← België

ANKARAMA

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 5ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 12 - 16 Om zijn aanspraak op de verbeurdverklaarde goederen te laten gelden, kan de derde voor de strafrechter een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt, dit is naargelang het geval verzet, hoger beroep of cassatieberoep; in die zin wordt de derde ingevolge de verbeurdverklaring van rechtswege een partij in het strafproces en beschikt hij over dezelfde rechtsmiddelen die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan; geen miskenning van enig recht van de derde kan worden afgeleid uit het feit dat hijzelf het initiatief dient te nemen om zijn aanspraken te laten gelden; bovendien belet niets dat het rechtsmiddel dat de derde kan instellen nadat hij op de hoogte is gebracht van de beslissing tot verbeurdverklaring, onderworpen is aan redelijke beperkingen; dat een derde nadeel kan ondervinden van de lastens een beklaagde bevolen verbeurdverklaring doet als dusdanig geen afbreuk aan het feit dat die straf enkel is opgelegd aan de beklaagde als sanctie voor een lastens hem bewezen verklaard misdrijf en dat zij niet is opgelegd aan de derde zelf; bijgevolg miskent die verbeurdverklaring het vermoeden van onschuld van de derde niet en zijn bepalingen die specifiek gelden voor een beklaagde, zoals artikel 6.3.a EVRM en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, als dusdanig niet van toepassing op die derde; dat sluit evenwel niet uit dat die derde in het algemeen aanspraak kan maken op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op informatie over de aard en redenen van de beschuldiging - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Verbeurdverklaring zonder dat de eigenaar is opgeroepen in de strafprocedure - Motivering van de straf - Invloed van de straf op de proceswaarborgen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Rechtsmiddelen die toekomen aan de gewone partijen in het strafproces - Redelijke beperkingen aan de rechtsmiddelen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.2 en 6.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 187, 195, 202, 203, 204, 359, 423 en 424 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 17 - 20 De derde die een rechtsmiddel instelt tegen de beslissing tot verbeurdverklaring, doet dat weliswaar ter vrijwaring van zijn vermogen tegen een burgerrechtelijk gevolg van die straf, maar maakt daardoor nog geen loutere eigendomsbetwisting bij de rechter aanhangig; de verbeurdverklaring die aan zijn rechtsmiddel ten grondslag ligt, is immers een straf die aan een beklaagde is opgelegd; bovendien moet de derde voor de rechter die van zijn rechtsmiddel kennisneemt, elk verweer kunnen aanvoeren dat ertoe strekt dat de verbeurdverklaring tegenover hem geen uitwerking heeft; aldus kan de derde voor die rechter verweer voeren, niet enkel over het bestaan van zijn burgerlijk eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de lastens de beklaagde bevolen verbeurdverklaring; de rechter moet dat verweer onderzoeken in zoverre hij de verbeurdverklaring tegenover die derde niet op een andere grond teniet doet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aard en voorwerp van de betwisting - Omvang Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Oproeping van de eigenaar in de strafprocedure - Verzuim - Regelmatigheid van de straf - Rechten van de derde te goeder trouw Wettelijke bepalingen:

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 21 - 25 Het rechtsmiddel van derdenverzet staat slechts open tegen beslissingen die door een burgerlijk gerecht zijn gewezen en beslissingen van een strafgerecht dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen; het gegeven dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, volstaat niet om tegen die beslissing derdenverzet toe te laten; aangezien de verbeurdverklaring een straf is, kan artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek dan ook niet worden toegepast in het kader van de aanspraken van een derde op verbeurdverklaarde goederen; een derde die beweert eigenaar te zijn van verbeurdverklaarde goederen, moet ook niet noodzakelijk een rechtsmiddel instellen voor de strafrechter; hij kan ook andere procedurele mogelijkheden aanwenden zoals het formuleren van zijn aanspraken voor de burgerlijke rechter op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak; stelt de derde evenwel een rechtsmiddel voor de strafrechter in, dan zijn daarop de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing; dat een derde in dat geval wordt gelijkgesteld met een veroordeelde beklaagde die verstek heeft gelaten, is niet onvoorzienbaar; die omstandigheid houdt dan ook geen ontoelaatbare uitbreiding in van de toepassing van artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering, maar verleent aan de betrokkene naar analogie met een bij verstek veroordeelde beklaagde het bijkomende recht verzet te kunnen instellen tijdens een buitengewone termijn die pas begint te lopen vanaf het moment van de effectieve kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aanspraken voor de burgerlijke rechter op basis van het KB van 9 augustus 1991 - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gelijkstelling met een veroordeelde die bij verstek is berecht - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Aanspraken voor de burgerlijke rechter op basis van het KB van 9 augustus 1991 - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gelijkstelling met een veroordeelde die bij verstek is berecht - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Verzet van de derde-eigenaar - Aard en termijnen van het rechtsmiddel - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de derde te goeder trouw - Toegang tot de strafrechter - Ontoelaatbaarheid van het derdenverzet - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Verzet van de derde-eigenaar - Aard en termijnen van het rechtsmiddel - Voorzienbaarheid van de regels over het verzet in de gewone en buitengewone termijn - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1122 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak - 09-08-1991 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1991010216 Fiches 26 - 29 Een wettelijke bepaling heeft uit haar aard een algemeen karakter en kan zodoende van toepassing zijn op een veelheid aan situaties die niet allemaal specifiek door die bepaling kunnen worden geregeld; het staat aan de rechter om een dergelijke bepaling uit te leggen en in dat kader te beoordelen welke situaties en personen onder de toepassing ervan kunnen vallen; daarbij dient de rechter acht te slaan op de duidelijkheid en de voorspelbaarheid van die bepaling voor de persoon op wie ze van toepassing kan zijn, rekening houdend met onder meer de bewoordingen van de bepaling, de evolutie van de maatschappij en het recht sinds de invoering ervan en de wijze waarop ze door de rechtspraak wordt uitgelegd; het vereiste van de strikte uitlegging van de strafwet verbiedt de rechter niet een bepaling die behoort tot de strafrechtspleging toepasselijk te verklaren op een persoon wiens situatie in die bepaling niet uitdrukkelijk is geregeld; de rechtspraak aanvaardt sinds geruime tijd dat een derde tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt van goederen waarop hij aanspraak maakt, de rechtsmiddelen kan aanwenden die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan, met inbegrip van het verzet, en dat hij zijn aanspraken voor het eerst op verzet kan laten gelden, aangezien hij van rechtswege partij in het geding is, ook al is hij daarin niet verschenen of opgeroepen; indien niet blijkt dat de bij verstek veroordeelde beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing, kan hij in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn; die bepaling kan op grond van de bewoordingen ervan worden toegepast op een derde wiens goed is verbeurd verklaard en die niet verscheen of is opgeroepen in het strafproces
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring - Goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de eigenaar te goeder trouw die niet in het strafproces verscheen of is opgeroepen - Toepassing van de regels over het verzet van de bij verstek veroordeelde beklaagde - Voorspelbaarheid van de regels over het verzet - Verzet in de gewone of buitengewone termijn - Toepassing Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 30 - 33 Voor een persoon die kennis neemt van de betekening van een beslissing waarbij goederen worden verbeurdverklaard waarvan hij voorhoudt eigenaar te zijn, alsook van een modelformulier waarin wordt uitgelegd over welke rechtsmiddelen een bij verstek veroordeelde persoon in strafzaken beschikt, moet het ook bij afwezigheid van een aan die bijzondere situatie aangepaste wetsbepaling of formulier duidelijk zijn dat hij, indien hij tegen die beslissing verzet wil instellen, dat moet doen binnen de wettelijk bepaalde termijn van verzet zoals die ook is vermeld in dat formulier; dit is des te meer het geval wanneer die persoon, steeds bijgestaan door een advocaat, feitelijk op de hoogte was van de beslissing tot verbeurdverklaring en van de strafprocedure die tot deze beslissing heeft geleid, ook al was hij in die procedure niet formeel opgeroepen of was hij niet verplicht daarin tussen te komen; het is voor die derde ook niet onvoorzienbaar dat het verzet dat hij tegen de beslissing kan instellen tijdsgebonden is aangezien er binnen een redelijke termijn zekerheid moet komen over de bestemming van de verbeurdverklaarde goederen; bijgevolg heeft de derde geen recht op verzet zonder enige tijdsbeperking of op de beoordeling van de gegrondheid van zijn aanspraak door een rechter, ongeacht de niet-ontvankelijkheid van zijn verzet wegens de laattijdigheid ervan; hieruit volgt dat artikel 187 Wetboek van Strafvordering voor de derde die kennis heeft genomen van de voormelde betekening en kennisgeving, voldoende duidelijk en voorspelbaar is om de termijn te kennen waarbinnen hij verzet dient aan te tekenen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring; door het feit dat de derde binnen de in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen, eventueel verlengd ingevolge het bestaan van een situatie van overmacht, verzet kan instellen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring die hem benadeelt, worden de rechten van de derde geëerbiedigd, zoals het recht op een eerlijk proces en het recht op eigendom

