← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022

43bis Strafwetboek bedoelde bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van vermogensvoordelen ook melding moet maken van artikel 6 Probatiewet. Thesaurus CAS: VONNISSEN

ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Vermeldingen - Toepasselijke wetsbepalingen - Opschorting - Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195

211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie - 29-06-1964 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL

OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Vermeldingen - Toepasselijke wetsbepalingen - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195

211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie - 29-06-1964 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 3 - 5 Uit de artikelen 42, 3°,

43bis Strafwetboek

artikel 6, tweede lid, Probatiewet, volgt dat de straf van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zowel in de voor als in de na 17 april 2014 geldende versie van artikel 6, tweede lid, Probatiewet een facultatief karakter had

heeft. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL

OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Vrije woorden: Artikel 6, tweede lid, Probatiewet - Wetswijziging - Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Facultatief karakter - Invloed Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°,

43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie - 29-06-1964 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Opschorting - Artikel 6, tweede lid, Probatiewet - Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Facultatief karakter - Invloed Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°,

43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie - 29-06-1964 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD

IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Artikel 6, tweede lid, Probatiewet - Wetswijziging - Opschorting - Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Facultatief karakter - Invloed Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°,

43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel

de probatie - 29-06-1964 - Art. 6 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 6 - 10 Het Hof is er op grond van artikel 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof toe gehouden het Grondwettelijk Hof te bevragen over de vraag of artikel 4 van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), de artikelen 10

11 Grondwet

het daarin vervatte gelijkheids-

non-discriminatiebeginsel schendt, voor zover de bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, zoals verlengd met de koninklijke besluiten van 28 april 2020

13 mei 2020, ingevoerde schorsing van de verjaring van de strafvordering algemeen van toepassing is

dus zonder een onderscheid te maken naargelang de strafprocedures wel of geen vertraging hebben opgelopen ingevolge de COVID-19-gezondheidscrisis. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 28-04-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040980 KB 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 13-05-2020 - 01 ELI link Pub nr 2020020917 Wet 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 24-12-2020 - Art. 4 - 20 ELI link Pub nr 2021200012 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10

11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring - Strafvordering - Schorsing - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 28-04-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040980 KB 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 13-05-2020 - 01 ELI link Pub nr 2020020917 Wet 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 24-12-2020 - Art. 4 - 20 ELI link Pub nr 2021200012 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10

11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring - Strafvordering - Schorsing - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 28-04-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040980 KB 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 13-05-2020 - 01 ELI link Pub nr 2020020917 Wet 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 24-12-2020 - Art. 4 - 20 ELI link Pub nr 2021200012 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10

11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring - Strafvordering - Schorsing - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 28-04-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040980 KB 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 13-05-2020 - 01 ELI link Pub nr 2020020917 Wet 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 24-12-2020 - Art. 4 - 20 ELI link Pub nr 2021200012 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10

11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Strafzaken - Verjaring - Strafvordering - Schorsing - COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 27-03-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040938 KB nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 - 3 - 09-04-2020 - Art. 3 - 02 ELI link Pub nr 2020030582 KB 28 april 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 28-04-2020 - 02 ELI link Pub nr 2020040980 KB 13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het Koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding ... - 13-05-2020 - 01 ELI link Pub nr 2020020917 Wet 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) - 24-12-2020 - Art. 4 - 20 ELI link Pub nr 2021200012 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10

11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,

§ 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.1454.N I F. K. S. D. B., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Stijn De Meulenaer

mr. Jasmien Jacques, beiden advocaat bij de balie Gent. II MEVACO-BOUWBEDRIJF nv, met zetel te 9880 Aalter, Durmelaan 6, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg

mr. Tom Messiaen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 oktober

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  2. Het arrest spreekt de eiser I deels vrij voor de telastleggingen K.I.13, K.V.43

K.V.

  1. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid,

211 Wetboek van Strafvordering

artikel 6 Probatiewet: het arrest laat na artikel 6 Probatiewet te vermelden, de wetsbepaling die toelaat een verbeurdverklaring uit te spreken samen met het gelasten van de opschorting van de uitspraak van veroordeling.

  1. Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, volgt voor de rechter de verplichting in een veroordelend vonnis de wetsbepalingen te vermelden betreffende de straf die hij uitspreekt.
  2. Uit die bepaling volgt niet dat de rechter die naast het bevelen van de opschorting van de uitspraak van veroordeling voor de bewezen verklaarde feiten tevens de door de artikelen 42, 3°,

43bis Strafwetboek bedoelde bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt van vermogensvoordelen ook melding moet maken van artikel 6 Probatiewet. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid,

