id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.12 Rolnummer: P.22.0258.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 683 - laatst gezien 2026-06-18 21:11 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, de verdachte inzage krijgt van stukken uit een ander gerechtelijk onderzoek, louter op grond van zijn aanvoering dat uit die stukken gegevens à décharge of nietigheden kunnen blijken
(1).
(1)Zie Cass. 11 januari 2022, AR P.22.0019.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Eerste verschijning - Inzage van het dossier - Stukken uit een ander gerechtelijk onderzoek - Gevolg Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER Vrije woorden: Handhaving van de voorlopige hechtenis - Eerste verschijning - Stukken uit een ander gerechtelijk onderzoek - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Eerste verschijning - Inzage van het dossier - Stukken uit een ander gerechtelijk onderzoek - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.22.0258.N G. F., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 7 van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen beginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verwerpt eisers verzoek om inzage te krijgen van gegevens van een ander gerechtelijk onderzoek omdat er in de huidige stand van de strafrechtspleging geen redenen zijn om te twijfelen aan de regelmatigheid van die gegevens, de eiser de onregelmatigheid van die gegevens niet aannemelijk maakt maar enkel wil nagaan of er sprake is van een onregelmatigheid, eisers recht van verdediging of recht op een eerlijk proces in de huidige stand van de rechtspleging niet onherroepelijk is miskend doordat hij geen inzage krijgt van die gegevens en het geheime karakter van het onderzoek in het andere strafdossier thans kan worden ingeroepen om nog niet alle voorhanden zijnde informatie aan de eiser kenbaar te maken; zodoende wordt aan de eiser de toegang ontzegd tot de gegevens van het andere gerechtelijk onderzoek waaruit alle ernstige aanwijzingen van schuld voortvloeien waarop zijn hechtenis is gebaseerd, met inbegrip van de mogelijke ontlastende elementen die uit dat onderzoek blijken, en kan de eiser de mogelijke nietigheid van de bewijsverkrijging niet onderzoeken noch kan de kamer van inbeschuldigingstelling prima facie de regelmatigheid van de bewijsverkrijging controleren; aldus wordt eisers recht van verdediging onmogelijk gemaakt en is zijn vrijheidsberoving onwettig.
- Het arrest oordeelt niet dat de ernstige aanwijzingen van schuld lastens de eiser voortspruiten uit de gegevens vervat in het gerechtelijk onderzoek waarvan de eiser inzage vraagt. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Geen enkele verdragsrechtelijke of wettelijke bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel vereist dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, de verdachte inzage krijgt van stukken uit een ander gerechtelijk onderzoek, louter op grond van zijn aanvoering dat uit die stukken gegevens à décharge of nietigheden kunnen blijken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de eiser zijn aanvoering over de mogelijke onregelmatige bewijsverkrijging in het andere gerechtelijk onderzoek niet aannemelijk maakt. In die omstandigheden kan het eisers verzoek om inzage van die gegevens te verkrijgen verwerpen op basis van de redenen die het middel vermeldt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.20 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250902.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div