← België

D. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.4 Rolnummer: P.21.0583.N Zaak: D. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 999 - laatst gezien 2026-06-19 03:06 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220308.2N.4 Fiche 1 Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, het hof mede over de zaak zelf beslist; het appelgerecht doet echter geen uitspraak bij wijze van evocatie wanneer het oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Devolutieve werking van het hoger beroep - Evocatie - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 215 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de door die verklaring bepaalde grenzen, door de in het appelverzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven; het appelgerecht dat uitspraak doet over de aldus aangevoerde grieven oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep en dat een grief betrekking heeft op de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over een onderdeel van de telastleggingen of over een punt van de burgerlijke rechtsvordering, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine van het appelgerecht - Grieven - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Beroepen vonnis zonder uitspraak over een van de telastleggingen - Devolutieve werking van het hoger beroep - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, 204 en 215 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep - Saisine van het appelgerecht - Grieven - Burgerlijke partij - Beroepen vonnis zonder uitspraak over een van de telastleggingen - Devolutieve werking van het hoger beroep - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203, 204 en 215 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 5 De burgerlijke partij heeft in beginsel geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op strafrechtelijk gebied
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Vrije woorden: Beslissing op strafrechtelijk gebied - Grens Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Hoger beroep - Burgerlijke partij - Beslissing op strafrechtelijk gebied - Grens Tekst van de beslissing Nr. P.21.0583.N
  1. R. D. J., burgerlijke partij,
  2. A. D., burgerlijke partij,
  3. J. D., burgerlijke partij,
  4. M. D. R., , burgerlijke partij,
  5. E. D., burgerlijke partij,
  6. N. O., burgerlijke partij,
  7. G. B., burgerlijke partij,
  8. W. G., burgerlijke partij,
  9. E. C., burgerlijke partij,
  10. J. P., burgerlijke partij,
  11. S. D., burgerlijke partij,
  12. G. D., burgerlijke partij,
  13. R. D. J., burgerlijke partij,
  14. T. N., burgerlijke partij,
  15. M. A., burgerlijke partij,
  16. L. V., burgerlijke partij,
  17. H. H., burgerlijke partij,
  18. R. B., burgerlijke partij,
  19. M. D., burgerlijke partij,
  20. L. D., burgerlijke partij,
  21. D. V., burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Yasmine Driessen, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3665 As, Nieuwstraat 21, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen K. H. L. J. K., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 maart
  22. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 21 februari 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. De eisers hebben een door artikel 1107, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. Op de openbare rechtszitting van 8 maart 2022 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht een heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat er geen reden is tot evocatie is niet naar recht verantwoord; het arrest stelt vast dat noch in de redenen, noch in het beschikkend gedeelte van het beroepen vonnis uitspraak werd gedaan over de schuld van de verweerder aan de telastlegging A.2; de eisers hebben in hun grievenformulier uitdrukkelijk een grief aangevoerd in verband met de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over de telastlegging A.2; het arrest had in dit verband de nietigheid van het beroepen vonnis moeten vaststellen en ingevolge evocatie uitspraak doen zowel op strafrechtelijk als burgerrechtelijk gebied; tot evocatie moet immers ook worden overgegaan op het enkele hoger beroep van een burgerlijke partij.
  24. Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, het hof mede over de zaak zelf beslist. Het appelgerecht doet echter geen uitspraak bij wijze van evocatie wanneer het oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep.
  25. Uit de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens, binnen de door die verklaring bepaalde grenzen, door de in het appelverzoekschrift of grievenformulier opgegeven grieven. Het appelgerecht dat uitspraak doet over de aldus aangevoerde grieven oordeelt binnen de grenzen van de devolutieve werking van het aangetekende hoger beroep. Dat een grief betrekking heeft op de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over een onderdeel van de telastleggingen of over een punt van de burgerlijke rechtsvordering, doet hieraan geen afbreuk.
  26. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  27. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - het beroepen vonnis spreekt de verweerder vrij van de telastleggingen A.1.a, A.1.b, B, C en D en verklaart zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eisers; het veroordeelt de eisers tot de kosten en houdt geen enkele verdere beslissing aan; - tegen dit vonnis werd uitsluitend hoger beroep ingesteld door de eisers, die bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift met grieven hebben ingediend ter griffie; - het arrest verklaart het hoger beroep van de eisers ontvankelijk en oordeelt dat de door hen aangevoerde grieven nauwkeurig zijn bepaald, met uitzondering van de grief over de schuld van de verweerder op strafrechtelijk gebied, welke grief niet ontvankelijk wordt geacht bij gebrek aan hoedanigheid van de eisers; - een van de ontvankelijke beroepsgrieven heeft betrekking op de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen standpunt werd ingenomen over de telastlegging A.
