← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16 Rolnummer: P.22.0274.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 825 - laatst gezien 2026-06-18 12:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het bijzondere rechtsmiddel waarin artikel 36, § 1, vierde en vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet voorzien, kan enkel worden ingesteld bij een verzoekschrift gericht aan de raadkamer

(1); het kan niet worden ingesteld voor de onderzoeksrechter en het kan evenmin worden ingesteld als een incidenteel verzoek opgenomen in een voor de raadkamer neergelegde conclusie in het kader van een hoger beroep dat de inverdenkinggestelde instelt tegen een beslissing van de onderzoeksrechter die de voorwaarden verlengt.
(1)Cass. 18 juni 1997, AR P.97.0771.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970618.4, AC 1997, nr. 280; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6° ed., 2014, p. 572. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Vormvereisten - Raadkamer - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Vormvereisten - Raadkamer - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Vormvereisten - Raadkamer - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 6 Een verzoek tot opheffing of wijziging van voorwaarden, dat niet ontvankelijk is omdat het niet is ingesteld voor de juiste rechtsinstantie of met toepassing van de juiste procedure, doet de termijn van vijf dagen niet aanvangen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Raadkamer - Termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Raadkamer - Termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Raadkamer - Termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1, vierde en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 7 - 9 Het rechtsmiddel bepaald in artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet betreft een bijzonder rechtsmiddel waarbij de raadkamer in eerste aanleg en de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep zich over het verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden moeten uitspreken en hun beslissing moeten motiveren overeenkomstig artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet; dit rechtsmiddel kan niet worden aangewend als een hoger beroep tegen een verlengingsbeslissing van de onderzoeksrechter om zo de onderzoeksgerechten te verplichten zich uit te spreken over een voorgehouden formele onwettigheid van die verlengingsbeslissing
(1).
(1)Cass. 7 september 2021, AR P.21.1164.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, en 36, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, en 36, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 16, § 5, en 36, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 10 - 12 Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over het bijzonder rechtsmiddel bepaald in artikel 36, §1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, moet op korte termijn beslissen en bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde antwoorden; of de aan de inverdenkinggestelde opgelegde voorwaarden moeten worden opgeheven of gewijzigd, wordt onaantastbaar beoordeeld door het onderzoeksgerecht en het Hof gaat na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Motivering - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Motivering - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Motivering - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Fiches 13 - 15 De beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorwaarden moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak en daarbij kan het onderzoeksgerecht onder meer rekening houden met de impact van de voorwaarden op het privé- of beroepsleven van de betrokkene, de ernst van de feiten, de impact van de feiten op het slachtoffer en het risico van recidive; de duur van de maatregelen heeft een invloed op de motiveringsverplichting van het onderzoeksgerecht daar gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen maar dat belet niet dat het onderzoeksgerecht kan verwijzen naar de gegevens die zijn vervat in vroegere beslissingen tot verlenging of wijziging van de aan de inverdenkinggestelde opgelegde voorwaarden, wanneer het oordeelt dat die gegevens op grond van de omstandigheden die het vaststelt, nog steeds actueel zijn. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Redelijke termijn - Criteria - Motivering - Wijze Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Redelijke termijn - Criteria - Motivering - Wijze Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden - Taak van het onderzoeksgerecht - Beoordeling - Redelijke termijn - Criteria - Motivering - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.22.0274.N P. G. W. J. S., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Lennert Dierickx, advocaat bij de balie Dendermonde, met kantoor te 9300 Aalst, Leopoldlaan 48, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 36, § 1, vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet: de aan de eiser opgelegde voorwaarden zijn vervallen en het arrest kon ze bijgevolg niet verlengen omdat de raadkamer niet binnen de vijf dagen uitspraak heeft gedaan over eisers vroegere verzoeken tot opheffing of wijziging van die voorwaarden, namelijk het verzoek van eisers raadslieden tijdens een onderhoud met de onderzoeksrechter op 2 september 2021 en het verzoek bij een conclusie die is neergelegd voor de raadkamer op 13 september
  4. Artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de inverdenkinggestelde kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd of dat hij wordt vrijgesteld van voorwaarden. Het vijfde lid van die paragraaf bepaalt dat de voorwaarden vervallen indien de raadkamer binnen vijf dagen geen uitspraak doet over het verzoek van de inverdenkinggestelde tot opheffing of wijziging ervan.
  5. Het bijzondere rechtsmiddel waarin die bepalingen voorzien, kan enkel worden ingesteld bij een verzoekschrift gericht aan de raadkamer. Het kan niet worden ingesteld voor de onderzoeksrechter. Het kan evenmin worden ingesteld als een incidenteel verzoek opgenomen in een voor de raadkamer neergelegde conclusie in het kader van een hoger beroep dat de inverdenkinggestelde instelt tegen een beslissing van de onderzoeksrechter die de voorwaarden verlengt.
