id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.7 Rolnummer: P.21.1395.N Zaak: W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 897 - laatst gezien 2026-06-19 03:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Overmacht die alsnog de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden; de fouten of nalatigheden van de lasthebber binden de lastgever wanneer zij worden begaan binnen de perken van de lastgeving en leveren als dusdanig voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht op. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Laattijdig hoger beroep - Overmacht - Draagwijdte Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: Fouten of nalatigheden van de lasthebber - Overmacht - Gevolgen Annotaties Publicaties: TBBR-Tijdschrift voor Belgisch burgerlijk recht - 2023, nr. 10, p. 482-
- - DE REY, Sébastien; Noot'De fout van de advocaat als overmacht voor de vertegenwoordigde cliënt?' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1395.N S. M. P. W., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Caroline Heymans, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 28 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 203 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters weigeren ten onrechte aan te nemen dat eisers laattijdig hoger beroep een gevolg is van overmacht wegens het stilzitten van zijn voormalige raadsman; reeds onmiddellijk na de uitspraak van de eerste rechter werd onderling afgesproken dat de raadsman hoger beroep zou instellen en tevens waren er reeds contacten om dit voor te bereiden, wat blijkt uit de in de appelprocedure neergelegde stukken; voor de eiser wees alles erop dat het hoger beroep tijdig was ingesteld; uit die informatie en die stukken kunnen de appelrechters niet afleiden dat de eiser onvoldoende voorzorgen heeft genomen en dat hij kon voorzien dat zijn raadsman geen tijdig hoger beroep zou instellen.
- In zoverre het middel een kennisname van de inhoud van dossierstukken vereist die niet is opgenomen in het bestreden vonnis zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Overmacht die alsnog de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden.
- De fouten of nalatigheden van de lasthebber binden de lastgever wanneer zij worden begaan binnen de perken van de lastgeving en leveren als dusdanig voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht op. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde feiten en omstandigheden bij het instellen van hoger beroep een geval van overmacht uitmaken. Het Hof gaat enkel na of het appelgerecht uit de feiten en omstandigheden die het in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden. Het appelgerecht kan het bestaan van overmacht uitsluiten op grond van de vaststelling dat de betrokkene niet de nodige voorzorgen heeft genomen om de toestand die hij als overmacht aanvoert, te voorkomen.
- Het bestreden vonnis verwerpt eisers aanvoering betreffende overmacht op de volgende gronden: - anders dan bij een lastgeving aan een gerechtsdeurwaarder heeft een advocaat als lasthebber geen monopolie op het instellen van hoger beroep tegen een vonnis; - de mogelijkheid dat een advocaat, net zoals iedere lasthebber, zijn opdracht niet naar behoren uitvoert, is een voorzienbaar en vermijdbaar voorval; - de eiser kon op ieder ogenblik controleren of zijn opdracht naar behoren werd uitgevoerd en kon desgevallend zelf hoger beroep tegen het eerste vonnis instellen; - de eiser bewijst dat hij reeds op 20 oktober 2020 opdracht gaf aan zijn voormalige raadsman om hoger beroep tegen het vonnis van de politierechtbank te Halle van 19 oktober 2020 in te stellen, maar niet dat hij de uitvoering van die opdracht heeft gecontroleerd; - het feit dat de voormalige raadsman was gekozen door eisers rechtsbijstandsverzekeraar, doet hieraan niet af en leidt er des te meer toe om duidelijke instructies te geven en de uitvoering daarvan zelf te controleren. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat er voor de eiser geen sprake is van overmacht en dat zijn hoger beroep bijgevolg laattijdig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel ook schending van artikel 6 EVRM aanvoert, is het afgeleid uit voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.986 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240417.2F.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div