgingen of de veroordeling, de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht is bereikt. Artikel 8.1 Uitleveringsovereenkomst bepaalt dat geen uitlevering wordt toegestaan indien, volgens de wetgeving van de verzoekende of van de aangezochte partij, verjaring van de strafvordering is ingetreden. 3. Het onderzoeksgerecht dat de tenuitvoerlegging beoordeelt van een door de Marokkaanse overheid verleend internationaal bevel tot aanhouding met het oog op strafvervolging, moet op grond van de vermelde bepalingen nagaan of op het ogenblik van de uitlevering de verjaring van de strafvordering voor het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, niet is bereikt naar Belgisch recht. Het onderzoeksgerecht gaat met dat doel na of de verjaring van de strafvordering volgens het Belgisch recht niet werd geschorst of gestuit en het houdt daarbij rekening met handelingen van overheden in Marokko. 4. De eerste twee feiten zijn op grond van artikel 2bis, § 3,
- b)en § 6, Drugwet misdaden die overeenkomstig artikel 21, 3°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaren door verloop van tien jaren te rekenen van de dag waarop zij zijn gepleegd, dit is volgens het arrest in de loop van april 2015. Ingevolge die verjaringstermijn was naar Belgisch recht de strafvordering voor die feiten niet verjaard op 3 februari 2022. 5. Het derde feit is op grond van artikel 324, derde dan wel vierde lid, Strafwetboek een wanbedrijf dat overeenkomstig artikel 21, 4°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verjaart door verloop van vijf jaren te rekenen van de dag waarop het is gepleegd, dit is volgens het arrest in de loop van april 2015. 6. Het internationaal bevel tot aanhouding van de eiser, verleend door de procureur-generaal bij het hof van beroep te Rabat (Marokko) op 11 augustus 2021, maakt melding van de voorleiding en verklaring van medeverdachte K.A. op 22 maart 2017. Dit is een in Marokko verrichte onderzoeksdaad die de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht stuit. Ingevolge die stuitingsdaad was naar Belgisch recht de strafvordering voor die feiten niet verjaard op 3 februari 2022. 7. Hieruit volgt dat de beslissing voor alle feiten naar recht is verantwoord en dat de redenen van het arrest, samen gelezen met de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.1 Uitleveringsovereenkomst en de artikelen 3, tweede lid, en 7 Uitleveringswet 1874: het arrest oordeelt dat uit de uiteenzetting van de feiten en de uitleveringsstukken blijkt dat de feiten zouden zijn gepleegd in april 2015 en dat minstens tot 2017 onderzoeksdaden met stuitende werking werden gesteld, zodat de strafvordering niet is verjaard; het arrest stelt hierbij evenwel niet vast dat de feiten niet aldus moeten worden gekwalificeerd dat zij naar Marokkaans recht vallen onder de meest gunstige verjaringstermijn van één jaar en niet onder de verjaringstermijnen die volgens de uitleveringsdocumenten zijn bepaald op veertien en vijftien jaren voor misdaden. 9. Overeenkomstig artikel 8.1 Uitleveringsovereenkomst wordt geen uitlevering toegestaan indien, volgens de wetgeving van de verzoekende partij, verjaring van de strafvordering is ingetreden. 10. Op grond van de artikelen 15 tot 18 van het Marokkaanse Strafwetboek zijn de vrijheidsbenemende criminele hoofdstraffen levenslange opsluiting of opsluiting van vijf tot dertig jaren, de vrijheidsbenemende correctionele hoofdstraffen gevangenisstraf van in de regel een maand tot vijf jaren en de vrijheidsbenemende politiehoofdstraffen detentie van minder dan een maand. 11. Op grond van artikel 5 van het Marokkaanse Wetboek van Strafvordering bedraagt de verjaring van de strafvordering vijftien jaren voor misdaden, vier jaren voor wanbedrijven en een jaar voor overtredingen, telkens vanaf de datum van het plegen van het feit. 12. Hieruit volgt dat de Nederlandse vertaling van het Marokkaanse stuk waarin de in Marokko toepasselijke verjaringstermijnen zijn vermeld, een materiële vergissing bevat waar het na het tweede streepje de woorden “vier jaren” weergeeft als “veertien jaren” en het woord “wanbedrijven” weergeeft als “misdaden”. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 13. