← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: GRIFFIE.

GRIFFIER Vrije woorden: Verhoor van de getuige ter rechtszitting - Weergave in het proces-verbaal van de terechtzitting - Duiding van de verklaring door de vonnisrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Proces-verbaal van de terechtzitting - Verhoor van de getuige ter rechtszitting - Weergave - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 155

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 5 Een beklaagde die wenst dat de rechter een bepaalde persoon ter rechtszitting hoort, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig aan de rechter vragen; bij gebreke daaraan dient de beslissing niet aan de hand van specifieke redenen uit te leggen waarom die persoon niet wordt gehoord

(1).
(1)Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1144.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Verhoor van getuigen à charge - Verzoek tot het horen van een getuige - Formulering van het verzoek - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Verhoor van getuigen à charge - Verzoek tot het horen van een getuige - Formulering van het verzoek - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 190- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1328.N F. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 september 2021, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 7 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. De eiser heeft ter griffie op 3 maart 2022 een noot overeenkomstig artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 55, 56, § 1, en 61 Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt vast dat de bewijselementen die de onderzoeksrechter lastens de eiser heeft verkregen onregelmatig zijn omdat ze het resultaat zijn van een overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter; het arrest laat evenwel na te onderzoeken of voldaan is aan alle criteria bepaald in voormeld artikel 32, meer bepaald of het aldus verkregen bewijs niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en of de overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast.
  3. Eensdeels neemt het arrest (p. 19, nr. 3) de redenen van het beroepen vonnis (p. 67-70) over, waarmee dat vonnis oordeelt dat de onderzoeksrechter zijn saisine niet heeft overschreden en het verder oordeelt als volgt: “Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het verbod voor de onderzoeksrechter om andere feiten te onderzoeken dan deze die bij hem of haar aanhangig zijn gemaakt, niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid en er enkel sprake kan zijn van de uitsluiting van bewijs dat het gevolg is van de overschrijding van de saisine, als dit de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. (…). In casu werden de verschillende onderzoeken door de rechtbank samengevoegd met het oog op een goede rechtsbedeling, zodat de verdediging toegang heeft tot de verschillende onderzoeken. De rechtbank is bijgevolg van oordeel dat de betrouwbaarheid van het bewijs op geen enkele wijze is aangetast.” Anderdeels oordeelt ook het arrest (p. 19-20, nr. 1-8), met de eigen redenen die het bevat, dat de onderzoeksrechter zijn saisine niet heeft overschreden en oor-deelt het (p. 20-21) verder als volgt: “
  4. Voormelde elementen hebben ertoe bijgedragen dat het voor de politiediensten en de onderzoeksrechter niet mogelijk was om met absolute zekerheid de contouren van de onderzochte vereniging/criminele organisatie te omschrijven evenals de individuele leden en hun specifieke rol exact te identificeren. In die omstandigheden kan er van een bewuste overschrijding van zijn saisine door een onderzoeksrechter, gelast met het onderzoek naar een criminele organisatie die in hoofdzaak was gericht op het plegen van inbreuken op de drugswet, bezwaarlijk sprake zijn.
  5. Dat onderzoeksrechter [D.] meerdere thans betwiste telefoontapbeschikkingen en beschikkingen tot verlenging van de telefoontaps baseerde op informatie verstrekt in navolgende processen-verbaal aangaande de strafbare betrokkenheid van oorspronkelijk medebeklaagde [S.G.] (en van diens rechtstreeks contact oorspronkelijk medebeklaagde [L.M.]) verbaast in het licht van het voorgaande niet en impliceert op zich niet dat deze onderzoeksrechter zich aan autosaisine zou hebben bezondigd of zijn saisine bewust zou hebben overschreden (…).”
  6. Uit het geheel van die eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen volgt dat het arrest met de laatste vermelde redenen niet oordeelt dat de onderzoeksrechter zijn saisine toch zou hebben overschreden, maar enkel ten overvloede te kennen geeft dat de onderzoeksrechter alleszins niet bewust zijn saisine zou hebben overschreden. Aldus stelt het arrest geen onregelmatigheid in de bewijsverkrijging vast. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: eensdeels oordeelt het arrest dat de bewijselementen die afkomstig zijn van de onderzoekshandelingen die de onderzoeksrechter heeft gesteld naar de feiten waarvoor de eiser wordt vervolgd, niet dienen te worden geweerd omdat er geen overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter is; anderdeels oordeelt het arrest dat er weliswaar een overschrijding van de saisine van de onderzoeksrechter voorligt, maar dat deze laatste zijn saisine niet bewust heeft overschreden zodat eisers recht op een eerlijk proces niet is miskend; in deze laatste interpretatie is de beslissing niet naar recht verantwoord; aldus is het arrest dubbelzinnig gemotiveerd.