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijn wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Verbeurdverklaring van een goed dat toebehoort aan een derde - Rechtsmiddelen van de derde die niet was opgeroepen of niet tussenkwam in het strafproces - Betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring - Informatie over de termijnen en vormvereisten van het verzet aan de hand van een modelformulier - Voorzienbaarheid van de termijnen om ontvankelijk verzet in te stellen - Verlenging van de termijnen wegens overmacht - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 187, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 34 - 37 Het feit dat het openbaar ministerie in het strafproces lastens een beklaagde de verbeurdverklaring heeft gevorderd van goederen die ter beschikking staan van een criminele organisatie en die formeel eigendom zijn van een derde, impliceert niet dat die verbeurdverklaring een straf is die aan die derde is opgelegd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteit van de straffen - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Toelaatbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Fiches 38 - 42 Het vereiste dat de derde zijn goede trouw aannemelijk moet maken betreft de beoordeling van de gegrondheid van hetverzet en niet de ontvankelijkheid ervan; de derde moet bijgevolg geen goede trouw aantonen om verzet tegen de beslissing tot verbeurdverklaring te kunnen instellen; voor wat betreft de beoordeling van de gegrondheid van de louter burgerrechtelijke eigendomsaanspraak van de derde op de verbeurdverklaarde zaken houdt de rechter in beginsel rekening met de bewijsstandaard in burgerlijke zaken; voor wat betreft de beoordeling van de feitelijke en juridische grondslag van de verbeurdverklaring en de goede trouw van de derde, waarmee in het geval van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek wordt bedoeld dat de derde niet wist en niet kon weten dat zijn goederen ter beschikking stonden van een criminele organisatie, hanteert de rechter de bewijsstandaard in strafzaken; dit laatste wil zeggen dat de rechter zijn beoordeling steunt op het geheel van de gegevens van het strafdossier die hij, gelet op de autonomie van het strafrecht, vrij en zonder gebonden te zijn aan formele burgerrechtelijke of vennootschapsrechtelijke begrippen beoordeelt; die bewijsregeling is toepasselijk op zowel het oorspronkelijke strafproces als het proces na het verzet van de derde
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Eerste Aanvullend Protocol EVRM - Recht op eigendom - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Verbeurdverklaring - Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Bewijs van de goede trouw - Verdeling van de bewijslast Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306

Art. 43q

uater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 43 - 45 Artikel 6.3.a EVRM is niet van toepassing op de derde die aanspraak maakt op lastens een beklaagde verbeurdverklaarde goederen aangezien die derde geen persoon is tegen wie een vervolging is ingesteld; voor het overige is de derde, alleszins ingevolge de kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring, op de hoogte van de aard en de reden van de tegen de beklaagde ingebrachte beschuldiging en de redenen voor het bevelen van de verbeurdverklaring, te meer daar hij inzage en kopie kan nemen van alle stukken die aan de vervolging van de beklaagde en de verbeurdverklaring ten grondslag liggen; niet vereist is dat het openbaar ministerie opgave doet van elk gegeven van het strafdossier waarop de verbeurdverklaring steunt of het gebrek aan goede trouw van de derde blijkt; aldus is het recht van de derde op een eerlijk proces met inbegrip van zijn recht op informatie voldoende gewaarborgd en beschikt hij over voldoende tijd en middelen om zijn verdediging voor te bereiden; dat de derde zijn aanspraak voor de rechter pas aanhangig maakt in een procedure ingesteld na de beslissing tot verbeurdverklaring, heeft voor die derde dan ook geen onevenredige nadelen waardoor zijn grondrechten zijn miskend

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogen van een criminele organisatie - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.a - Recht op voldoende informatie over de aard en reden van de beschuldiging - Verbeurdverklaring - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden - Verbeurdverklaring - Goed dat geen eigendom is van de beklaagde - Rechten van de derde te goeder trouw die niet was opgeroepen in het strafproces - Informatie over de redenen van de verbeurdverklaring - Recht op inzage en kopie van alle stukken die aan de verbeurdverklaring ten grondslag liggen - Ontbreken van specifieke informatie over de verbeurdverklaring en het gebrek aan goede trouw in de betekening van de veroordelende beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.3.a en 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 6, p. 334-
  1. - TERSAGO, Pieter; Noot''Take from them, everything': over het doorgedreven afpakken van het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie en de bescherming van derden te goeder trouw' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1502.N I ANKARAMA nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 104, persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde goederen, eiseres, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, waar de eiseres woonplaats kiest. II M. J. P. K., persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde goederen, eiseres, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, waar de eiseres woonplaats kiest. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 november
  2. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 18 februari 2022 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de openbare rechtszitting van 8 maart 2022 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. De raadsman van de eiseressen heeft op 16 maart 2022 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiseres II Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 17 en 47 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, 14, 16, 149 en 159 Grondwet, de artikelen 1122 tot 1131 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 187 en 208 Wetboek van Strafvordering en artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde en het recht van verdediging. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de eiseres II, als derde die aanspraak maakt op goederen die zijn verbeurdverklaard in een procedure waarin zij niet was betrokken, haar verzet tegen de beslissing tot verbeurdverklaring moest instellen binnen de termijn die artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt voor een veroordeelde bij verstek; de eiseres II was niet gedagvaard of opgeroepen overeenkomstig artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en zij kon zich bijgevolg niet verdedigen voor de rechter die de veroordeling heeft uitgesproken; bijgevolg kon aan de eiseres II de straf van de verbeurdverklaring niet worden opgelegd en kon zij vanuit haar objectieve rechtspositie niet worden gelijkgesteld met een bij verstek veroordeelde beklaagde; het veroordelend arrest vermeldt voor wat betreft de eiseres II ook niet de toegepaste wetsbepalingen zoals vereist door artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering; het legaliteitsbeginsel laat geen analoge uitlegging van artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering toe op een persoon die daaronder niet begrepen is; het arrest had de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek in verband met het derdenverzet moeten toepassen, wat overeenstemt met het feit dat uitspraak wordt gedaan over het eigendomsrecht van de eiseres II; de termijn van vijftien dagen bepaald in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering en de termijn van drie maanden bepaald in artikel 1129 Gerechtelijk Wetboek verschillen bovendien op onevenredige wijze; ten slotte is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd omdat het enerzijds de verbeurdverklaring niet aanziet als een straf voor de toepassing van het redelijketermijnvereiste op de eiseres I, terwijl het anderzijds de verbeurdverklaring wel als een straf kwalificeert voor het te gebruiken rechtsmiddel.
