id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3 Rolnummer: C.21.0274.N Zaak: V. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 1078 - laatst gezien 2026-06-19 05:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het recht op rechtszekerheid houdt als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in dat burgers moeten kunnen vertrouwen op wat zij niet anders kunnen opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidslijn van de overheid
(1)Zie Cass. 31 januari 2020, AR F.18.0025.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.5, AC 2020, nr. 90; Cass. 7 april 2016, AR F.14.0209.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6, AC 2016, nr. 246; Cass. 11 februari 2011, AR F.09.0161.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3, AC 2011, nr. 123; Cass. 10 december 2009, AR F.08.0038.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.2, AC 2009, nr. 736 met concl. van toenmalig advocaat-generaal D. THIJS; Cass. 29 november 2004, AR S.03.0057.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041129.4, AC 2004, nr. 574; RvS 6 maart 2018, nr. 240.914; RvS 24 oktober 2017, nr. 239.534; RvS 14 februari 2017, nr. 237.373; RvS 19 januari 2016, nr. 233.527; RvS 21 januari 2015, nr. 229.890; RvS 22 maart 2013, nr. 222.953; RvS 22 maart 2012, nr. 218.585; RvS 24 maart 2011, nr. 212.234; RvS 23 december 2010, nr. 210.
- Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemene beginselen van behoorlijk bestuur - Recht op rechtszekerheid - Vaste gedrags-of beleidslijn van de overheid - Gevolg Fiche 3 De dwangsom verbeurt verder zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Verbeuren van de dwangsom - Duurtijd Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0274.N
- F. V.,
- C. N., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50, bus 1, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 oktober
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 24 januari 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De algemene beginselen van behoorlijk bestuur omvatten het recht op rechtszekerheid, dat inhoudt dat burgers moeten kunnen vertrouwen op wat zij niet anders kunnen opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidslijn van de overheid. Daaruit volgt dat de overheid de aldus opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel niet mag beschamen. Indien een burger in redelijkheid had dienen te beseffen dat de opgewekte verwachtingen niet kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan het rechtszekerheidsbeginsel niet worden ingeroepen. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij de burger gerechtvaardigde verwachtingen zijn opgewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip gerechtvaardigde verwachtingen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Krachtens artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. De dwangsom verbeurt verder zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is.
- De appelrechters stellen vast dat: - de eisers aan een aangekocht woonhuis met aanhorigheden verbouwingswerken uitvoerden zonder voorafgaande en uitdrukkelijke vergunning; - de eisers bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van 27 juni 2002 werden veroordeeld tot onder meer het herstel in de vorige toestand binnen de drie maanden nadat het vonnis in kracht van gewijsde zou treden, op straffe van een dwangsom van 123,95 euro per dag vertraging; - de Bestendige Deputatie bij beslissing van 19 februari 2003 een stedenbouwkundige vergunning afleverde, hoewel dit voorheen steeds als onverenigbaar met het gewestplan was aangemerkt; - het vonnis van 27 juni 2002 op 18 november 2004 aan de eisers werd betekend met het oog op het opeisen van de dwangsom; - de eisers met verwijzing naar de inmiddels bekomen regularisatievergunning verzet aantekenden tegen het uitvoerend beslag op roerend goed dat de verweerder op 20 september 2007 legde; - de beslagrechter bij beschikking van 11 maart 2008 de toegekende regularisatievergunning van 19 februari 2003 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing liet aangezien deze kennelijk niet in overeenstemming met de ter zake van toepassing zijnde wetten was tot stand gekomen; - het hof van beroep te Gent bij arrest van 31 maart 2015 de bestreden beschikking van 11 maart 2008 bevestigde; - de verweerder bij exploten van 27 december 2017 en 