← België

J. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.5 Rolnummer: P.21.1591.N Zaak: J. contra P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 865 - laatst gezien 2026-06-19 02:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche Buiten hetgeen artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering voorschrijft, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden; niets belet dan ook dat de appelrechters het instellen van incidenteel beroep afleiden uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde in een voor hen genomen schriftelijke of mondelinge conclusie een bedrag vordert dat de eerste rechter hem niet heeft toegekend en bijgevolg is niet vereist dat de geïntimeerde in een schriftelijke appelconclusie uitdrukkelijk vermeldt dat hij incidenteel beroep instelt of uitdrukkelijk aanvoert dat de eerste rechter een punt van zijn rechtsvordering niet heeft ingewilligd

(1).
(1)Zie Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.0266.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1, AC 2018, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Incidenteel beroep Vrije woorden: Vormvoorwaarden - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1591.N N. J., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Bert Partoens, advocaat bij de balie Limburg, tegen
  2. R. L. J. P., inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Jan Ghysels en mr. Jo Rams, beiden advocaat bij de balie Brussel,
  3. E. J. T. E., inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Lore Gyselaers, advocaat bij de balie Limburg. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 november
  4. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193 tot 197 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten van de telastleggingen A.1 en A.2 reeds waren verjaard toen de eiseres klacht met burgerlijkepartijstelling deed op 17 januari 2017; de valse verkavelingsplannen van 12 februari 1990 en 25 juni 1997 hadden immers tot 29 februari 2016 nog altijd het nuttige gevolg dat de verweerder 1 ervan verwachtte aangezien die plannen dienden als basis voor de afpaling van de gronden totdat zij op die laatste datum zijn vervangen door het plan van de verweerder
  6. Wanneer de dader van de valsheid met hetzelfde bedrieglijk opzet ook gebruik heeft gemaakt van het valse geschrift, gaat de verjaring van de strafvordering ten aanzien van zowel de valsheid als het gebruik van het valse stuk eerst in vanaf het laatste feit van gebruik en duurt het gebruik van het valse stuk voort, zelfs zonder nieuw feit van gebruik van de dader van de valsheid en zonder herhaalde tussenkomst van zijnentwege, zolang het door hem beoogde doel nog niet volkomen is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling verder, zonder verzet van zijn kant, het nuttige voordeel heeft dat hij ervan verwachtte.
  7. De dader van de valsheid gebruikt het valse stuk in de zin van artikel 197 Strafwetboek wanneer hij het aanwendt of laat aanwenden als middel om uitwerking te geven aan de door hem gepleegde valsheid. Vereist is dat de dader van de valsheid die uitwerking ten tijde van het plegen van de valsheid of in de loop van het gebruik van de valsheid heeft beoogd of minstens heeft kunnen voorzien.
  8. Op grond van de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiseres van 17 januari 2017 is de verweerder 1 vervolgd wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, in essentie om op 12 februari 1990 (telastlegging A.1) en op 25 juni 1997 (telastlegging A.2): - op de verkavelingsplannen van die respectieve data, de afmetingen van eiseres’ eigendom kleiner te hebben voorgesteld dan in werkelijkheid, met het bedrieglijk opzet de eiseres te benadelen of schade te berokkenen; - met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt dan wel doen of laten maken van deze valse stukken.
  9. Het arrest oordeelt dat: - de eiseres aanvoert dat de verweerder 1 in zijn hoedanigheid van landmeter bij het opmaken van verkavelingsplannen opzettelijk haar eigendom kleiner heeft voorgesteld dan in werkelijkheid en de verweerder 2 in zijn hoedanigheid van expert-landmeter in een afpalingsprocedure bij de vrederechter de perceelgrenzen bewust onjuist zou hebben getekend, waardoor ook hier haar perceel kleiner werd voorgesteld dan in werkelijkheid, wat een valsheid zou uitmaken met de bedoeling dat de eiseres een stuk land zou moeten afstaan, waardoor zij aanzienlijke schade zou lijden; - uit geen enkel objectief element blijkt dat de verweerder 1, die op 12 februari 1990 een eerste plan heeft opgesteld en op 25 juni 1997 een tweede plan, na 25 juni 1997 nog gebruik zou hebben gemaakt van deze stukken, zodat de strafvordering is verjaard, gelet op het feit dat de eiseres slechts op 17 januari 2017 klacht met burgerlijkepartijstelling heeft neergelegd; - de verwijzing naar het gebruik van deze plannen door de verweerder 2 bij het opmaken van zijn verslagen hieraan geen afbreuk doet; - het bepalen van de aanvangsdatum van de verjaring voor iedere inverdenkinggestelde op geïndividualiseerde wijze gebeurt; - de eiseres de aanvangsdatum van de verjaring niet kunstmatig kan opschuiven door rekening te houden met een vermeend gebruik van valse stukken door de verweerder
  10. Uit de formulering van die telastleggingen en uit die redenen volgt niet dat de verweerder 1 na 25 juni 1997 het in het middel vermelde gevolg zou hebben beoogd of verwacht van de van valsheid betichte verkavelingsplannen. Aldus kan het arrest op grond van de vaststellingen die het bevat, wettig oordelen dat de strafvordering lastens de verweerder 1 was verjaard toen de eiseres op 17 januari 2017 klacht met burgerlijkepartijstelling deed. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de verweerder 2 incidenteel beroep instelt met het oog op het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure gevoerd voor de raadkamer en verklaart dat incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond; in de appelconclusie van die verweerder wordt echter geen melding gemaakt van het instellen van incidenteel beroep of van het feit dat de raadkamer geen rechtsplegingsvergoeding heeft toegekend; in een schriftelijke conclusie dient uitdrukkelijk te worden aangegeven dat incidenteel beroep wordt ingesteld.
  12. Artikel 203, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn.”
  13. Buiten hetgeen die bepaling voorschrijft, is het instellen van incidenteel beroep niet gebonden aan bijzondere vormvoorwaarden. Niets belet dan ook dat de appelrechters het instellen van incidenteel beroep afleiden uit de enkele omstandigheid dat de geïntimeerde in een voor hen genomen schriftelijke of mondelinge conclusie een bedrag vordert dat de eerste rechter hem niet heeft toegekend. Bijgevolg is niet vereist dat de geïntimeerde in een schriftelijke appelconclusie uitdrukkelijk vermeldt dat hij incidenteel beroep instelt of uitdrukkelijk aanvoert dat de eerste rechter een punt van zijn rechtsvordering niet heeft ingewilligd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verweerder 2 incidenteel beroep heeft ingesteld; dit blijkt niet uit de conclusie neergelegd ter rechtszitting op 9 september 2021; het arrest voegt derhalve een draagwijdte toe aan die conclusie en miskent bijgevolg de bewijskracht ervan.
  15. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230523.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.