id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 190
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Verhoor van getuigen à décharge - Noodzaak tot verhoor in het belang van de waarheidsvinding - Beoordeling - Criteria - Concrete omstandigheden van de zaak Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek
Art. 190
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 1175 en 1183, 11° Gerechtelijk Wetboek volgt dat de eed bij de boedelbeschrijving wettig wordt afgelegd wanneer de geïnventariseerde goederen en gegevens en de afgelegde verklaringen van de bij de boedelbeschrijving betrokken partijen op een definitieve wijze werden vastgelegd in het door de notaris opgestelde proces-verbaal, ook al is dit niet het eindproces-verbaal van de boedelbeschrijving; de loutere omstandigheid dat de bij de boedelbeschrijving betrokken partijen, of sommigen onder hen, een voorbehoud hebben geformuleerd of de notaris hebben verzocht om verdere informatie op te vragen bij de bank, belet de notaris niet de boedelbeschrijving definitief af te sluiten
(1).
(1)Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0548.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.14, AC 2003, nr. 497, RW 2003-04, 1265 noot M. TRAEST. Zie S. VAN OVERBEKE, “Meineed bij verzegeling of boedelbeschrijving”, Comm. Sr. 2018, 8-16 en 35-37. Thesaurus CAS: MEINEED Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Proces-verbaal van boedelbeschrijving opgesteld door de notaris - Vraag tot bijkomende inlichtingen bij de bank - Voorbehoud van een partij - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1175 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Proces-verbaal van boedelbeschrijving - Vraag tot bijkomende inlichtingen bij de bank - Voorbehoud van een partij - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1175 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 5 - 6 Het misdrijf van het afleggen van een valse eed bij een boedelbeschrijving, zoals bedoeld in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek vereist het bestaan van een boedelbeschrijving met als doel de vaststelling van de inhoud van een nalatenschap, een gemeenschap of een onverdeeldheid; het is voor de strafbaarheid van de valse eed echter niet vereist dat alle bij artikel 1183 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvereisten zijn vervuld, aangezien deze niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. Thesaurus CAS: MEINEED Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Bestaan van een boedelbeschrijving - Doel en vermeldingen van de boedelbeschrijving Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Bestaan van een boedelbeschrijving - Doel en vermeldingen van de boedelbeschrijving Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 7 - 8 Wanneer de boedelbeschrijving de omvang van het gemeenschappelijk vermogen beoogt vast te stellen met het oog op de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel, zijn de partijen gehouden alle goederen aan te geven die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen; aangezien de boedelbeschrijving van het gemeenschappelijk vermogen van een huwelijksvermogenstelsel ertoe strekt uit te maken wat respectievelijk tot het gemeenschappelijk en tot het eigen vermogen behoort, zijn de echtgenoten verplicht alles aan te geven wat van deze vermogens deel uitmaakt, zodat de niet-aangifte van een deel ervan een strafbare valsheid kan opleveren
(1).
(1)Zie alg. S. VAN OVERBEKE, “Meineed bij verzegeling of boedelbeschrijving”, Comm. Sr. 2018, 63p. Thesaurus CAS: MEINEED Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Boedelbeschrijving van het gemeenschappelijk vermogen van het huwelijk - Aangifteplicht van de echtgenoten Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - GERECHTELIJKE SCHEIDING VAN GOEDEREN Vrije woorden: Boedelbeschrijving van het gemeenschappelijk vermogen van het huwelijk - Aangifteplicht van de echtgenoten - Valse eed bij boedelbeschrijving Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 9 - 10 De loutere omstandigheid dat de notaris heeft nagelaten de partijen te waarschuwen zoals voorgeschreven door artikel 1183, 10°, Gerechtelijk Wetboek en hiervan in het proces-verbaal van boedelbeschrijving melding te maken, staat een schuldigverklaring aan meineed bij een boedelbeschrijving niet in de weg
(1).