  6. Een verzoek tot opheffing of wijziging van voorwaarden, dat niet ontvankelijk is omdat het niet is ingesteld voor de juiste rechtsinstantie of met toepassing van de juiste procedure, doet de termijn van vijf dagen niet aanvangen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Met overname van de redenen van de beroepen beschikking en met eigen redenen oordeelt het arrest als volgt: - op basis van artikel 36, § 1, vierde en vijfde lid, Voorlopige Hechteniswet dient een verzoek tot opheffing of wijziging van de door de onderzoeksrechter opgelegde voorwaarden te worden ingediend bij de raadkamer; - het verzoek van de eiser aan de onderzoeksrechter op 2 september 2021 en door deze laatste opgenomen in het proces-verbaal van inlichtingen, voldeed bijgevolg niet aan de voorwaarde opgelegd door vermeld artikel; - op 10 september 2021 tekende de eiser hoger beroep aan tegen de beslissing van de onderzoeksrechter van 31 augustus 2021 waarbij de voorwaarden werden verlengd voor een termijn van drie maanden met ingang vanaf 13 september
  8. Deze beslissing werd aan de eiser betekend op 9 september 2021; - naar aanleiding van de rechtszitting van de raadkamer waarop het hoger beroep werd behandeld legde de eiser op 13 september 2021 een conclusie neer waarin werd verzocht de opgelegde voorwaarden te wijzigen of op te heffen; - bij beschikking van 14 september 2021 verklaarde de raadkamer het hoger beroep ontoelaatbaar voor zover het voor de raadkamer werd ingediend. Bijgevolg werd terecht niet meer geoordeeld over enig verzoek ingesteld in de betreffende conclusie aangezien deze werd neergelegd naar aanleiding van een ontoelaatbare, niet bij wet voorziene procedure; - de voorwaarden werden bij beschikkingen van de onderzoeksrechter van 31 augustus 2021 en van 29 november 2021 wel degelijk correct verlengd en zijn niet vervallen; - bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 september 2021 werd eisers hoger beroep onontvankelijk verklaard; - het Hof heeft bij arrest van 12 oktober 2021 eisers cassatieberoep verworpen. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, en 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beslissing van de onderzoeksrechter van 29 november 2021 tot verlenging van de aan de eiser opgelegde voorwaarden niet met een motiveringsgebrek is behept; die beslissing motiveert de verlenging van de voorwaarden enkel door te verwijzen naar vorige beslissingen; aldus is zij niet geïndividualiseerd en houdt zij geen rekening met de concrete feitelijke omstandigheden en het tijdsverloop; om dezelfde redenen is ook het arrest niet regelmatig gemotiveerd en geeft het blijk van een automatisme; de beslissing vermeldt evenmin de toegepaste wetsbepalingen en verklaart niet waarom de eiser enkel mag deelnemen aan digitale vergaderingen met een limiet van 20 deelnemers.
  10. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  11. Het rechtsmiddel bepaald in artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet betreft een bijzonder rechtsmiddel waarbij de raadkamer in eerste aanleg en de kamer van inbeschuldigingstelling in hoger beroep zich over het verzoek tot opheffing, wijziging of vrijstelling van voorwaarden moeten uitspreken en hun beslissing moeten motiveren overeenkomstig artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet. Dit rechtsmiddel kan niet worden aangewend als een hoger beroep tegen een verlengingsbeslissing van de onderzoeksrechter om zo de onderzoeksgerechten te verplichten zich uit te spreken over een voorgehouden formele onwettigheid van die verlengingsbeslissing.
  12. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over dit rechtsmiddel, moet op korte termijn beslissen. Bijgevolg moet het onderzoeksgerecht niet tot in de bijzonderheden op elk verweer van een inverdenkinggestelde antwoorden.
  13. Of de aan de inverdenkinggestelde opgelegde voorwaarden moeten worden opgeheven of gewijzigd, wordt onaantastbaar beoordeeld door het onderzoeksgerecht. Het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  14. De beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorwaarden moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak. Daarbij kan het onderzoeksgerecht onder meer rekening houden met de impact van de voorwaarden op het privé- of beroepsleven van de betrokkene, de ernst van de feiten, de impact van de feiten op het slachtoffer en het risico van recidive.
