id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: Valsheid in geschriften - Beschermd geschrift - Staat van de vordering van bouwwerken - Mogelijkheid van controle op de vermelde prestaties - Betwisting van de staat van de werken voor de burgerlijke rechter - Invloed van het burgerlijk geding op de voorwaarde van het geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen - Grens Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2023, nr. 3, p. 155-
- - SPRIET, Bart; Noot'Strafbare valsheid en strafbaar gebruik vereisen een door de wet beschermd geschrift' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1487.N IMMO YAMAN bv, met zetel te 2018 Antwerpen, Regine Beerplein 1/402, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 222, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BOUWGROEP PROBUILD bv, met zetel te 2170 Antwerpen, Oostkaai 25/02, inverdenkinggestelde, G. J. A. C., inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 193 “e.v.” Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat “de eindvordering” geen maatschappelijke bewijswaarde bezit en niet geniet van het openbaar vertrouwen omdat de inhoud ervan pas kan worden aangenomen onder voorbehoud van controle of nazicht; dit document betreft een vorderingsstaat van een bouwproject waarin maar liefst 1.000 uren teveel werden aangerekend; de aangerekende uren worden enkel aangetoond door een door de tweede verweerder opgesteld excel-document zonder de voorlegging van een Dimona-aangifte; het was voor de eiseres onmogelijk om controle uit te voeren op deze vorderingsstaat; over die vordering is een geschil aanhangig bij de ondernemingsrechtbank; wanneer een geschrift is bestemd om de gegrondheid van de aanspraak van een partij in een gerechtelijke procedure aan te tonen, is het niet bestemd voor de partij die het kan betwisten, maar voor een rechterlijke instantie, waarvan het toezicht betrekking heeft op de bewijswaarde van dit stuk, zodat het een bij wet beschermd stuk betreft; ten aanzien van de gerechtelijke overheden kan een dergelijk stuk een valsheid in geschriften opleveren omdat zij van de waarheid van de valselijk erin aangegeven feiten kunnen worden overtuigd.
- In zoverre het middel schending aanvoert van niet nader bepaalde artikelen van het Strafwetboek volgend op artikel 193 Strafwetboek, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Het misdrijf van valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
- Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringen, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
- Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, zoals een door een uitvoerder van een bouwwerk opgestelde en voor de opdrachtgever bestemde vorderingsstaat, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Dit is slechts anders wanneer de controle van de in het geschrift voorkomende vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk is of deze controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt. Het staat aan de rechter te oordelen of dit het geval is.
- Uit de omstandigheid dat de bestemmeling van een vorderingsstaat de juistheid van de erin vervatte gegevens betwist en de rechter in een burgerlijke procedure zich moet uitspreken over de aanspraken van de opsteller en de bestemmeling onder meer op basis van de vorderingsstaat, volgt niet dat die vorderingsstaat werd gebruikt in een rechtsverhouding met een derde, zich daardoor aan het openbaar vertrouwen opdringt en aldus het karakter krijgt van een door de wet beschermd geschrift. De vorderingsstaat wordt immers in een dergelijk geval opgesteld voor de bestemmeling ervan en niet ten behoeve van de rechterlijke overheid.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: aan de basis van de betwisting tussen partijen ligt een zogenaamde “eindvordering” van de eiseres voor van 31 december 2018 in verband met de uitvoering en de afrekening van de werken “in regie”; er is een geschil hangende voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen; de eiseres, die overigens meerdere protesten in verband met de werken en de afrekeningen uitbracht, betwist de regie-uren, de (goede) uitvoering van de werken, de conformiteit met de offertes, de werken in meer of in min en de overschrijding van de termijnen van uitvoering; de eiseres houdt voor dat uren dubbel werden aangerekend met de contracten; tussen partijen werd getracht een overeenkomst te bereiken, maar dit lukte niet, zodat het geschil bij dagvaarding van 8 mei 2019 aan de ondernemingsrechtbank werd voorgelegd; de strafklacht is zonder meer te herleiden tot een handelsrechtelijke betwisting tussen partijen zonder dat er strafrechtelijke componenten aan verbonden zijn; de zogenaamde “eindvordering” is een privaat geschrift waarvan de inhoud slechts wordt aangenomen onder voorbehoud van controle of nazicht, dat geen maatschappelijke bewijswaarde geniet en zich niet opdringt aan het openbaar vertrouwen; de bewering van de eiseres dat de verweerders, haar handelspartners, geen medewerking wilden verlenen of dat zij met bijzonder opzet zouden hebben gehandeld, doet daaraan geen afbreuk. Met die redenen, waarmee de appelrechters te kennen geven dat het voor de eiseres niet onmogelijk was de juistheid te controleren van de in de vorderingsstaat vervatte gegevens en zij oordelen dat de staat niet werd opgesteld ten behoeve van de gerechtelijke overheid maar wel voor de eiseres, verantwoordt het arrest de beslissing dat de vorderingsstaat geen door de wet beschermd geschrift is naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,71 euro, waarvan 45,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940615.14 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950919.1 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040505.17 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150225.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div