  28. Het arrest stelt verder vast en oordeelt dat: - de eerste rechter heeft nagelaten zich uit te spreken over de schuld van de verweerder aan de telastlegging A.2; - het hof van beroep zich ingevolge het hoger beroep van de eisers dient uit te spreken over alle telastleggingen die aan het oordeel van de eerste rechter waren onderworpen; - de omstandigheid dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over één van de telastleggingen, niet tot gevolg heeft dat er moet worden overgegaan tot evocatie, aangezien over die telastlegging uitspraak moet worden gedaan op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep; - niet bewezen is dat de verweerder een fout heeft begaan, bestaande in het plegen van de misdrijven die zich vereenzelvigen met de feiten van de vervolging, eventueel anders gekwalificeerd, meer bepaald de misdrijven vermeld in de telastleggingen A.1.a, A.1.b, A.2, B, C en D.
  29. Het arrest stelt aldus naar recht vast dat het ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep van de eisers uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eisers tegen de verweerder, ook in zoverre die rechtsvordering gebaseerd is op de telastlegging A.2, en dat er geen aanleiding is tot evocatie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 215 Wetboek van Strafvordering en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: door te zeggen voor recht dat er geen aanleiding is tot evocatie in de zin van het Wetboek van Strafvordering terwijl wordt vastgesteld dat het beroepen vonnis heeft nagelaten uitspraak te doen over de telastlegging A.2, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest motiveert niet waarom niet wordt ingegaan op het verzoek van de eisers om het beroepen vonnis nietig te verklaren.
  31. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, moet het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen.
  32. Het arrest oordeelt dat het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eisers ingevolge de devolutieve werking van hun hoger beroep en dat de beslissing in hoger beroep in de plaats komt van deze van het beroepen vonnis. Het al dan niet nietig verklaren van het beroepen vonnis kan hieraan geen afbreuk doen en heeft als zodanig geen invloed op de beslissing in hoger beroep. In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat er geen aanleiding is tot evocatie is niet naar recht verantwoord; na te hebben vastgesteld dat in het beroepen vonnis geen uitspraak werd gedaan over de telastlegging A.2, had de appelrechter dit vonnis nietig moeten verklaren en zich moeten uitspreken op strafrechtelijk gebied.
  34. De burgerlijke partij heeft in beginsel geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing op strafrechtelijk gebied. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  35. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste en het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door eensdeels te oordelen dat noch in de redenen, noch in het beschikkend gedeelte van het beroepen vonnis uitspraak werd gedaan over de schuld van de verweerder aan de telastlegging A.2 en anderdeels te oordelen dat er geen reden is tot evocatie, berust het arrest op tegenstrijdige redenen; door deze tegenstrijdigheid is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
  37. Het onderdeel dat formeel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest aanvoert, is in werkelijkheid afgeleid uit de in het eerste en het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede middel
  38. Het middel voert schending aan van de artikelen 109bis, § 1, en 779 Gerechtelijk Wetboek: het arrest werd gewezen door een alleenzetelend raadsheer, terwijl de zaak op straffe van nietigheid diende te worden behandeld door een kamer met drie raadsheren; dit laatste is vereist van zodra er tijdens de appelprocedure een redelijke betwisting voorligt over de vraag of de zaak op strafgebied ingevolge evocatie aanhangig is of kan worden gemaakt op strafgebied.
  39. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel blijkt dat het arrest uitsluitend uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvorderingen, zonder dat er aanleiding was tot evocatie in de zin van artikel 215 Wetboek van Strafvordering. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  40. Het middel voert miskenning aan van “de regels aangaande het bewijs”: door te oordelen dat werken aan een vloer, gevel en parking in het belang van de vennootschap waren, verantwoordt het arrest de beslissing dat er geen fout bewezen is zoals bedoeld in de telastlegging C, niet naar recht; het arrest kon uit de feitelijke vaststellingen niet redelijkerwijze in rechte afleiden dat de aan het huis uitgevoerde verbouwingen in het belang van de vennootschap waren.
  41. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  42. De appelrechter oordeelt als volgt: - de beperkte uitgaven die in de telastlegging C worden vermeld, gebeurden voor de zetel van de vennootschap en werden ingebracht in de boekhouding van de vennootschap; - het gegeven dat de zetel van de vennootschap gevestigd was op het adres van de woonplaats van de verweerder doet daar niets aan af; - er kan niet ontkend worden dat er een vennootschapsbelang gemoeid was met deze uitgaven; het gegeven dat bepaalde uitgaven gedaan werden voor veiligheid, en dan in de eerste plaats de veiligheid van een bestuurder van de vennootschap doet deze uitgaven niet een bedrijfsmatig karakter verliezen; werken aan een vloer, gevel en parking voor een gebouw waar beroepsmatige activiteiten met personeel plaatsvinden dienen een vennootschapsbelang; - er wordt niet aangetoond dat de fiscus deze uitgaven verwierp. Op grond van die redenen kan het arrest oordelen dat de werken aan een vloer, gevel en parking in het belang van de vennootschap waren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 120,31 euro, waarvan 85,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220308.2N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.