  5. Uit geen enkele internationale of nationale rechtsnorm volgt dat de rechter alleen goederen kan verbeurdverklaren die eigendom zijn van de beklaagde aan wie hij deze straf oplegt of waarop enkel die beklaagde aanspraken kan laten gelden. Wel moet de persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde goederen en die niet is vervolgd of tussengekomen in het strafproces waarin de verbeurdverklaring is bevolen, de mogelijkheid hebben om zijn aanspraak voor te leggen aan een rechter die kan oordelen over de uitwerking van de verbeurdverklaring tegenover de betrokkene. Deze dreigt immers nadeel van de verbeurdverklaring te ondervinden ingevolge de uitwinning van de verbeurdverklaarde goederen of hun tegenwaarde op zijn vermogen.
  6. Artikel 43quater, § 4, Strafwetboek bepaalt: “Het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet verbeurd verklaard worden, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw.”
  7. Die bepaling vereist niet dat de verbeurdverklaarde goederen eigendom zijn van de beklaagde en laat dus de mogelijkheid open dat goederen worden verbeurdverklaard waarop een persoon die geen partij was in het strafproces, nadien een eigendomsaanspraak laat gelden. Aldus staat het feit dat die derde niet zelf is vervolgd voor het feit dat aan de verbeurdverklaring ten grondslag ligt, de regelmatigheid van die straf niet in de weg.
  8. Het feit dat het openbaar ministerie die persoon niet heeft opgeroepen overeenkomstig artikel 5ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan eventueel aanleiding geven tot schadevergoeding, maar heeft evenmin tot gevolg dat de verbeurdverklaring niet regelmatig is bevolen.
  9. Om zijn aanspraak op de verbeurdverklaarde goederen te laten gelden, kan de derde voor de strafrechter een rechtsmiddel instellen tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt, dit is naargelang het geval verzet, hoger beroep of cassatieberoep. In die zin wordt de derde ingevolge de verbeurdverklaring van rechtswege een partij in het strafproces en beschikt hij over dezelfde rechtsmiddelen die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan.
  10. Geen miskenning van enig recht van de derde kan worden afgeleid uit het feit dat hijzelf het initiatief dient te nemen om zijn aanspraken te laten gelden. Bovendien belet niets dat het rechtsmiddel dat de derde kan instellen nadat hij op de hoogte is gebracht van de beslissing tot verbeurdverklaring, onderworpen is aan redelijke beperkingen.
  11. Dat een derde nadeel kan ondervinden van de lastens een beklaagde bevolen verbeurdverklaring doet als dusdanig geen afbreuk aan het feit dat die straf enkel is opgelegd aan de beklaagde als sanctie voor een lastens hem bewezen verklaard misdrijf en dat zij niet is opgelegd aan de derde zelf. Bijgevolg miskent die verbeurdverklaring het vermoeden van onschuld van de derde niet en zijn bepalingen die specifiek gelden voor een beklaagde, zoals artikel 6.3.a EVRM en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, als dusdanig niet van toepassing op die derde. Dat sluit evenwel niet uit dat die derde in het algemeen aanspraak kan maken op de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak.
  12. De derde die een rechtsmiddel instelt tegen de beslissing tot verbeurdverklaring, doet dat weliswaar ter vrijwaring van zijn vermogen tegen een burgerrechtelijk gevolg van die straf, maar maakt daardoor nog geen loutere eigendomsbetwisting bij de rechter aanhangig. De verbeurdverklaring die aan zijn rechtsmiddel ten grondslag ligt, is immers een straf die aan een beklaagde is opgelegd. Bovendien moet de derde voor de rechter die van zijn rechtsmiddel kennisneemt, elk verweer kunnen aanvoeren dat ertoe strekt dat de verbeurdverklaring tegenover hem geen uitwerking heeft. Aldus kan de derde voor die rechter verweer voeren, niet enkel over het bestaan van zijn burgerlijk eigendomsrecht of goede trouw, maar ook over de strafrechtelijke grondslag van de lastens de beklaagde bevolen verbeurdverklaring. De rechter moet dat verweer onderzoeken in zoverre hij de verbeurdverklaring tegenover die derde niet op een andere grond teniet doet.
  13. Het rechtsmiddel van derdenverzet staat daarentegen slechts open tegen beslissingen die door een burgerlijk gerecht zijn gewezen en beslissingen van een strafgerecht dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen. Het gegeven dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, volstaat niet om tegen die beslissing derdenverzet toe te laten. Aangezien de verbeurdverklaring een straf is, kan artikel 1122 Gerechtelijk Wetboek dan ook niet worden toegepast in het kader van de aanspraken van een derde op verbeurdverklaarde goederen.
  14. Een derde die beweert eigenaar te zijn van verbeurdverklaarde goederen, moet ook niet noodzakelijk een rechtsmiddel instellen voor de strafrechter. Hij kan ook andere procedurele mogelijkheden aanwenden zoals het formuleren van zijn aanspraken voor de burgerlijke rechter op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak. Stelt de derde evenwel een rechtsmiddel voor de strafrechter in, dan zijn daarop de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van toepassing. Dat een derde in dat geval wordt gelijkgesteld met een veroordeelde beklaagde die verstek heeft gelaten, is niet onvoorzienbaar. Die omstandigheid houdt dan ook geen ontoelaatbare uitbreiding in van de toepassing van artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering, maar verleent aan de betrokkene naar analogie met een bij verstek veroordeelde beklaagde het bijkomende recht verzet te kunnen instellen tijdens een buitengewone termijn die pas begint te lopen vanaf het moment van de effectieve kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring.
  15. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Met de in het onderdeel aangehaalde redenen oordeelt het arrest, eensdeels, dat de eiseres II wel degelijk het rechtsmiddel kende dat zij kon aanwenden tegen de beslissing tot verbeurdverklaring, gelet op de procedurele en feitelijke informatie waarover zij beschikte en het feit dat zij steeds werd bijgestaan door een raadsman. Met die redenen oordeelt het arrest, anderdeels, dat het verzet van de eiseres II laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is omdat het is ingesteld na de in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde buitengewone termijn van verzet. Met die redenen is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.
  17. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit de voormelde onjuiste rechtsopvattingen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de beslissing tot verbeurdverklaring regelmatig aan de eiseres II is betekend; artikel 187 Wetboek van Strafvordering maakt voor de eiseres II geen voorzienbare wetsbepaling uit die duidelijk maakt dat zij beschikt over een concreet en effectief rechtsmiddel; de eiseres II werd evenmin voldoende ingelicht over de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen door de kennisgeving van het model van kennisgeving van de rechten van een persoon die bij verstek werd veroordeeld; de omzendbrief waarop dat model is gebaseerd, kan bovendien niet worden toegepast omdat hij in strijd is met de in het middel vermelde rechtsnormen; noch artikel 187 Wetboek van Strafvordering noch het modelformulier zijn toegesneden op de eigen rechtssituatie van de eiseres II als een persoon die geen beklaagde was en dus niet werd veroordeeld; het verschil in de termijnen bepaald in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering en artikel 1129 Gerechtelijk Wetboek is onevenredig; het arrest beoordeelt ten onrechte de ontvankelijkheid van het rechtsmiddel van de eiseres II zonder zich eerst uit te spreken over de juridische aard en de regelmatigheid van de verbeurdverklaring; het arrest verdisconteert niet het feit dat het openbaar ministerie de eiseres II niet heeft opgeroepen om tussen te komen in de procedure.