(1)Cass. 6 september 2006, AR P.06.0501.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060906.13, AC 2016, nr. 393, T. Strafr. 2007, 103; Cass. 7 april 1992, AC 1991-92, nr. 424, RW 1992-93,
- Zie S. VAN OVERBEKE, “Meineed bij verzegeling of boedelbeschrijving”, Comm. Sr. 2018, 12, 15, 38-
- Thesaurus CAS: MEINEED Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Afsluiten van de boedelbeschrijving - Waarschuwing van de partijen door de notaris - Verzuim van de waarschuwing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183, 10° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: NOTARIS Vrije woorden: Valse eed bij boedelbeschrijving - Afsluiten van de boedelbeschrijving - Waarschuwing van de partijen door de notaris - Verzuim van de waarschuwing - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 226- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
1183, 10° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0658.N E J P C, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, beiden advocaat bij de balie Antwerpen, tegen M T, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.c en 6.3.d EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: door te weigeren notaris W.N. als getuige à charge of à décharge te horen op de rechtszitting, is het arrest niet naar recht verantwoord; de appelrechters stellen niet wettig vast dat er ernstige redenen zijn om notaris W.N. niet te horen op de rechtszitting, hetzij als getuige à charge, hetzij als getuige à décharge; het oordeel dat een eventuele verklaring van notaris W.N. zeker niet van doorslaggevend belang kan zijn bij het beoordelen van eisers schuld aan het afleggen van een valse eed bij de door notaris W.N. opgestelde boedelbeschrijving, is evenmin naar recht verantwoord; het horen van notaris W.N. was voor de eiser de enige mogelijkheid om de bewijswaarde van het proces-verbaal van notaris W.N. te betwisten, zodat het niet-horen van notaris W.N. op de rechtszitting neerkomt op een pertinente ongelijkheid van wapens tussen de eiser eensdeels en de verweerster en het openbaar ministerie anderdeels.
- Het middel verduidelijkt niet waarom het arrest artikel 6.3.c EVRM zou schenden. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat notaris W.N. tijdens het vooronderzoek als getuige werd gehoord noch dat hij verklaringen heeft afgelegd. In zoverre het middel ervan uitgaat dat notaris W.N. belastende verklaringen heeft afgelegd, mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel aanvoert dat notaris W.N. op de rechtszitting mogelijks belastende verklaringen zou kunnen afleggen, is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
- Die bepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht. De rechter is evenwel niet ertoe gehouden bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen à décharge op de rechtszitting de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaalde criteria betreffende het horen van getuigen à charge te betrekken.
- De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring, rekening houdend met het tijdsverloop sinds de feiten, alsook op het belang of de relevantie die een verklaring van die getuige kan hebben in het licht van het ten laste gelegde misdrijf.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7-11) oordeelt onder meer als volgt over eisers verzoek tot het horen van notaris W.N. als getuige op de rechtszitting: - eisers recht van verdediging wordt, rekening houdend met de totaliteit van de gevoerde strafvervolging, niet miskend door het loutere feit dat notaris W.N. en zijn (niet nader genoemde) notariële medewerkster niet zouden worden gehoord als getuige op de rechtszitting; - de eiser slaagt er niet in geloofwaardig te maken dat het horen van de notaris of zijn (niet nader genoemde) notariële medewerkster enige bijdrage kan leveren in het licht van de reeds aan tegenspraak onderworpen bewijselementen; - de essentie van de in hoger beroep nog voorliggende strafvordering heeft betrekking op de vraag of er op het einde van de vergadering bij notaris W.N. op 31 maart 2015 door de eiser en de verweerster werd overgegaan tot het afleggen van de eed in handen van de notaris, zoals vermeld op bladzijde 16 van het “proces-verbaal tot afsluiting van de opening der werkzaamheden” van 31 maart 2015; - het proces-verbaal waarin de beweerde boedelbeschrijving werd vastgesteld, betreft een notariële akte, die derhalve volle bewijskracht heeft als authentieke akte; - de authentieke vermeldingen, zoals de datum van de akte, de verschijning van de partijen en de verklaringen die ze hebben afgelegd (waaronder de eed), genieten bijzondere bewijswaarde: ze gelden als volledig bewijs zolang ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van de procedure tot betichting van valsheid. Dit betekent dat de verklaringen die de notaris aldus zelf heeft vastgesteld en de verklaringen waarvan hij akte heeft verleend, authentieke