17 januari 2019 uitvoerend beslag op onroerend respectievelijk roerend goed legde, strekkende tot betaling van verbeurde dwangsommen over de periode van 11 maart 2008 tot en met 8 december 2017 respectievelijk 16 april 2018; - de eisers tegen beide uitvoerende beslagen verzet aantekenden; - de eerste rechter de beide beslagen regelmatig en rechtmatig achtte, doch voor een te hoog bedrag omdat de dwangsommen maar waren verbeurd vanaf 1 april 2015; - pas in mei 2018 aan de hoofdveroordeling werd voldaan. Hij oordeelt dat: - de schuldvordering waarvoor beslag werd gelegd, zeker, liquide en opeisbaar is en er geen afbreuk is gedaan aan de actualiteit van de titel waarvan de uitvoering wordt nagestreefd; - het de eisers sedert de bij voorraad uitvoerbare beschikking van 11 maart 2008, welke bij arrest van 31 maart 2015 werd bevestigd voor wat betreft de buitentoepassingverklaring van de regularisatievergunning van 19 februari 2003, duidelijk moest zijn dat ze zich niet aan een aantasting van de actualiteit van de titel door die regularisatievergunning konden verwachten; - de verweerder terecht aanspraak maakt op dwangsommen vanaf 11 maart 2008, datum waarop met een bij voorraad uitvoerbare beschikking werd geoordeeld dat er gelet op artikel 159 Grondwet geen sprake was van een regularisatie die de actualiteit van de dwangsomtitel kon aantasten; - het hof van beroep het niet eens is met het standpunt van de eerste rechter om de dwangsommen slechts toe te kennen vanaf het ogenblik waarop die beslissing door het hof van beroep te Gent werd bevestigd; - dit hoger beroep geen schorsende werking had en het risico om de uitvoerbare beslissing te negeren het gevolg was van een weloverwogen beslissing van de eisers die zich op dat vlak in het huidige executiegeschil niet met succes op het rechtszekerheidsbeginsel kunnen beroepen; - het arrest van het hof van beroep te Gent van 31 maart 2015, als beslagrechter in hoger beroep oordelend over het verzet tegen een uitvoerend beslag op roerend goed van 20 september 2007 waarbij dwangsommen werden ingevorderd tot en met 4 juli 2007, voor wat zijn beslissing betreft dat de eisers gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet gehouden konden zijn tot de dwangsommen die met dat proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag van 20 september 2007 lastens hen werden ingevorderd, geen uitspraak heeft gedaan die zich uitstrekt tot latere tenuitvoerleggingen op basis van diezelfde titel, met betrekking tot dwangsommen verbeurd na de periode die toen ter beoordeling voorlag; - het hof van beroep te Gent de eisers er op 31 maart 2015 zelfs uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de dwangsomtitel wel degelijk nog aanleiding kon geven tot tenuitvoerlegging, ook voor wat de dwangsommen voor latere periodes betreft; - het rechtszekerheidsbeginsel in deze zaak ondoeltreffend is, nu de eisers zich ervan bewust moesten zijn dat het risico om een bij voorraad uitvoerbare beslissing te negeren volledig op henzelf rustte; - de eisers zich thans niet met goed gevolg kunnen beroepen op een rechtsonzekerheid die de rechten van de verweerder verder zou kunnen beperken aangezien zij dat risico wetens en willens hebben genomen, hoewel de regularisatievergunning kennelijk onverenigbaar was met de pertinente motieven die eerder tot weigering tot regularisatie hadden geleid.
- Op deze gronden konden de appelrechters naar recht oordelen dat de eisers zich niet op het rechtszekerheidsbeginsel kunnen beroepen en de verweerder terecht aanspraak maakt op dwangsommen vanaf 11 maart 2008, zonder dat zij dienden vast te stellen dat de eisers op 11 maart 2008 effectief kennis hebben genomen van het vonnis van de beslagrechter en dat de grieven die zij ter staving van hun hoger beroep tegen dit vonnis aanvoerden van iedere ernst waren ontdaan. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 779,62 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220310.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241129.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981207.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041129.4 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110211.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160407.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200131.1F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div