  19. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  20. Een wettelijke bepaling heeft uit haar aard een algemeen karakter en kan zodoende van toepassing zijn op een veelheid aan situaties die niet allemaal specifiek door die bepaling kunnen worden geregeld. Het staat aan de rechter om een dergelijke bepaling uit te leggen en in dat kader te beoordelen welke situaties en personen onder de toepassing ervan kunnen vallen. Daarbij dient de rechter acht te slaan op de duidelijkheid en de voorspelbaarheid van die bepaling voor de persoon op wie ze van toepassing kan zijn, rekening houdend met onder meer de bewoordingen van de bepaling, de evolutie van de maatschappij en het recht sinds de invoering ervan en de wijze waarop ze door de rechtspraak wordt uitgelegd.
  21. Het vereiste van de strikte uitlegging van de strafwet verbiedt de rechter niet een bepaling die behoort tot de strafrechtspleging toepasselijk te verklaren op een persoon wiens situatie in die bepaling niet uitdrukkelijk is geregeld.
  22. De rechtspraak aanvaardt sinds geruime tijd dat een derde tegen de beslissing die de verbeurdverklaring beveelt van goederen waarop hij aanspraak maakt, de rechtsmiddelen kan aanwenden die ook aan de gewone procespartijen ter beschikking staan, met inbegrip van het verzet, en dat hij zijn aanspraken voor het eerst op verzet kan laten gelden, aangezien hij van rechtswege partij in het geding is, ook al is hij daarin niet verschenen of opgeroepen.
  23. Artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de bij verstek veroordeelde tegen het vonnis in verzet kan komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij wat de veroordelingen tot straf betreft in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Die bepaling kan op grond van de bewoordingen ervan worden toegepast op een hier bedoelde derde.
  24. Voor een persoon die kennis neemt van de betekening van een beslissing waarbij goederen worden verbeurdverklaard waarvan hij voorhoudt eigenaar te zijn, alsook van een modelformulier waarin wordt uitgelegd over welke rechtsmiddelen een bij verstek veroordeelde persoon in strafzaken beschikt, moet het ook bij afwezigheid van een aan die bijzondere situatie aangepaste wetsbepaling of formulier duidelijk zijn dat hij, indien hij tegen die beslissing verzet wil instellen, dat moet doen binnen de wettelijk bepaalde termijn van verzet zoals die ook is vermeld in dat formulier. Dit is des te meer het geval wanneer die persoon, steeds bijgestaan door een advocaat, feitelijk op de hoogte was van de beslissing tot verbeurdverklaring en van de strafprocedure die tot deze beslissing heeft geleid, ook al was hij in die procedure niet formeel opgeroepen of was hij niet verplicht daarin tussen te komen.
  25. Het is voor die derde ook niet onvoorzienbaar dat het verzet dat hij tegen de beslissing kan instellen tijdsgebonden is aangezien er binnen een redelijke termijn zekerheid moet komen over de bestemming van de verbeurdverklaarde goederen. Bijgevolg heeft de derde geen recht op verzet zonder enige tijdsbeperking of op de beoordeling van de gegrondheid van zijn aanspraak door een rechter, ongeacht de niet-ontvankelijkheid van zijn verzet wegens de laattijdigheid ervan.
  26. Hieruit volgt dat artikel 187 Wetboek van Strafvordering voor de derde die kennis heeft genomen van de voormelde betekening en kennisgeving, voldoende duidelijk en voorspelbaar is om de termijn te kennen waarbinnen hij verzet dient aan te tekenen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring.
  27. Door het feit dat de derde binnen de in artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen, eventueel verlengd ingevolge het bestaan van een situatie van overmacht, verzet kan instellen tegen de beslissing tot verbeurdverklaring die hem benadeelt, worden de bepalingen en algemene rechtsbeginselen die het onderdeel als geschonden dan wel miskend aanvoert, geëerbiedigd.
  28. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  29. Met de reden dat de eiseres II in feite reeds geruime tijd kennis had van het strafproces waarin de verbeurdverklaring werd bevolen en zij daarin had kunnen tussenkomen indien zij dat wilde, maar zonder daartoe te zijn verplicht, betrekt het arrest de impact van haar niet-oproeping door het openbaar ministerie op de eerbiediging van haar in het middel vermelde rechten en geeft het te kennen dat die niet-oproeping haar rechten niet heeft beperkt. Die beslissing is naar recht verantwoord.
  30. Met de overige redenen van het arrest die het onderdeel aanhaalt en die dezelfde strekking hebben als hiervoor vermeld, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en eveneens naar recht verantwoord.
  31. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres II
  32. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 10, 11, 12, 14 en 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest maakt toepassing van artikel 187 Wetboek van Strafvordering; dat artikel miskent het gelijkheidsbeginsel en de grondwettelijke regel van het discriminatieverbod doordat het fundamenteel gelijke situaties voor wat betreft een derde-eigenaar van verbeurdverklaarde goederen anders behandelt; het arrest past dat artikel toe omdat het die verbeurdverklaring beschouwt als een straf, terwijl eigendomsontnemende maatregelen in andere omstandigheden door de derde-eigenaar onder de voorwaarden van het derdenverzet kunnen worden bestreden en dus van ruimere verdedigingsfaciliteiten kunnen genieten; dat onderscheid is niet pertinent, onwettig wegens de schending van de artikelen 6 en 7 EVRM en onevenredig; bijkomend is het discriminerend de eiseres II, die niet is gedagvaard, als een veroordeelde “van rechtswege” gelijk te stellen met de veroordeelde die effectief aan het strafproces ten gronde kan deelnemen. De eiser verzoekt de volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt art. 187 W. Sv. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, art. 6 EVRM, het strikte legaliteitsbeginsel (art. 7 EVRM en art. 12 en 14 Grondwet), art. 1 EP bij het EVRM en art. 16 G. W. doordat een eigenaar, alhoewel niet gedaagd in het strafproces, tot de straf van confiscatie van een deel van zijn vermogen door een arrest wordt veroordeeld, bij toepassing van art. 43 quater, § 6 Strafwetboek, en na verzet, wordt geoordeeld dat het rechtsmiddel voor dergelijk verzet in art. 187 W. Sv. te lezen is, met een normale verzettermijn van 15 dagen, terwijl bij een rechterlijk oordeel in strafzaken dat de burgerlijke belangen van een derde-eigenaar treft het derdenverzet (Ger. W. artt. 1122-1131), als algemene regel, van toepassing is, met een verzettermijn van 3 maanden na betekening en dit terwijl de inmenging in het eigendomsrecht in beide gevallen vergelijkbaar is en in beide gevallen de eigenaar niet al een veroordeelde kan worden aanzien aan wie een straf kan worden opgelegd, daar hij niet is gedaagd?”