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet het onderzoeksgerecht niet uitdrukkelijk vermelden dat het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, naar Marokkaans recht niet te kwalificeren is als een overtreding. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest oordeelt dat de eerste twee feiten zowel in België als in Marokko worden bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur groter is dan twee jaar. Bijgevolg kan de verjaringstermijn voor overtredingen naar Marokkaans recht daarop niet van toepassing zijn. 15. Het arrest oordeelt dat de uitlevering voor het derde feit eveneens kan worden toegestaan ook al is dit feit, mocht het bewezen zijn, naar Belgisch recht niet strafbaar met een gevangenisstraf waarvan de maximumduur twee jaar overtreft. 16. De artikelen 293 en 294, eerste lid, van het Marokkaanse Strafwetboek bestraffen met opsluiting van vijf tot tien jaar iedere persoon die deel uitmaakt van een vereniging van misdadigers. Geen enkele vrijheidsbenemende hoofdstraf die dat wetboek bepaalt onder hoofdstuk 5, afdeling 1, artikelen 293 tot 299 (Vereniging van misdadigers en hulp aan misdadigers) is een politiestraf. Bijgevolg kan de verjaringstermijn voor overtredingen naar Marokkaans recht daarop evenmin van toepassing zijn. 17. Hieruit volgt dat de beslissing voor alle feiten naar recht is verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel 18. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6 EVRM en artikel 2bis Uitleveringswet 1874, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat de door de eiser aangevoerde schending van artikel 3 EVRM geen reden is om het verzoek tot uitlevering te weigeren; de eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat de bewijsvergaring in het Marokkaanse onderzoek en het erop gesteunde uitleveringsverzoek werden verkregen door middel van foltering en intimidatie van een medeverdachte; de appelrechters onderzoeken weliswaar of er een ernstig risico bestaat dat de eiser zelf wordt onderworpen aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling, maar zij vergewissen zich niet ervan of er een reëel risico bestaat dat bij de berechting van de eiser gebruik zou worden gemaakt van door foltering van derden verkregen verklaringen en of er bijgevolg op die grond een ernstig risico op een flagrante rechtsweigering bestaat; de appelrechters stellen evenmin vast dat de verklaring op grond waarvan de vermeende betrokkenheid van de eiser bij de feiten zou blijken, niet verkregen werd in strijd met artikel 3 EVRM; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord; minstens stellen de redenen van het arrest het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen over de uitvoerbaarheidsbeslissing van een verzoek tot uitlevering. 19. Het arrest (p. 6-8) oordeelt onder meer: “De enkele eenzijdige verklaring van een medeverdachte [Y.E.] die, wanneer hij terugkomt op eerdere bekentenissen, stelt dat hij “zwaar gefolterd en geslagen” werd, maakt evenwel niet aannemelijk dat [de eiser] werkelijk moet vrezen een dergelijke behandeling te ondergaan. Dit geldt des te meer nu [Y.E.] op 25 november 2015 door de onderzoeksmagistraat werd gehoord zonder dat hij nog van deze beweerde mishandelingen heeft melding gemaakt. De eenzijdige beweringen worden verder niet ondersteund door enig objectiveerbaar element als een medisch attest of geloofwaardige verklaringen van derden met betrekking tot opgelopen verwondingen” en “De documenten die [de eiser] ter staving van zijn beweringen heeft overgelegd, tonen niet aan dat in Marokko regelmatig folteringen worden uitgevoerd tegen personen die worden vervolgd wegens gemeenrechtelijke misdrijven, zoals deze die aan de grondslag liggen van het verzoek tot uitlevering”. 20. Met die redenen oordelen de appelrechters dat het ongeloofwaardig is dat belastende verklaringen van derden, in het bijzonder verklaringen van Y.E., in deze zaak zouden zijn verkregen ingevolge foltering. Aldus onderzoekt het arrest in antwoord op eisers verweer of de eiser in Marokko zal worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering ingevolge het gebruik van onder foltering verkregen belastende verklaring van derden, laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.6 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940622.14 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div