211 Wetboek van Strafvordering

artikel 6 Probatiewet: het arrest laat na de toepasselijke versie van artikel 6 Probatiewet te vermelden; in de

e versie is de verbeurdverklaring immers verplicht

in de andere facultatief; aldus kan het Hof ook geen wettigheidstoets uitvoeren. 6. Krachtens artikel 42, 3°, Strafwetboek wordt de bijzondere verbeurdverklaring toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen

waarden die in de plaats ervan zijn gesteld

op de inkomsten uit de belegde voordelen. Krachtens artikel 43bis Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. Krachtens artikel 6, tweede lid, tweede zin, Probatiewet, zoals toepasselijk tot 17 april 2014 kan, wanneer de opschorting wordt gelast, de bijzondere verbeurdverklaring op schriftelijke vordering van het openbaar ministerie worden uitgesproken. Krachtens artikel 6, tweede lid, tweede zin, Probatiewet, zoals toepasselijk vanaf 17 april 2014, kan of moet, wanneer de opschorting wordt gelast, het vonnisgerecht de beklaagde veroordelen tot een bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de op de feiten toepasselijke wetgeving. 7. Uit voormelde wetsbepalingen volgt dat de straf van de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zowel in de voor als in de na 17 april 2014 geldende versie van artikel 6, tweede lid, Probatiewet een facultatief karakter had

heeft. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid

bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest stelt niet vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de uitgesproken facultatieve verbeurdverklaring van vermogensvoordelen

evenmin het causaal verband; het arrest bepaalt niet om welk vermogensvoordeel het gaat noch hoe de eiser I het heeft verkregen; het vermogensvoordeel genoten door FC Projects bv is niet hetzelfde als het voordeel dat de eiser I zou hebben genoten. 10. Het arrest (p. 250-251, ro 263-266) oordeelt met betrekking tot de lastens de eiser I uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen als volgt: - door de bewezen verklaarde inbreuken hebben de eisers (beklaagden-gebruikers) een illegale winst gemaakt doordat zij een beroep hebben gedaan op de diensten van een illegaal interimkantoor dat werkte aan scherpere prijzen dan normaal gezien worden aangerekend door een erkend uitzendkantoor; - het is precies dit illegaal verworven vermogensvoordeel dat dient te worden afgenomen; - de vergelijking ten opzichte van de kosten van een gewone tewerkstelling is niet het uitgangspunt; - de eisers (beklaagden-gebruikers) negeren ten onrechte het concurrentieel voordeel dat werd verworven door in tijden van schaarste op de arbeidsmarkt een beroep te kunnen doen op de flexibele toevloeiing van personeel aan scherpere prijzen dan wat normaal gangbaar is voor een dergelijke dienstverlening; - in tegenstelling tot wat de eisers voorhouden is de berekening van de sociale inspectie (map karton 5 strafdossier) correct

gestaafd aan de hand van de nodige stukken; - het hof van beroep sluit zich aan bij deze berekeningen

maakt ze tot de zijne; - lastens de eiser I wordt een bedrag van 134.061,45 euro verbeurd verklaard, zodat het illegaal vermogensvoordeel gegenereerd via FC Projects bv (ingevolge het verval van de strafvordering in deze) niet blijvend verworven zou zijn; - omdat ook wat betreft de eiser I misdaad niet mag lonen, wordt dit illegaal vermogensvoordeel niet verminderd, terwijl deze straf gelet op de aard van de feiten niet onredelijk voorkomt. Met deze redenen, waarmee de appelrechters te kennen geven dat het bedoelde vermogensvoordeel verkregen door FC Projects bv uiteindelijk door de eiser I is verkregen, stellen de appelrechters vast dat de wettelijke voorwaarden voor de bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen zijn vervuld. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel

  1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; oordelen dat het verlenen van de opschorting opportuun is teneinde de sociale reclassering niet nadelig te beïnvloeden, is tegenstrijdig met de verbeurdverklaring van het bedrag van 134.061,45 euro aan vermogensvoordelen; deze verbeurdverklaring zorgt er immers voor dat de sociale reclassering hoe dan ook negatief wordt beïnvloed.
  2. Het arrest (p. 244, ro 241) oordeelt met verwijzing naar de vermelde criteria (p. 243, ro 240) dat er valabele redenen zijn om de opschorting van de veroordeling van de eiser I te gelasten, teneinde onder andere zijn sociale reclassering niet nadelig te beïnvloeden. Het arrest (p. 250, ro 260, alsook p. 251, ro 268) oordeelt ook dat: - waar de geldboete in hoofdzaak wordt opgelegd om het gestelde crimineel gedrag terug te dringen

recidive te voorkomen, de verbeurdverklaring erop gericht is maatschappelijk herstel te realiseren; - ook wat de eiser I betreft misdaad niet mag lonen, zodat het op 134.061,45 euro bepaalde illegaal vermogensvoordeel niet wordt verminderd, terwijl deze straf gelet op de aard van de feiten niet onredelijk voorkomt. Daaruit volgt dat volgens de appelrechters de opgelegde bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen zijn sociale reclassering niet negatief zal beïnvloeden. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat hij geen vermogensvoordeel heeft genoten

dat de bijzondere verbeurdverklaring niet ten laste van de eiser I kan worden uitgesproken op grond dat dit niet meer mogelijk is lastens FC Projects bv; het beantwoordt evenmin het verweer betreffende de bepaling van de vermogensvoordelen.