bewijswaarde hebben; - het hof van beroep stelt vast dat de eiser enerzijds volhoudt dat er op 31 maart 2015 geen eed werd afgelegd door hemzelf en door de verweerster in handen van de notaris, doch dat hij anderzijds de notariële akte van 31 maart 2015 nooit heeft beticht van valsheid door het neerleggen van een strafklacht tegen de notaris; - er zijn ernstige redenen om de notaris thans niet meer te horen als getuige ter rechtszitting, waarbij het hof van beroep wijst op het tijdsverloop sedert de vergadering van 31 maart 2015 waarop het “proces-verbaal tot afsluiting van de opening der werkzaamheden” werd opgesteld en ondertekend, namelijk ruim zes jaar. Dat dit tijdsverloop van aard is om het geheugen aan te tasten, is nogal duidelijk, rekening houdend met de vaststelling dat notaris W.N. dagelijks meerdere aktes verlijdt en hij sedert de bewuste notariële akte van 31 maart 2015 duizenden andere aktes heeft verleden. In deze omstandigheden is een verhoor van notaris W.N. – 6 jaar na de bewuste vergadering van 31 maart 2015 – niet meer aangewezen; - de eventuele verklaring van notaris W.N. kan zeker niet van doorslaggevende waarde zijn bij het beoordelen van de schuld van de eiser, gelet op de bijzondere bewijswaarde die kleeft aan de notariële akte van 31 maart 2015, zeker met betrekking tot de authentieke vermeldingen die de notaris aldus zelf heeft vastgesteld en vermeld heeft in zijn akte, in het bijzonder met betrekking tot het afleggen van de eed door partijen; - het staat bovendien vast dat de eiser in rechte kennis heeft kunnen nemen van en vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over de stukken en andere gegevens die aan het oordeel van het hof van beroep werden voorgelegd; - de eiser heeft zowel voor de eerste rechter als in hoger beroep zijn standpunt kenbaar kunnen maken met betrekking tot de inhoud van het “proces-verbaal tot afsluiting van de opening der werkzaamheden” van 31 maart 2015 en de daaraan vasthangende rechtsgevolgen, alsmede met betrekking tot de andere elementen uit het voorliggend strafdossier; - als besluit dringt zich op dat het horen van notaris W.N. ter rechtszitting als getuige, dan wel door de politie, evenals het horen van de niet bij naam genoemde notariële medewerkster van notaris W.N., ruim zes jaar na de vergadering van 31 maart 2015 waarover de notaris of zijn notariële medewerkster gehoord zou worden, in deze niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding; - de gevoerde strafvervolging in zijn geheel beschouwd is eerlijk verlopen, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met het recht van verdediging van de eiser, maar ook met de belangen van de samenleving en de belangen van de verweerster; - uit niets blijkt dat het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces van de eiser werd miskend. Evenmin is er sprake van een “pertinente ongelijkheid van wapens” tussen enerzijds het openbaar ministerie en de verweerster en anderzijds de eiser.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen, zonder miskenning van het beginsel van de wapengelijkheid of van eisers recht op een eerlijk proces, dat het verzoek tot het horen van notaris W.N. als getuige à décharge moet worden verworpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 14 Grondwet, artikel 226, tweede lid, Strafwetboek en artikelen 1175 en 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel “Nullum crimen sine lege, nulla poena sine lege” (geen misdrijf zonder wet, geen straf zonder wet): het oordeel dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van een valse eed bij een boedelbeschrijving is niet naar recht verantwoord; de eed kon niet wettig worden opgelegd in het proces-verbaal tot afsluiting van de opening der werkzaamheden van 31 maart 2015, aangezien de boedelbeschrijving toen nog niet definitief was afgesloten; de eiser had immers om een voorbehoud verzocht, terwijl het bankonderzoek nog niet was afgerond; er is geen wettelijke grondslag voor de bestraffing van een valse eed bij een boedelbeschrijving die nog niet volledig is afgesloten.
- Artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving tot doel heeft de omvang van de nalatenschap, van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen. Zij bevat met name de beschrijving en de schatting van de roerende goederen, de ontleding van de titels en papieren, en de opgave van de verklaringen door de belanghebbenden gedaan ten laste of ten bate van de boedel.
- Volgens artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek dient de notariële boedelbeschrijving de eed te bevatten van degenen die in het bezit zijn geweest van de voorwerpen of die de plaatsen bewoond hebben, dat zij niets hebben verduisterd en dat zij van zodanige verduistering geen kennis dragen. Het afleggen van een valse eed bij een dergelijke boedelbeschrijving wordt strafbaar gesteld door artikel 226, tweede lid, Strafwetboek.