  8. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordeelt het arrest niet dat de onderzoeksrechter zijn saisine heeft overschreden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 155, 189 en 190ter Wetboek van Strafvordering en artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 betreffende de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken: het arrest baseert de afwijzing van eisers verzoek tot het ondervragen ter rechtszitting van oorspronkelijk medebeklaagde Y.F. onder meer op een motivering die strijdig is met de authentieke vaststellingen van het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2018; het oordeelt namelijk dat aanvankelijk medebeklaagde F.M. op die rechtszitting niet zou hebben verklaard dat aanvankelijk medebeklaagde Y.F. één van de personen was die hem zware slagen hadden toegebracht, terwijl uit de authentieke vaststellingen van het proces-verbaal blijkt dat dit wel het geval was; met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest bovendien dat de in het proces-verbaal opgenomen authentieke vaststellingen over het verloop van de rechtszitting niet met het werkelijke verloop van de rechtszitting overeenkomen, zonder dat de valsheid van het proces-verbaal is komen vast te staan door middel van een incidentele valsheidsvordering.
  10. Artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 betreffende de politierechtbanken en correctionele rechtbanken bepaalt: “De aantekeningen voorgeschreven bij de artikelen 155 en 189 van het Wetboek van Strafvordering moeten worden bijgehouden in de vorm van een proces-verbaal en ondertekend zowel door de voorzitter als door de griffier. In geval van hoger beroep moet het origineel ervan bij de stukken van de rechtspleging worden gevoegd.” Artikel 155 Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 189 van dat wetboek ook van toepassing is op het bewijs van wanbedrijven, bepaalt: “De getuigen doen ter terechtzitting, op straffe van nietigheid, de eed dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen; de griffier houdt daarvan aantekening, evenals van hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woonplaats, alsmede van hun voornaamste verklaringen.”
  11. Het proces-verbaal van de rechtszitting moet geen letterlijke weergave bevatten van de bewoordingen waarin een getuige zijn verklaringen ter rechtszitting aflegt. Het volstaat dat het proces-verbaal een accurate neerslag van die verklaringen weergeeft. De rechter kan die weergave in een latere beslissing nuanceren, duiden of vervolledigen volgens hetgeen hij zelf op de rechtszitting heeft waargenomen, in zoverre de rechter daardoor aan dat proces-verbaal geen draagwijdte geeft die met de bewoordingen ervan niet te verenigen is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het arrest (p. 24-25) oordeelt: “Uit folio nr. 177 van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 27 juni 2019 van kamer C5_1, dat desbetreffend niet vernietigd werd blijkt dat beklaagde [F.M.] ter terechtzitting d.d. 30 november 2018 van voormelde kamer van het hof van beroep, zitting waarop [de eiser] zelf niet aanwezig was, verklaard heeft dat hij onder de op 7 oktober 2014 op de plaats van het feit (i.e. de … te … - feit L van zaak III) aanwezig zijnde personen enkel [de eiser] en “[Y.F.]” heeft herkend. [F.M.] heeft bij het verhoor niet verklaard dat [Y.F.] één van de personen was die aan hem zware slagen heeft toegebracht. De bewoordingen op het zittingsblad van die datum zijn wat kort en ongenuanceerd weergegeven vermits er staat genoteerd “de beklaagde [F.M.] wordt gehoord in persoon en zegt dat hij in elkaar werd geslagen door minstens 8 personen. Hij heeft twee mensen herkend en noemt hun namen ([de eiser] en [Y.F.]).”
  13. Op grond van de voormelde bewoordingen van het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2018 staat niet vast dat F.M. heeft verklaard dat ook Y.F. hem slagen had toegebracht. Aldus oordeelt het arrest niet dat de vaststellingen van dat proces-verbaal onjuist zijn en geeft het aan dat proces-verbaal geen draagwijdte die met de bewoordingen ervan niet te verenigen is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het arrest steunt de afwijzing van eisers verzoek om ter rechtszitting een confrontatie te organiseren met Y.F. mede op de feitelijke vaststelling in het vernietigde arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2019 dat F.M., anders dan vermeld in het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2018, bij zijn verhoor op die rechtszitting niet heeft verklaard dat Y.F. één van de personen was die hem zware slagen heeft toegebracht; de appelrechters waren zelf echter niet aanwezig op de rechtszitting van 30 november 2018 en hebben de verklaring van F.M. niet zelf aanhoord; bovendien motiveren de appelrechters niet waarom zij eisers verzoek afwijzen om ter rechtszitting een confrontatie met M.N. te organiseren, noch halen zij enige procedurele waarborg aan die deze afwijzing kan compenseren; aldus konden de appelrechters uit hun vaststellingen niet wettig afleiden dat eisers recht op een eerlijk proces en recht om getuigen à charge te ondervragen niet zijn miskend doordat niet is ingegaan op eisers verzoek om ter rechtszitting een confrontatie te organiseren tussen de eiser en de aanvankelijke medebeklaagden M.N., Y.F, M.W. en F.M.