  33. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  34. Bij arrest nr. 65/2014 van 3 april 2014 heeft het Grondwettelijk Hof (B.8.4) reeds geoordeeld: “[Het rechtsmiddel van derdenverzet] staat evenwel slechts open tegen beslissingen die door een burgerlijk gerecht zijn gewezen en beslissingen van een strafgerecht dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen. De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging van een beslissing van een strafgerecht een burgerrechtelijk gevolg heeft, volstaat niet om het in artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsmiddel open te stellen (Cass., 25 april 2001, Arr. Cass., 2001, nr. 232). Aangezien de verbeurdverklaring een bijkomende straf is, kan artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek niet worden toegepast in het kader van de teruggave van verbeurdverklaarde zaken aan de eigenaar.” De prejudiciële vraag die is afgeleid uit de onjuiste rechtsopvattingen vermeld in het antwoord op het eerste middel en die betrekking heeft op een onderwerp waarover het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan, wordt niet gesteld. Middelen van de eiseres I Eerste middel
  35. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 17 en 49 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 12, tweede lid, 14 en 16 Grondwet en artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat tegen de eiseres I geen strafvordering is ingesteld en zij niet tot een straf is veroordeeld; het arrest van 24 april 2019 heeft immers op vordering van het openbaar ministerie de eiseres I veroordeeld tot de straf van de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek; de eiseres I was echter niet vervolgd noch opgeroepen in de procedure; bijgevolg kon zij niet tot een straf worden veroordeeld en door het arrest niet worden gelijkgesteld met een veroordeelde bij verstek; die gelijkstelling en het gegeven dat artikel 43quater, § 4, Strafwetboek de verbeurdverklaring van niet-vervolgde personen toelaat, miskennen onder meer het legaliteitsbeginsel; het feit dat de eiseres I als strafrechtelijk veroordeelde na de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring verzet moet aantekenen en haar goede trouw moet aantonen om de verbeurdverklaring te betwisten en die straf te doen intrekken, is in strijd met het recht op een eerlijk proces, het recht tijdig te worden ingelicht over de aard en de redenen van de beschuldiging en het vermoeden van onschuld; de eiseres I heeft zich niet kunnen verdedigen tegen het lastens haar ingebrachte bewijs en haar aanspraken worden beoordeeld volgens de vrije bewijsstandaard in strafzaken (eerste onderdeel); door de gevolgde procedure en de daarin gehanteerde bewijsregeling wordt ook artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM geschonden (tweede onderdeel).
  36. Uit het antwoord op het eerste middel van de eiseres II blijkt dat: uit de bewoordingen van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek de mogelijkheid blijkt dat goederen van een derde, die ter beschikking staan van een criminele organisatie, lastens de beklaagde kunnen worden verbeurdverklaard; - geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel belet dat lastens een beklaagde de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken van goederen die eigendom kunnen zijn van een derde, ook al is deze niet vervolgd of niet opgeroepen in de procedure, voor zover die derde zijn aanspraken kan laten gelden ten overstaan van een rechter die daarover met volle rechtsmacht kan oordelen; - de verbeurdverklaring die lastens een beklaagde is bevolen bij een beslissing waarbij de derde geen partij was, geen schuldigverklaring of straf ten laste van die derde inhoudt; - de derde in het kader van de door hem ingestelde verzetsprocedure elk verweer kan voeren over zowel zijn burgerrechtelijke aanspraken op de verbeurdverklaarde goederen als de strafrechtelijke grondslagen van de aan de beklaagde opgelegde verbeurdverklaring.
  37. Het feit dat het openbaar ministerie in het strafproces lastens een beklaagde de verbeurdverklaring heeft gevorderd van goederen die ter beschikking staan van een criminele organisatie en die formeel eigendom zijn van een derde, impliceert niet dat die verbeurdverklaring een straf is die aan die derde is opgelegd.
  38. Het vereiste dat de derde zijn goede trouw aannemelijk moet maken betreft de beoordeling van de gegrondheid van dat verzet en niet de ontvankelijkheid ervan. De derde moet bijgevolg geen goede trouw aantonen om verzet tegen de beslissing tot verbeurdverklaring te kunnen instellen.
  39. Voor wat betreft de beoordeling van de gegrondheid van de louter burgerrechtelijke eigendomsaanspraak van de derde op de verbeurdverklaarde zaken houdt de rechter in beginsel rekening met de bewijsstandaard in burgerlijke zaken. Voor wat betreft de beoordeling van de feitelijke en juridische grondslag van de verbeurdverklaring en de goede trouw van de derde, waarmee in het geval van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek wordt bedoeld dat de derde niet wist en niet kon weten dat zijn goederen ter beschikking stonden van een criminele organisatie, hanteert de rechter de bewijsstandaard in strafzaken. Dit laatste wil zeggen dat de rechter zijn beoordeling steunt op het geheel van de gegevens van het strafdossier die hij, gelet op de autonomie van het strafrecht, vrij en zonder gebonden te zijn aan formele burgerrechtelijke of vennootschapsrechtelijke begrippen beoordeelt. Die bewijsregeling is toepasselijk op zowel het oorspronkelijke strafproces als het proces na het verzet van de derde.
  40. Artikel 6.3.a EVRM is niet van toepassing op de derde die aanspraak maakt op lastens een beklaagde verbeurdverklaarde goederen aangezien die derde geen persoon is tegen wie een vervolging is ingesteld. Voor het overige is de derde, alleszins ingevolge de kennisneming van de betekening van de beslissing tot verbeurdverklaring, op de hoogte van de aard en de reden van de tegen de beklaagde ingebrachte beschuldiging en de redenen voor het bevelen van de verbeurdverklaring, te meer daar hij inzage en kopie kan nemen van alle stukken die aan de vervolging van de beklaagde en de verbeurdverklaring ten grondslag liggen. Niet vereist is dat het openbaar ministerie opgave doet van elk gegeven van het strafdossier waarop de verbeurdverklaring steunt of het gebrek aan goede trouw van de derde blijkt. Aldus is het recht van de derde op een eerlijk proces met inbegrip van zijn recht op informatie voldoende gewaarborgd en beschikt hij over voldoende tijd en middelen om zijn verdediging voor te bereiden.
  41. Dat de derde zijn aanspraak voor de rechter pas aanhangig maakt in een procedure ingesteld na de beslissing tot verbeurdverklaring, heeft voor die derde dan ook geen onevenredige nadelen waardoor zijn grondrechten zijn miskend.
  42. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij eveneens naar recht.
  43. Voor het overige hebben de onderdelen dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres II en kunnen zij om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 17, 47 en 49 Handvest Grondrechten EU, artikel 149 Grondwet, artikel 43quater, § 4, Strafwetboek en de artikelen 3.22 en 3.30 Burgerlijk Wetboek: het arrest staat de verbeurdverklaring toe omdat de eiseres I haar goede trouw niet aantoont; met dat vereiste wordt aan de eiseres I zonder wettelijke basis en op grond van een onwettige straf een excessieve en onevenredige bewijslast opgelegd; het is onevenredig de eigendom van de eiseres I verbeurd te verklaren terwijl zij geen misdrijf heeft gepleegd en niet is vervolgd wegens het in artikel 324ter Strafwetboek bepaalde misdrijf; het arrest laat na het billijke evenwicht te toetsen tussen het algemeen belang en de individuele patrimoniale rechtspositie van de eiseres I aan de hand van haar concreet gedrag; er zijn hier geen fondsen of andere activa die waren bestemd om te dienen voor de activiteiten van een criminele organisatie; er is geen verband tussen de verbeurdverklaarde goederen en het bewezen verklaarde misdrijf; de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek is een persoonlijke straf die niet kan worden opgelegd aan de eiseres I als niet-vervolgde derde; de toepassing van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek is uitgesloten voor derden te goeder trouw; goede trouw wordt vermoed en in geval van onroerende goederen wordt de wettige titel te goeder trouw bewezen door de hypothecaire overschrijving; subjectieve goede trouw is aanwezig wanneer de derde kan geloven over een rechtmatige eigendomstitel te beschikken; het bezit van de twee verbeurdverklaarde woonhuizen heeft een deugdelijk karakter; ook de gebeurlijke wederrechtelijk inbreng van de gelden in de eiseres I kan niet tot gevolg hebben dat de goede trouw van de eiseres I wordt uitgesloten; het arrest kan niet steunen op het ganse strafdossier om uit zelf gekozen gegevens daarvan het gebrek aan goede trouw van de eiseres I af te leiden; de eiseres I is nooit geconfronteerd met en heeft nooit tegenspraak kunnen voeren over de concrete aanwijzingen dat de verbeurdverklaarde onroerende goederen en gelden ter beschikking stonden van een criminele organisatie en dat zijzelf te kwader trouw is; van de eiseres I kan geen negatief bewijs worden verwacht, noch mag de bewijslast in haar nadeel worden omgekeerd.
