← België

A.S. INTERNATIONAL bv contra BANK OF INDIA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220303.1N.4 Rolnummer: C.21.0340.N Zaak: A.S. INTERNATIONAL bv contra BANK OF INDIA Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-03-07 Raadplegingen: 701 - laatst gezien 2026-06-16 17:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche De nietigheid van het endossement sluit niet uit dat een gemeenrechtelijke overdracht of verpanding van een schuldvordering is tot stand gekomen. Thesaurus CAS: PAND Vrije woorden: Inpandgeving van een handelszaak - Factuur tot zekerheid van een schuldvordering - Nietigheid van het endossement - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1690, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet 11 juli 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffingvan diverse bepalingen ter zake - 11-07-2013 - Art. 60 - 19 ELI link Pub nr 2013009377 Wet 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen - 25-10-1919 - Artt. 14 en 16 - 31 ELI link Pub nr 1919102550 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0340.N A.S. INTERNATIONAL bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Pelikaanstraat 62, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0461.878.465, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. BANK OF INDIA, vennootschap naar Indiaas recht, met zetel te Mumbai 400 051 (India), Star House, C-5, “G” Block, Bandra Kurla Complex (East), verweerster, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de verweerster woonplaats kiest, 2. Mr. Alain VAN DEN CLOOT, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Tabakvest 47, 3. Mr. Nathalie VERMEERSCH, advocaat, met kantoor te 2000 Antwerpen, Plantinkaai 10, bus 21, 4. Mr. Guy VANHOUCKE, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Anselmostraat 2, 5. Mr. Kjell SWARTELE, advocaat, met kantoor te 2018 Antwepen, Anselmostraat 2, tweede tot en met vijfde verweerders in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van EUROSTAR DIAMOND TRADERS nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniersstraat 53 bus 79, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0443.117.279, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de tweede tot en met vijfde verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 maart 2021. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel 1. Krachtens artikel 1690, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek kan een overdracht van schuldvordering worden ingeroepen tegen andere derden dan de gecedeerde schuldenaar door het sluiten van de overeenkomst van overdracht. De overdracht kan slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. 2. Krachtens artikel 60 Pandwet verkrijgt de pandhouder het bezit van een in pand gegeven schuldvordering door het sluiten van de pandovereenkomst op voorwaarde dat hij bevoegd is tot kennisgeving van het pandrecht aan de schuldenaar van de verpande schuldvordering. De verpanding kan slechts aan de schuldenaar van de in pand gegeven schuldvordering worden tegengeworpen nadat zij hem ter kennis werd gebracht of door hem is erkend. 3. Krachtens artikel 14 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, moet het endossement van de factuur op straffe van nietigheid:

  1. a)de naam van de geëndosseerde vermelden;
  2. b)door de endossant gedagtekend en getekend worden en
  3. c)indien het een inpandgeving geldt, het uitdrukkelijk vermelden. De nietigheid van het endossement sluit evenwel niet uit dat een gemeenrechtelijke overdracht of verpanding van een schuldvordering is tot stand gekomen. 4. Krachtens artikel 16 van deze wet wordt het endossement van de factuur aan de schuldenaar ter kennis gebracht door een schriftelijke kennisgeving van endossement. Deze kennisgeving vermeldt dat de schuldenaar vanaf de ontvangst ervan zijn schuld alleen in handen van de geëndosseerde deugdelijk kan kwijten. De overdracht en de inpandgeving van de schuldvordering kunnen tegen derden worden ingeroepen door het loutere feit van het endossement van de factuur. 5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat: - EDT nv een factuur gedateerd op 30 juni 2017 (nr. 9001701256) zond naar de eiseres voor een bedrag van 1.496.582,00 USD met vervaldag op 28 september 2017; - de eerste verweerster (hierna: de bank) de kredietverlener was van EDT nv blijkens kredietbrief van 13 maart 2013, laatst aangepast op 7 maart 2017 en tot zekerheid van dit krediet werd voorzien in de verpanding van de handelszaak en de verpanding van facturen; - de factuur van 30 juni 2017 (nr. 9001701256) in het raam van deze kredietovereenkomst werd verpand; - de factuur uitdrukkelijk melding maakt dat zij werd verpand aan de bank en rechtsreeks diende betaald te worden aan de bank; - de factuur door de eiseres voor akkoord (“read & approuved”) werd ondertekend. 6. De appelrechter die ervan uitgaat dat de factuur werd verzonden op de datum van de uitgifte en vaststelt dat de factuur “uitdrukkelijk ter kennis [werd] gebracht aan [de eiseres] die eveneens voor kennisgeving en goedkeuring heeft ondertekend” en die oordeelt dat de omstandigheid “dat de voorschriften van artikel 14 van de wet van 25 oktober 1919 niet volledig werden nageleefd relevantie mist, nu de invordering in hoofdorde gebaseerd is op de inpandgeving zoals die is tot stand gebracht in de kredietovereenkomst en blijkt uit de bewoordingen van de factuur”, laat het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 451,52 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheer Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220303.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.