- Uit die bepalingen volgt dat de eed bij de boedelbeschrijving wettig wordt afgelegd wanneer de geïnventariseerde goederen en gegevens en de afgelegde verklaringen van de bij de boedelbeschrijving betrokken partijen op een definitieve wijze werden vastgelegd in het door de notaris opgestelde proces-verbaal, ook al is dit niet het eindproces-verbaal van de boedelbeschrijving. De loutere omstandigheid dat de bij de boedelbeschrijving betrokken partijen, of sommigen onder hen, een voorbehoud hebben geformuleerd of de notaris hebben verzocht om verdere informatie op te vragen bij de bank, belet de notaris niet de boedelbeschrijving definitief af te sluiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 17-18) oordeelt over de wettigheid van de eedaflegging onder meer als volgt: - het vereiste van een wettige eedaflegging impliceert dat een eed die werd afgelegd na afloop van een slechts voorlopig afgesloten proces-verbaal van boedelbeschrijving – waarbij een volgende vacatie in het vooruitzicht wordt gesteld en waarbij blijkt dat degene die reeds bij deze eerste vacatie de eed aflegde, naar aanleiding van de in het vooruitzicht gestelde tweede vacatie nog andere goederen zou of zou kunnen aangeven – als zodanig niet kan leiden tot een strafbare meineed; - in casu was er in het kader van de boedelbeschrijving evenwel geen volgende vacatie in het vooruitzicht gesteld en bestond er geen mogelijkheid meer voor de partijen om nog andere goederen of gelden aan te geven, hetgeen duidelijk blijkt uit de vermeldingen op bladzijde 15 van de notariële akte van 31 maart 2015, net vóór de bepaling inzake de eedaflegging: “Partijen bevestigen dat er verder geen goederen meer dienen opgesomd te worden en dat er verder geen verklaringen meer af te leggen zijn, zodat dit proces-verbaal alhier volledig wordt afgesloten, nadat elk der comparanten deze voor waar en oprecht heeft verklaard”; - na deze bepaling volgt de eedformule in de volgende bewoordingen: “De comparanten hebben daarop, ieder voor zich, in handen van ons notaris de eed afgelegd, dat zij alles hebben opgegeven van wat naar ieders weten mocht afhangen van de huwgemeenschap die tussen hen heeft bestaan, en dat zij niets hebben ontvreemd of verduisterd en van enige verduistering geen kennis hebben”; - vervolgens wordt het proces-verbaal afgesloten met de vermelding dat er niets meer in het proces-verbaal dient opgenomen te worden en er geen verklaringen meer af te leggen zijn, nadat elk der comparanten deze voor waar en oprecht heeft verklaard. Notaris W.N. bevestigt dat hij zal overgaan tot het opmaken van de staat van vereffening en verdeling; - het feit dat de nota van de raadsman van de eiser, die letterlijk werd overgenomen in het proces-verbaal van 31 maart 2015, wordt afgesloten met het gebruikelijke “voorbehoud van wijzigingen-aanvullingen en/of verbeteringen, en alleszins onder voorbehoud van de aanvullende en bijkomende stukken die door de notaris nog werden opgevraagd”, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 31 maart 2015 op dat ogenblik door de notaris kon worden afgesloten met de eedaflegging. Het formuleren van zulk voorbehoud zou er immers kunnen toe leiden dat een partij de afsluiting van de boedelbeschrijving oneindig zou kunnen uitstellen en het afleggen van de eed zou kunnen verhinderen; - het feit dat aan de notaris werd verzocht om nog verder bankonderzoek te verrichten en verdere informatie (naar onder meer rekeningstanden) op te vragen bij de banken, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststelling; - na de afsluiting en ondertekening van het proces-verbaal van boedelbeschrijving van 31 maart 2015 en na de eedaflegging, konden partijen immers geen goederen meer opsommen en geen verklaringen meer afleggen, zoals uitdrukkelijk werd gestipuleerd op bladzijde 16 van het bewuste proces-verbaal.
- Op grond van die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat de eed bij de boedelbeschrijving wettig werd afgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 226, tweede lid, Strafwetboek en artikel 1183, 4°, 5°, 7°, 8° en 10°, Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat er sprake is van een boedelbeschrijving in de zin van artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek is niet naar recht verantwoord; er is geen sprake van een boedelbeschrijving wanneer minstens de helft van de vormvoorwaarden niet werd nageleefd, ook al zijn deze niet op straffe van nietigheid voorgeschreven; de notaris liet na de betwiste schatting van enkele goederen op te nemen in het proces-verbaal; er kon geen sprake zijn van verduistering van financiële goederen in zoverre het gaat om met eigen gelden verrichte investeringen die dateren van na het inleiden van de echtscheidingseis; de boedelbeschrijving bevat geen korte beschrijving van de boekhouding, noch een ontleding van de titels, papieren en stukken betreffende de baten en lasten van het vermogen of van de onverdeelde massa, waarbij de beschreven stukken, titels en papieren ook niet werden genummerd en geparafeerd door de notaris, die de geschriften in de boeken bovendien moet afsluiten; het proces-verbaal vermeldt ook niet de verklaringen van de partijen, de hen gestelde vragen en de hierop gegeven antwoorden, maar bevat louter een weergave van de nota’s van de partijen; de notaris heeft ook verzaakt aan zijn waarschuwingsplicht door hen niet te waarschuwen dat de wet straffen uitvaardigt tegen hen die zich schuldig maken aan het wegmaken of helen van voorwerpen of aan meineed en door die waarschuwing ook niet op te nemen in het proces-verbaal; de notaris verzuimde om op een actieve wijze informatie op te vragen en liet ook na een duidelijke eed op te stellen; aangezien de eiser aldus niet op de hoogte werd gebracht van de op hem rustende verplichtingen, kon hij ook niet wetens en willens het misdrijf van meineed plegen.