  45. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  46. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de beide eiseressen, is het om de daar vermelde redenen te verwerpen.
  47. Voor het bestaan van goede trouw bij de derde die een eigendomsaanspraak laat gelden op verbeurdverklaarde goederen volstaat het niet dat die derde op een formele en aan derden tegenstelbare wijze eigenaar is van die goederen of dat hij beschikt of kan geloven te beschikken over een rechtsmatige bezitstitel. Daarenboven is vereist dat die derde gegevens aanvoert waaruit op aannemelijke wijze blijkt dat hij niet wist en niet kon weten dat zijn goederen ter beschikking stonden van een criminele organisatie in de zin van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. Die aanvoeringslast is verantwoord door het feit dat de verbeurdverklaring hier kan worden bevolen zonder eigendomsvoorwaarde en door de eigen aanspraken van de derde. Dit betekent niet dat de bewijslast van de goede trouw bij deze laatste ligt in plaats van bij het openbaar ministerie. Vervolgens beslist de rechter op grond van de gegevens van het strafdossier en de hem in de procedure op verzet bijkomend aangereikte gegevens onaantastbaar of de derde te goeder trouw is in de zin van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  48. Het arrest (p. 22-34) oordeelt onder meer: - de eiseres I is de patrimoniumvennootschap die in handen was van beklaagde R.M., lastens wie de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek is uitgesproken; - de overheid heeft het recht om onder bepaalde voorwaarden eigendom te ontnemen of het gebruik ervan te reguleren mits de overheidsinmenging een wettelijke basis heeft, een legitiem doel nastreeft en er een evenredige verhouding bestaat tussen het beoogde doel en de ingezette middelen. De inmenging moet een juist evenwicht bewerkstelligen tussen de vereisten van het algemeen belang van de gemeenschap en de noodzaak om de fundamentele rechten van het individu, waaronder het eigendomsrecht, te beschermen. Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel; - de verbeurdverklaring werd uitgesproken op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, namelijk als vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie waarvan R.M. de leider was. Het gaat om een duidelijke wettelijke bepaling die een rechtmatig doel nastreeft, namelijk het gehele vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie ontnemen zodat deze haar slagkracht verliest en alzo de georganiseerde criminaliteit effectief aan te pakken en te bestrijden; - het gaat hier om een criminele organisatie die de fiscale en economische ordening ernstig ondermijnt. R.M. was de leider van deze criminele organisatie en verrijkte zichzelf en zijn vennootschappen hiermee. De uitgesproken verbeurdverklaring van het vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie is evenredig met de omvang en de aard van de feiten, de gegenereerde vermogensvoordelen binnen deze criminele organisatie en de cruciale rol van R.M. in deze organisatie; - doordat de rechter het vermogen van de criminele organisatie in principe slechts zal verbeurdverklaren wanneer dit geen afbreuk doet aan de rechten van derden te goeder trouw en derden te goeder trouw de mogelijkheid te geven om op diverse wijzen de verbeurdverklaring van de goederen te verhinderen of aan te vechten, is er een juist evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang van de samenleving om zware criminaliteit te bestrijden en financieel lam te leggen en de noodzaak tot bescherming van het eigendomsrecht van een individu; - de verbeurdverklaring van een goed van een derde wordt op zich niet strijdig geacht met het Europees recht. In welke mate er sprake is van een derde te goeder trouw die niet wist of kon weten dat zijn goed werd gebruikt om een strafbaar feit te plegen, betreft de beoordeling ten gronde; - het vaststellen van het gebrek aan goede trouw is niet gelijk te stellen met een schuldigverklaring aan een misdrijf en houdt niet automatisch een miskenning van het vermoeden van onschuld in; - het is ook niet zo dat de derde-eigenaar die niet in de procedure aanwezig was en een rechtsmiddel aanwendt tegen de verbeurdverklaring, zijn goede trouw moet bewijzen. Het hof van beroep leidt het al dan niet bestaan van de goede trouw af uit een geheel aan elementen zonder dat de bewijslast van de goede trouw volledig bij de eiseres I wordt gelegd. Wel mag worden verwacht dat, eens in de procedure op het verzet van de derde-eigenaar vaststaat dat de goederen ter beschikking stonden van de criminele organisatie, waarover de derde betwisting kan voeren, deze derde elementen aanvoert waaruit zijn goede trouw blijkt, dit wil zeggen dat hij de goede trouw enigszins aannemelijk aanvoert. Dit maakt geen miskenning uit van het vermoeden van onschuld; - de eiseressen hadden toegang tot het ganse strafdossier met inbegrip van een digitale kopie ervan. Zij kregen ruim de tijd om het dossier voor te bereiden tijdens de procedure op verzet. Er werden voldoende conclusietermijnen gegeven. De eiseressen konden alle middelen, zowel procedureel als ten gronde, inroepen, wat zij ook deden, en zij werden steeds bijgestaan door een advocaat; - uit artikel 1 Hypotheekwet kan niet worden afgeleid dat een verbeurdverklaring van een goed van een derde niet mogelijk is. Voor de verbeurdverklaring van onroerende goederen is overigens vereist dat er een kantmelding gebeurt van het beslag of de vordering tot verbeurdverklaring en dat nadien de beslissing van verbeurdverklaring wordt overgeschreven; - alhoewel aangewezen om latere procedures te vermijden, is het niet verplicht om de derde-eigenaar van in het begin bij de strafprocedure te betrekken. Dit doet geen afbreuk aan de rechten van deze derde-eigenaar, die te allen tijde kan tussenkomen in de strafprocedure om zijn rechten te doen gelden en die rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de eventuele verbeurdverklaring, ongeacht of hij zijn aanspraken deed gelden (verzet indien men niet aanwezig was, hoger beroep bij tegenspraak, desgevallend na verzet in eerste aanleg nog hoger beroep, cassatieberoep). Tevens kan de procedure van het koninklijk besluit van 9 augustus 1991 tot vaststelling van de termijn waarbinnen en de wijze waarop een rechtsmiddel