  15. Geen enkele bepaling belet dat de appelrechters, oordelend op verwijzing, hun beslissing over eisers verweer om Y.F. als getuige ter rechtszitting te horen, steunden op de feitelijke vaststellingen van de vroegere appelrechters die op de rechtszitting van 30 november 2018 de gezegden van F.M. hebben aanhoord en ze in hun arrest hebben beschreven op een wijze die, zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, niet strijdig is met de vermeldingen van het proces-verbaal van die rechtszitting. Daarvoor moesten de appelrechters op verwijzing de getuigenverklaring van F.M. niet zelf hebben gehoord of een nieuwe getuigenverklaring organiseren die zij om andere redenen niet aangewezen achtten.
  16. Het arrest (p. 23-26) motiveert wel degelijk waarom het geen confrontatie ter rechtszitting organiseert tussen de eiser en M.N. en welke procedurele waarborgen die afwijzing compenseren. Het arrest verwijst immers naar het risico op geweld en de onbetrouwbaarheid van de verklaringen ingevolge tijdsverloop als ernstige redenen om M.N. niet te horen als getuige ter rechtszitting, oordeelt dat de verklaring van M.N. geen doorslaggevend bewijs lastens de eiser oplevert gelet op de resultaten van het onderzoek die het opsomt en verwijst als compenserende waarborgen voor het niet-horen van M.N. als getuige naar de eerdere verklaringen ter rechtszitting van Y.F. en M.W., naar de ondersteuning van die verklaringen door de objectieve bewijselementen die het opsomt en naar de verklaringen van F.M. die het nader toelicht.
  17. Hieruit volgt dat het arrest uit zijn vaststellingen wettig kan afleiden dat door het niet organiseren van een confrontatie ter rechtszitting met de in het onderdeel vermelde aanvankelijke medebeklaagden, eisers recht op een eerlijk proces en recht om getuigen à charge te ondervragen niet zijn miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in eisers beroepsconclusie (p. 39, vijfde alinea, laatste zin) geformuleerde verzoek: “Gezien de motivering van het [beroepen] vonnis met betrekking tot de tenlastelegging A.I dient bijkomend tevens een getuigenverhoor te worden georganiseerd van de heer L.M.”, terwijl het de motivering van het beroepen vonnis precies overneemt om de eiser schuldig te verklaren aan de telastlegging A.I; aldus stelt het arrest de eiser en derden niet in staat te begrijpen waarom het niet ingaat op eisers verzoek.
  19. Het vereiste een beslissing over de strafvordering zodanig te motiveren dat de beklaagde en derden in staat zijn die beslissing te begrijpen, vloeit voort uit artikel 6.1 EVRM en niet uit artikel 149 Grondwet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Een beklaagde die wenst dat de rechter een bepaalde persoon ter rechtszitting hoort, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig aan de rechter vragen. Bij gebreke daaraan dient de beslissing niet aan de hand van specifieke redenen uit te leggen waarom die persoon niet wordt gehoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. De eiser heeft in zijn appelconclusie, in een terloopse aanvoering opgenomen aan het einde van een alinea met een andere context, vermeld dat hij, gelet op de motivering van het beroepen vonnis in verband met zijn schuldigverklaring aan de telastlegging A.I, die hij niet verder specificeert, bijkomend een getuigenverhoor wenst van aanvankelijke medebeklaagde L.M.
  22. Met de eigen redenen die het bevat en deze die het overneemt van het beroepen vonnis (p. 90-91), steunt het arrest (p. 28-31) eisers schuldigverklaring aan de telastlegging A.I op een geheel van bewijselementen die geen verband houden met verklaringen afgelegd door L.M., zoals telefonie-onderzoek en observaties. Die redenen stellen de eiser, gelet op de aard van zijn vermelde verweer, alsook derden in staat de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging A.I te begrijpen zonder dat het daarvoor nodig was L.M. als getuige te horen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: op basis van de verklaring van F.M. op de rechtszitting van 30 november 2018, die het proces-verbaal van die rechtszitting op authentieke wijze heeft samengevat als volgt: “De beklaagde [F.M.] wordt verhoord in persoon en zegt dat hij in elkaar werd geslagen door minstens 8 personen. Hij heeft twee mensen herkend en noemt hun namen ([de eiser] en [Y.F.])”, motiveert het arrest enerzijds dat F.M. enkel heeft verklaard dat Y.F. aanwezig was toen F.M. zware slagen kreeg toegediend en anderzijds dat F.M. heeft verklaard dat de eiser één van de personen was die F.M. zware slagen hebben toegediend; die redenen zijn tegenstrijdig.
  24. In zoverre het middel is afgeleid uit de in het tweede middel, eerste onderdeel, vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  25. Op grond van de bewoordingen van het proces-verbaal van de rechtszitting van 30 november 2018 staat niet vast dat F.M. heeft verklaard dat de eiser F.M. niet heeft geslagen of dat Y.F. F.M. wel heeft geslagen. Bijgevolg doen de in het middel vermelde redenen elkaar niet teniet of heffen zij elkaar niet op en zijn zij bijgevolg niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  27. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 229,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.