- Het misdrijf van het afleggen van een valse eed bij een boedelbeschrijving, zoals bedoeld in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek vereist het bestaan van een boedelbeschrijving met als doel de vaststelling van de inhoud van een nalatenschap, een gemeenschap of een onverdeeldheid. Het is voor de strafbaarheid van de valse eed echter niet vereist dat alle bij artikel 1183 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvereisten zijn vervuld, aangezien deze niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.
- Wanneer de boedelbeschrijving de omvang van het gemeenschappelijk vermogen beoogt vast te stellen met het oog op de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel, zijn de partijen gehouden alle goederen aan te geven die een invloed kunnen hebben op de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen. Aangezien de boedelbeschrijving van het gemeenschappelijk vermogen van een huwelijksvermogenstelsel ertoe strekt uit te maken wat respectievelijk tot het gemeenschappelijk en tot het eigen vermogen behoort, zijn de echtgenoten verplicht alles aan te geven wat van deze vermogens deel uitmaakt, zodat de niet-aangifte van een deel ervan een strafbare valsheid kan opleveren.
- De loutere omstandigheid dat de notaris heeft nagelaten de partijen te waarschuwen zoals voorgeschreven door artikel 1183, 10°, Gerechtelijk Wetboek en hiervan in het proces-verbaal van boedelbeschrijving melding te maken, staat een schuldigverklaring aan meineed bij een boedelbeschrijving niet in de weg.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- De appelrechters oordelen dat het “proces-verbaal tot afsluiting van de opening der werkzaamheden” van 31 maart 2015 wel degelijk moet worden beschouwd als een boedelbeschrijving zoals bedoeld in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek. Het arrest (p. 12-14) oordeelt hierover onder meer als volgt: - de boedelbeschrijving mag niet verengd worden tot de daadwerkelijke inventaris, die een beschrijving en schatting van alle roerende goederen, de ontleding van de titels en papieren en de verklaringen van de betrokken partijen bevat: zelfs indien de notaris zich naar aanleiding van de voorgenomen boedelbeschrijving zou beperken tot de vaststelling dat de partijen hem verklaren dat alle goederen hen persoonlijk of derden toebehoren en derhalve niet moet worden geïnventariseerd, kan hij hen uitnodigen tot het afleggen van de eed, ter bevestiging van hun afgelegde “verklaringen”; - wanneer de desbetreffende verklaringen en dienvolgens ook de eed vals blijken te zijn, zal er in dergelijk geval ongetwijfeld sprake zijn van een strafbare meineed en kan de meinedige zich niet verschuilen achter het argument dat er eigenlijk geen boedelbeschrijving werd opgesteld; - van zodra de door de notaris opgestelde akte kan worden gesitueerd binnen de wettelijke regels van de artikelen 1175-1184 Gerechtelijk Wetboek, hetgeen in casu het geval is, zal in regel niet kunnen worden betwist dat er wel degelijk een boedelbeschrijving aan de orde is, zodat de daarbij afgelegde eed strafbaar is. Of hierbij alle wettelijk voorgeschreven regels werden gevolgd, is in dit kader niet noodzakelijk relevant; - alleszins dient vastgesteld te worden dat in de laatste vacatie voorafgaand aan het proces-verbaal van 31 maart 2015, zijnde de vacatie bij notaris W.N. op 7 oktober 2014, de eiser en de verweerster zijn overeengekomen dat alle mogelijke inlichtingen en stukken in elkeens bezit, alsmede de wederzijdse vorderingen en replieken, uiterlijk zouden gesteld zijn op 31 januari 2015; - het is niet vereist dat alle door artikel 1183 Gerechtelijk Wetboek bepaalde vormvereisten vervuld zijn, aangezien deze vormvereisten niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven; - dit betekent dat zelfs indien er meerdere inhoudelijke en zelfs formele gebreken zouden kleven aan de boedelbeschrijving, dit niet impliceert dat er geen sprake zou zijn van een boedelbeschrijving met eedaflegging in de zin van de wet.
- Op grond van die redenen en de in het antwoord op het tweede middel aangehaalde redenen oordeelt het arrest naar recht dat de door de eiser afgelegde eed werd afgelegd bij een boedelbeschrijving zoals bedoeld in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 143,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 1 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220622.2F.10 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060906.13 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.21 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div