kan worden aangewend door derden die beweren recht te hebben op een verbeurdverklaarde zaak worden gevolgd om de uitvoering van de verbeurdverklaring te voorkomen; - zoals reeds gesteld, kan de derde-eigenaar die ontvankelijk verzet aantekent de verbeurdverklaring zelf ook nog betwisten. De eiseres I werd geenszins reeds in rechte en in feite veroordeeld in het arrest van 24 april 2019 en zij wordt niet in een ongelijke wapenpositie geplaatst. Indien wordt geoordeeld dat zij geen derde te goeder trouw is, houdt dit niet in dat zij schuldig wordt verklaard aan een misdrijf. Het vermoeden van onschuld wordt hierdoor niet miskend. Er wordt haar ook geen excessieve en onevenredige last opgelegd. Verder beoordeelt het arrest (p. 35-44) de verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek als volgt: - uit artikel 43quater, § 4, Strafwetboek en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat die wetsbepaling voor al degenen op wie ze toepasselijk is, kennelijk voldoende nauwkeurig is en dat zij de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet, artikel 7.1 EVRM en artikel 15.1 IVBPR klaarblijkelijk niet schendt; - artikel 43quater, § 4, Strafwetboek omvat elk goed dat ter beschikking staat van een criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten. Daartoe kunnen ook uit misdrijf verkregen vermogensvoordelen behoren. Dat die bepaling een verbijzondering is van artikel 42, 1°, Strafwetboek in zoverre dat laatste betrekking heeft op de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf, doet daaraan geen afbreuk. Het volstaat dat de goederen ter be-schikking staan van de criminele organisatie. Het is niet vereist dat deze effectief gebruikt zijn door de criminele organisatie. Dit is geen extensieve interpretatie van het begrip goederen die ter beschikking staan van de criminele organisatie die in strijd is met het legaliteitsbeginsel of met enige wettelijke, grondwettelijke, internationale of supranationale bepaling. Deze interpretatie sluit ook aan bij de bedoeling van de wetgever; - alle goederen die een criminele organisatie ter beschikking heeft, kunnen onder toepassing van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek vallen, ook de in het kader van de criminele organisatie verkregen vermogensvoordelen die op hun beurt vanaf het verwerven weer ter beschikking van de criminele organisatie staan. Ook wanneer de leider van de criminele organisatie zich deze gelden zelf of via zijn vennootschap toe-eigent, betekent dit niet dat zij niet meer ter beschikking van de criminele organisatie staan. De gelden en goederen kunnen op ieder ogenblik door hem worden aangewend in het kader van de criminele organisatie. Het verwerven van directe of indirecte vermogensvoordelen is overigens het ultieme doel van de criminele organisatie; - de in beslag genomen gelden op de rekening van de eiseres I en de door haar aangekochte onroerende goederen die werden verbeurdverklaard, betreffen goederen die ter beschikking stonden van de criminele organisatie waarvan R.M. de leider was; - R.M. werd veroordeeld als leider van een criminele organisatie van 1 januari 2000 tot 2 oktober
  49. Deze criminele organisatie was gespecialiseerd in illegale diamanttrafiek en frauduleuze diamanthandel. R.M. was de economisch begunstigde van diverse vennootschappen die een cruciale rol speelden in de diverse fraudeconstructies, zoals door het arrest (p. 38-44) verder gepreciseerd; - Logserv sa, opgericht of gecontroleerd door R.M., speelde een cruciale rol in twee nader toegelichte fraudesystemen van de criminele organisatie; - de gelden die door of via Logserv sa en door R.M. werden gegenereerd ingevolge de fraudemechanismen en de daarmee desgevallend aangekochte goederen stonden ter beschikking van de criminele organisatie. Deze gelden en goederen waren niet alleen afkomstig van de activiteiten van de criminele organisatie, maar stonden ook ter beschikking van deze organisatie en konden indien nodig door de organisatie worden gebruikt; - uit het strafdossier blijkt dat omvangrijke bedragen van Logserv sa werden overgemaakt aan de eiseres I. Ook dan nog stonden deze gelden ter beschikking van de criminele organisatie waarvan R.M., als werkelijke achterman, begunstigde en beslissingsnemer van zowel Logserv sa als de eiseres I, de leider was. Dit geldt eveneens voor de met de gelden aangekochte onroerende goederen. Deze goederen die op hun beurt geld konden opbrengen, bleven ter beschikking van de criminele organisatie. De onroerende goederen werden aangekocht in de incriminatieperiode waarin R.M. reeds leider van de criminele organisatie was. Ze werden met illegale vermogensvoordelen aangekocht; - Logserv sa bezat 999 van 1000 aandelen van de eiseres I. Deze laatste werd formeel geleid door stromannen waaronder de eiseres II, die slechts ondertekende wat R.M. haar voorlegde. In werkelijkheid waren het dagelijks beleid en het bestuur in handen van R.M.; - de verwevenheid tussen R.M., Logserv sa en de eiseres I was zeer groot; - het bedrag van 612.076,77 euro dat werd verbeurdverklaard, bevond zich op de rekening van de eiseres I en was afkomstig van een buitenlandse overschrijving van Logserv sa ten bedrage van 649.900,00 euro met vermelding “kapitaalverhoging”. Deze kapitaalverhoging en de overschrijving van dit geld gebeurden op instructie van R.M., zoals blijkt uit het strafdossier. Dit geld stond ter beschikking van de criminele organisatie; - de onroerende goederen eigendom van de eiseres I werden aangekocht met gelden die eveneens afkomstig waren van Logserv sa en R.M. en de fraudecircuits binnen de criminele organisatie. De panden stonden ter beschikking van de criminele organisatie zoals verder in het arrest (p. 43-44) gespecificeerd; - er is geen sprake van een extensieve of analoge interpretatie van de strafwet. Dat de onroerende goederen werden verhuurd aan derden heeft geen invloed op de mogelijkheid tot verbeurdverklaring. Het is niet vereist dat de eiseres I of haar huurders zich aan criminele feiten schuldig hebben gemaakt. Tegen de eiseres I wordt geen straf uitgesproken. Dat de gelden en onroerende goederen voor wat betreft de eiseres I in België hun normale fiscale behandeling zouden hebben gehad, doet niets af aan het gegeven dat deze goederen ter beschikking stonden van de criminele organisatie.