  1. Met de in antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen, beantwoordt het arrest het desbetreffend verweer zowel wat betreft het bestaan van het door de eiser I zelf genoten vermogensvoordeel, als wat betreft de bepaling ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motieven van het arrest betreffende de verbeurdverklaring zijn onnauwkeurig

laten het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; het arrest oordeelt tegelijkertijd over de verbeurdverklaring ten laste van L.R., de eiser I

de eiseres II

gebruikt verschillende termen door elkaar; de eiser I slaagt er niet in om te bepalen of

welke randnummers van onderdeel II.N op hem betrekking hebben. 16. Nadat het arrest (ro 255 tot 262) onderzoekt welk vermogensvoordeel de beklaagden, andere dan de eiser I, die behoren tot de Bema-groep, hebben verkregen, bestaande uit onder meer een illegale winst, onderzoekt het arrest (ro 263) vervolgens welk vermogensvoordeel de eisers hebben verkregen (ro 263), namelijk een illegale winst gemaakt doordat een beroep werd gedaan op de diensten van een illegaal interimkantoor

bepaalt vervolgens (ro 264 tot 267) cijfermatig deze voordelen, zijnde 134.061,45 euro voor de eiser I

16.075,50 euro voor de eiseres II. Die redenen zijn voldoende nauwkeurig om de eiser I toe te laten de beslissing over de lastens hem uitgesproken bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen te begrijpen

laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres II 17. Het middel voert schending aan van de artikelen 10

11 Grondwet, alsmede miskenning van het gelijkheidsbeginsel: het arrest past de schorsingsgrond ingesteld bij koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (hierna COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020) ten onrechte toe om te kunnen vaststellen dat de verjaring van de strafvordering niet is ingetreden; dit COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 heeft een ongrondwettelijke basis

is in strijd met het gelijkheidsbeginsel; de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) (hierna Bekrachtigingswet 24 december 2020), die het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020 heeft bekrachtigd maakt geen onderscheid tussen de procedures die effectief vertraging hebben opgelopen ingevolge de COVID-gezondheidscrisis

de procedures die hierdoor geen vertraging hebben opgelopen; door dit onderscheid niet te maken schendt artikel 4, § 1, Bekrachtigingswet 24 december 2020 de artikelen 10

11 Grondwet

miskent dit het gelijkheidsbeginsel. De eiseres II verzoekt het Hof volgende vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) de artikelen 10

11 van de Grondwet

het gelijkheidsbeginsel voor zover de bij artikel 3 van koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 ingevoerde schorsing van de verjaring van de strafvordering algemeen van toepassing is, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de procedures die vertraging hebben opgelopen ingevolge de COVID-gezondheidscrisis

procedures die geen vertraging hebben opgelopen ingevolge de gezondheidscrisis?” 18. Het arrest oordeelt met verwijzing naar artikel 3 COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020

de koninklijke besluiten van 28 april 2020

13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020, dat de verjaring van de strafvordering is geschorst in de periode van 18 maart 2020 tot

met 17 juli 2020

het neemt deze schorsing in aanmerking om te oordelen dat de strafvordering tegen de eiseres II niet is verjaard. 19. Artikel 4 Bekrachtigingswet 24 december 2020 bekrachtigt het COVID-KB nr. 3 van 9 april 2020, alsook de koninklijke besluiten van 28 april 2020

13 mei 2020 tot verlenging van de maatregelen genomen bij het COVID-KB nr. 3 van 9 april

  1. Volgens artikel 34 Bekrachtigingswet 24 december 2020 treedt deze wet in werking op de datum van publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, dit is op 15 januari
  2. Het Hof is er op grond van artikel 26, § 1, 3°,

§ 2

, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof toe gehouden het Grondwettelijk Hof te bevragen over de bestaanbaarheid van artikel 4 Bekrachtigingswet 24 december 2020 met het door de artikelen 10

11 gewaarborgd grondwettelijk gelijkheids-

non-discriminatiebeginsel, volgens de in het dictum van dit arrest omschreven prejudiciële vraag.

  1. De beslissing over de middelen van de eiseres II wordt aangehouden in afwachting van een antwoord van het Grondwettelijk Hof over de gestelde prejudiciële vraag. Ambtshalve onderzoek wat betreft de eiser I
  2. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep van de eiser I. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt elke verdere beslissing over het cassatieberoep van de eiseres II aan tot het Grondwettelijk Hof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 4 van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), de artikelen 10

11 Grondwet

het daarin vervatte gelijkheids-

non-discriminatiebeginsel, voor zover de bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure

uitvoering van straffen

maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, zoals verlengd met de koninklijke besluiten van 28 april 2020

13 mei 2020, ingevoerde schorsing van de verjaring van de strafvordering algemeen van toepassing is

dus zonder een onderscheid te maken naargelang de strafprocedures wel of geen vertraging hebben opgelopen ingevolge de COVID-19-gezondheidscrisis?” Bepaalt de kosten tot op heden in het geheel op 944,41 euro, waarvan de eiser I 472,20 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis

Eric Van Dooren,

in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.