← België

V. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220317.1N.1 Rolnummer: C.21.0373.N Zaak: V. contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 1624 - laatst gezien 2026-06-19 13:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het volstaat niet dat tijdens het huwelijk eigen gelden zijn terechtgekomen op een bankrekening, hetzij op naam van beide echtgenoten hetzij op naam van een van beide echtgenoten, waarop het wettelijke vermoeden van gemeenschap van toepassing is om te bewijzen dat er vermenging is opgetreden tussen de eigen gelden en de gemeenschapsgelden; de vermenging moet onomkeerbaar zijn ingevolge bewerkingen op de bankrekening zodat de eigen gelden niet langer individualiseerbaar zijn en daadwerkelijk in het gemeenschappelijk vermogen zijn terechtgekomen

(1)
(2).
(1)Cass. 4 juni 2020, AR C.19.0192.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.4, AC 2020, nr. 366.
(2)Zie Cass. 21 januari 2011, AR C.10.0228.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.7, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: HUWELIJKSGEMEENSCHAP Vrije woorden: Onomkeerbare vermenging van eigen gelden en gemeenschapsgelden - Vergoeding aan eigen vermogen - Bewijs Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1434 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Artt. 8.1, 9°, en 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: BEWIJS - BELASTINGZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1434 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Artt. 8.1, 9°, en 8.29 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2022, nr. 1761, p. 6-
  2. - AYDOGAN, Ayfer; Noot'Vermenging eigen en gemeenschappelijk geld: welke impact op Vlaamse erfbelasting' Fiscologue-Fiscologue - 2022, n° 1761, p. 6-
  3. - AYDOGAN, Ayfer; Note'Confusion fonds propres/fonds communs et impôt successoral flamand' T.Fam.-Tijdschrift voor familierecht - 2023, nr. 1, p. 24-
  4. - THIJS, Annelore; Noot'Vergoedingen door het gemeenschappelijk vermogen: de vereiste van een onomkeerbare vermenging bij de storting van eigen gelden op een bankrekening' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0373.N A. V., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. H., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 april
  5. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  6. Artikel 1434 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd is ten belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een der echtgenoten.
  7. De echtgenoot die een vergoeding vordert ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, moet bewijzen dat eigen gelden in dat gemeenschappelijk vermogen zijn terechtgekomen. Hij dient meer bepaald te bewijzen dat er vermenging is opgetreden tussen de eigen gelden en de gemeenschapsgelden. De loutere omstandigheid dat tijdens het huwelijk eigen gelden zijn terechtgekomen op een bankrekening, hetzij op naam van beide echtgenoten hetzij op naam van een van beide echtgenoten, waarop het wettelijke vermoeden van gemeenschap van toepassing is, volstaat daartoe niet. De vermenging van de eigen gelden met gemeenschapsgelden moet onomkeerbaar zijn ingevolge bewerkingen op de bankrekening zodat de eigen gelden niet langer individualiseerbaar zijn en daadwerkelijk in het gemeenschappelijk vermogen zijn terechtgekomen.
  8. Het bewijs van een onomkeerbare vermenging van eigen gelden met gemeenschapsgelden kan worden geleverd aan de hand van feitelijke vermoedens. Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 8.1, 9°, en 8.29 Burgerlijk Wetboek, uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit. Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden, dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen, niet miskennen of denatureren. Hij mag namelijk aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen verbinden die op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord.
  9. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de partijen gehuwd waren onder een gemeenschapsstelsel en inmiddels definitief uit de echt zijn gescheiden; - deze procedure handelt over de aangehouden bezwaren van de partijen tegen de notariële werkzaamheden tot vereffening-verdeling van hun huwelijksvermogen; - de verweerster een vergoeding vordert ten laste van het gemeenschappelijk vermogen eensdeels ten bedrage van 24.042,83 euro meer interest en anderdeels ten bedrage van 96.071,78 euro meer interest; - de verweerster aantoont dat erfenisgelden van haar vader ten bedrage van 24.042,83 euro zijn terechtgekomen op een bankrekening op haar naam; - de verweerster eveneens aantoont dat de verkoopopbrengst van een eigen goed ten bedrage van 96.071,78 euro is terechtgekomen op dezelfde bankrekening op haar naam; - deze bankrekening werd aangewend voor de huwelijksgemeenschap en, gelet op de werking van het gemeenschapsstelsel, een gemeenschappelijk karakter heeft; - de loutere omstandigheid dat de eigen gelden zijn terechtgekomen op een gemeenschappelijke rekening niet volstaat om de vergoeding toe te kennen; - de echtgenoot die een vergoeding vordert ten laste van het gemeenschappelijk vermogen bijkomend moet bewijzen dat er vermenging is opgetreden tussen de eigen gelden en gemeenschapsgelden, maar niet noodzakelijk dat de huwelijksgemeenschap voordeel heeft gehaald uit de eigen gelden; - de verweerster de vereiste vermenging aantoont, aangezien uit de voorgelegde stukken blijkt dat haar loon op de bankrekening werd gestort en dat via deze rekening gemeenschappelijke kosten werden betaald. De appelrechter geeft daarbij te kennen dat: - het gaat om een onomkeerbare vermenging ingevolge bewerkingen op de bedoelde bankrekening; - ingevolge de vermenging de eigen gelden niet langer individualiseerbaar waren en daadwerkelijk in het gemeenschappelijk vermogen zijn terechtgekomen.
  10. De appelrechter die op grond van voormelde redenen oordeelt dat het gemeenschappelijk vermogen aan de verweerster een vergoeding is verschuldigd eensdeels ten bedrage van 24.042,83 euro meer interest en anderdeels ten bedrage van 96.071,78 euro meer interest, miskent het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet en verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 501,26 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220317.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250220.1F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200604.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.