id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.1 Rolnummer: P.22.0295.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 731 - laatst gezien 2026-06-19 00:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Een weigering tot overlevering op grond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is enkel verantwoord wanneer ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende lidstaat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht
(1); de rechter oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
(1)Zie Cass. 25 augustus 2021, AR P.21.1119.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7; Cass. 23 januari 2013, AR P.13.0087.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Afbreuk aan de fundamentele rechten zoals bevestigd door artikel 6 EVRM - Aanvoeringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5° - Afbreuk aan de fundamentele rechten zoals bevestigd door artikel 6 EVRM - Aanvoeringsplicht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Tenuitvoerlegging - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5° - Afbreuk aan de fundamentele rechten zoals bevestigd door artikel 6 EVRM - Aanvoeringsplicht - Onaantastbare beoordeling door de rechter - Toezicht door het Hof - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0295.N R. R. G., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest oordeelt dat de eiser niet concreet aannemelijk maakt dat hij persoonlijk een reëel, actueel en redelijk risico loopt om in Polen te zullen worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke en onterende behandeling in een gevangenis; uit de wetsgeschiedenis van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt echter dat de eiser niet noodzakelijk zelf meteen gevaar dient te lopen en dat het volstaat dat hij de miskenning van zijn fundamentele rechten met enige graad van waarschijnlijkheid aantoont via onafhankelijke en voor iedereen gemakkelijk toegankelijke bronnen.
- Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- Hieruit volgt dat een weigering tot overlevering op grond van deze laatste bepaling enkel is verantwoord wanneer ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende lidstaat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het arrest oordeelt dat de eiser niet concreet aannemelijk maakt dat hij persoonlijk een reëel, actueel en redelijk risico loopt om in Polen te zullen worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke en onterende behandeling in een gevangenis en dat eisers verwijzing naar bepaalde overwegingen in het verslag van het Comité inzake de voorkoming van foltering van 25 juli 2018, naar aanleiding van een periodiek bezoek in mei 2017 aan bepaalde Poolse gevangenissen, daartoe niet volstaat omdat de eiser op geen enkele wijze enigszins aannemelijk maakt dat hij, in geval van overlevering aan Polen, in dezelfde als in het rapport beschreven concrete feitelijke omstandigheden zal belanden.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel hier niet toe te passen. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.28 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div