  15. De duur van de maatregelen heeft een invloed op de motiveringsverplichting van het onderzoeksgerecht daar gronden die aanvankelijk afdoende leken, door het tijdsverloop hun rechtvaardigend vermogen kunnen verliezen. Dat belet niet dat het onderzoeksgerecht kan verwijzen naar de gegevens die zijn vervat in vroegere beslissingen tot verlenging of wijziging van de aan de inverdenkinggestelde opgelegde voorwaarden, wanneer het oordeelt dat die gegevens op grond van de omstandigheden die het vaststelt, nog steeds actueel zijn.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het arrest bevestigt de beroepen beschikking behoudens de wijziging van twee voorwaarden. Het steunt die beslissing onder meer op de volgende van de beroepen beschikking overgenomen redenen: - de beslissing van 15 maart 2021 waarbij aan de eiser voorwaarden werden opgelegd, vermeldt uitdrukkelijk dat de eiser in verdenking wordt gesteld wegens “Te … en te …, in de periode vanaf 1 december 2018 tot en met 7 september 2020, herhaaldelijk, Belaging; De feiten kunnen voor [de eiser] een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf tot gevolg hebben op grond van de artikelen 442 bis lid 1 van het Strafwetboek”; - die beslissing bevat ook een opgave van de ernstige aanwijzingen van schuld die eisers aanhouding volstrekt noodzakelijk maken voor de openbare veiligheid, waarbij rekening wordt gehouden met de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser; - de beslissing tot verlenging van de voorwaarden van 31 augustus 2021 bepaalt dat de aanhouding van de eiser nog steeds volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en gegrond is op de motivering vermeld in de beschikking van 15 maart 2021, die voldoet aan alle motiveringsvereisten met inbegrip van de vaststelling dat de openbare veiligheid nog steeds kan worden verzekerd en het gevaar van recidive afdoende kan worden tegengegaan door de opgelegde voorwaarden te verlengen voor een nieuwe termijn van drie maanden; - daar de verlengingsbeschikking van 29 november 2021 uitdrukkelijk verwijst naar de beschikkingen van 15 maart 2021 en 31 augustus 2021 en zo ook de motivering ervan overneemt, is deze beslissing niet behept met een motiveringsgebrek, maar is voldaan aan de motiveringsplicht opgenomen in artikel 16, § 5, derde lid, Voorlopige Hechteniswet; - er dient te worden verwezen naar de ernstige aanwijzingen van schuld, waaruit kan blijken dat de eiser als hoofdarts van een ziekenhuis na het afbreken van een vriendschappelijke of liefdesrelatie met een collega arts in datzelfde ziekenhuis deze laatste herhaaldelijk en op verschillende manieren zou hebben belaagd, ook op de werkvloer, en dat deze acties mogelijk werden verdergezet ook na de voorleiding bij de onderzoeksrechter en de invrijheidsstelling onder voorwaarden. Dit zou kunnen blijken uit de verklaring van de klaagster, de uitlezing van haar gsm-toestel en een getuige; - op 27 mei 2021 werd er door het openbaar ministerie een uitbreidende vordering genomen voor feiten van belaging, meermaals in de periode tussen minstens 15 maart 2021 en 22 mei 2021; - de eiser nam ondertussen klaarblijkelijk ook tijdens zijn vrijheid onder voorwaarden deel aan digitale vergaderingen waaraan ook de klaagster vanuit professionele overwegingen diende deel te nemen; - de alternatieve voorwaarden voor de voorlopige hechtenis die de vrije uitoefening van de eiser tot zijn beroepsactiviteit tijdelijk beperken, vormen maatregelen die bestemd zijn om het risico van recidive te beperken en werden uitgevaardigd ter vervanging van de voorlopige hechtenis, niet om zich in de plaats te stellen van de zuivere vrijheid. Zij kunnen niet worden gelijkgesteld met de straf van bijvoorbeeld een beroepsverbod en zijn thans nog strikt noodzakelijk voor de openbare veiligheid en om het gevaar van recidive tegen te gaan; - immers vonden de kennelijk gepleegde feiten van belaging ook herhaaldelijk plaats op de werkvloer en zouden de klaagster en de eiser elkaar ook in de professionele context hebben leren kennen. Bovendien wordt door de eiser niet aangetoond dat de opgelegde belemmering voor hem een onmogelijkheid inhoudt om zijn professionele functie uit te oefenen.
  18. Op grond van die redenen, waarmee het arrest effectief en concreet het gevaar voor de openbare veiligheid en de redelijke termijn van de voorwaarden onderzoekt, kan het wettig oordelen dat de aan de eiser opgelegde voorwaarden, mits de aanpassingen waarin het voorziet, moeten worden gehandhaafd.
  19. Met die redenen vermeldt het arrest eveneens de toegepaste wettelijke bepaling, alsook waarom het bepaalde voorwaarden wijzigt door professionele digitale vergaderingen met meer dan 20 deelnemers en bepaalde professionele e-mails uit te sluiten van het verbod op internetcontacten van de eiser met de klaagster.
  20. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240605.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970618.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.