  50. Ten slotte beoordeelt het arrest (p. 44-50) de goede trouw van de eiseres I als volgt: - de eiseres I is niet te beschouwen als een derde te goeder trouw. Zij is een patrimoniumvennootschap van R.M. Zij werd in essentie opgericht door Logserv sa, waarvan R.M. de werkelijke achterman en economisch begunstigde was. Het was R.M. die alle beslissingen nam. De eiseres II was een stroman die gewoon ondertekende wat haar man haar voorlegde, met inbegrip van blanco documenten; - er werden tijdens het onderzoek een aantal facturen aangetroffen waaruit blijkt dat de eiseres I niet beperkt was tot een loutere patrimoniumvennootschap; - bij akte van 10 juni 2005 werd het kapitaal van de eiseres I verhoogd met geld afkomstig van Logerv sa, die zoals gezegd nauw betrokken was bij de fraudecircuits opgezet door de criminele organisatie met als leider R.M.; - de zwarte commissies die R.M. ontving ingevolge de opgezette fraudecircuits werden door hem op verschillende manieren ge(her)investeerd, onder meer in onroerende goederen, (buitenlandse) vennootschappen en de uitbating van een café, of doorgesluisd naar binnen- en buitenlandse bankrekeningen. Zo werd geïnvesteerd in gebouwen, eigendom van de eiseres I. Onder de telastlegging F.IV.6 werden de aankoop van de betrokken onroerende goederen door de eiseres I en de betaling van de aankoopprijs aangemerkt als witwasmisdrijf lastens R.M. en bewezen verklaard. De gelden waarmee deze onroerende goederen werden aangekocht, waren illegale vermogensvoordelen van de fraudecircuits en vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie; - de eiseres I is een vennootschap met een eenvoudige structuur, waarin R.M. de beslissingen nam. Zij viel als het ware samen met R.M., ten laste van wie de onroerende goederen en de gelden van deze vennootschap werden verbeurdverklaard als vermogen dat ter beschikking stond van de criminele organisatie waarvan hij de leider was. Het staat vast dat de eiseres I wist en alleszins kon en moest weten dat de gelden en onroerende goederen ter beschikking stonden van de criminele organisatie waarvan haar achterman de leider was. Indien zij te goeder trouw was, zou zij zich tegen het delictuele optreden van de werkelijke achterman hebben verzet. Zij deed dit niet en profiteerde integendeel mee van de illegale vermogensvoordelen van de fraudesystemen die de bedrijvigheid van de criminele organisatie vormden. Dit waren gelden die ter beschikking stonden van de criminele organisatie; - indien de eiseres I in die omstandigheden zou worden beschouwd als een derde te goeder trouw tegen wie de verbeurdverklaring geen uitwerking kan hebben en zij eigenaar zou blijven van de gelden en goederen, zou dit de facto inhouden dat R.M. via Logserv sa (waarvan hij economische begunstigde is) als hoofdaandeelhouder in de eiseres I, de financiële voordelen van de door hem gepleegde misdrijven (leiderschap van een criminele organisatie, valsheden, witwas) zou behouden. Dit zou volkomen strijdig zijn met de bedoeling van de wetgever en zou de strijd tegen criminele organisaties helemaal ondermijnen; - ten overvloede verwijst het hof van beroep naar het gegeven dat R.M. maandelijks 500,00 euro cash stortte aan de eiseres I met mededeling “huur Curtis”, hetgeen de huur betrof voor het appartement op de bovenste verdieping van het pand aan de …straat …, waar grote geldsommen cash werden aangetroffen alsook stukken m.b.t. de fraudecarrousels; - zowel Logserv sa als de eiseres I zijn in feite instrumenten in handen van R.M. om de door hem gepleegde misdrijven uit te voeren en de illegale opbrengsten veilig te stellen in zijn voordeel en in het voordeel van de criminele organisatie waarvan hij de leider was; - er is geen sprake van deugdelijk bezit bij de eiseres I. Een deugdelijk bezit kan niet worden afgeleid uit de bestemming die aan de goederen wordt gegeven; - de eiseres I stelt dat de tegoeden en de onroerende goederen nooit verduisterd of verborgen werden gehouden. Dit is echter niet vereist voor het gebrek aan goede trouw. In zekere zin hield R.M. de gelden en goederen wel verborgen door deze te “parkeren” bij de eiseres I, waarin hij geen officiële functie had maar in werkelijkheid de touwtjes in handen had; - dat de eiseres I de huurgelden fiscaal correct zou behandelen en er geen uitkeringen zouden worden verricht aan de moedervennootschap, houdt niet in dat zij te goeder trouw is met betrekking tot de verbeurdverklaring van de gelden en onroerende goederen; - in casu blijkt duidelijk uit de voorliggende gegevens, zowel deze met betrekking tot de criminele organisatie en haar activiteiten als deze met betrekking tot de structuur en beslissingsmacht binnen de eiseres I, dat de goede trouw niet aanwezig is. Het is niet alleen zo dat de aanwezigheid van goede trouw niet aannemelijk wordt aangevoerd, het bewijs is integendeel geleverd dat de goede trouw niet aanwezig was; - het vermoeden van onschuld komt geenszins in het gedrang door deze beoordeling. De eiseres I wordt niet schuldig verklaard aan een misdrijf. Zij moet ook niet haar onschuld aantonen; - wat de verbeurdverklaring zelf betreft, die niet als straf lastens de eiseres I wordt uitgesproken, heeft het hof van beroep na een tegensprekelijk debat thans geoordeeld dat de gelden en onroerende goederen wel degelijk goederen zijn die ter beschikking stonden van de criminele organisatie en dat de eiseres I niet te goeder trouw is. Met dit oordeel wordt echter niet gesteld dat de eiseres I schuldig is aan lidmaatschap van een criminele organisatie of aan andere misdrijven. Dergelijke beoordeling is niet van aard om een inbreuk uit te maken op het vermoeden van onschuld.
  51. Op grond van die redenen, waarmee onder meer de toets naar de evenredigheid tussen het algemeen belang en het individuele belang van de eiseres I wordt gedaan, kan het arrest wettig oordelen dat de eiseres I voor wat betreft de lastens R.M. verbeurdverklaarde goederen niet aannemelijk maakt te goeder trouw te zijn in de zin van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  52. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest legt aan de eiseres I een negatief bewijs op met betrekking tot de goede trouw zonder dat de eiseres I regelmatig werd gedagvaard; uit het strafdossier blijkt niet dat de verbeurdverklaarde sommen ter beschikking zouden hebben gestaan van een criminele organisatie; de eiseres I toont integendeel aan dat de verbeurdverklaarde sommen afkomstig zijn van legale activiteiten; ten overvloede staat evenmin vast dat de eiseres I niet te goeder trouw is.
  53. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen niet worden aangenomen. Derde middel
  54. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest weigert de naleving van de redelijke termijn van de strafvervolging te beoordelen onder artikel 6 EVRM, terwijl het de straf bevestigt die aan de eiseres I is opgelegd bij het arrest van 24 april 2019; het arrest oordeelt dat de verbeurdverklaring ten aanzien van de eiseres I geen straf is en dat tegen haar geen strafrechtelijke vervolging werd ingesteld; de eiseres I is echter veroordeeld tot de straf van de verbeurdverklaring, wat door het arrest wordt bevestigd; zelfs indien het arrest enkel de burgerlijke gevolgen van de opgelegde straf onder ogen neemt, dient het nog het vereiste van de redelijke termijn verder te onderzoeken aangezien het in het kader van de jarenlang durende strafrechtelijke procedure is dat uiteindelijk de straf werd opgelegd; het arrest hanteert permanent dubbelzinnige beslissende motieven die het dictum van het oordeel niet kunnen ondersteunen.
  55. In zoverre het middel dubbelzinnigheid in de redenen van het arrest aanvoert zonder te preciseren in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  56. Het arrest (p. 32-34) oordeelt onder meer: - het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van een beschuldiging, dit is vanaf het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging; - de eiseres I is tijdens het onderzoek nooit officieel in verdenking gesteld noch leefde zij onder de dreiging van een strafvervolging omwille van andere handelingen. Ook nadien is er geen strafvervolging geweest. Het feit dat zij de gevolgen van een verbeurdverklaring lastens R.M. ondergaat doordat dit een invloed heeft op haar eigendomsrecht, heeft niet tot gevolg dat zij zelf strafrechtelijk wordt vervolgd of onder dreiging van een strafvervolging heeft gestaan; - in tegenstelling tot wat de eiseres I voorhoudt, is de redelijke termijn niet beginnen te lopen vanaf de huiszoeking bij de eiseres I. De eiseres I werd niet verhoord en werd nooit strafrechtelijk vervolgd; - ten aanzien van de eiseres I wordt ook geen straf opgelegd. De verbeurdverklaring lastens R.M., die zij thans nog kan betwisten, heeft gevolgen voor haar eigendomsrecht op de betreffende gelden en goederen. Dit houdt echter niet in dat de eiseres I strafrechtelijk wordt vervolgd of dat haar een straf wordt opgelegd. Er wordt haar geen misdrijf ten laste gelegd. Het desgevallend vaststellen van het gebrek aan goede trouw in huidige procedure houdt niet in dat zij schuldig wordt verklaard aan een strafrechtelijk beteugeld feit; - de overschrijding van de redelijke termijn werd ten aanzien van beklaagde R.M., veroordeelde leider van de criminele organisatie, wel vastgesteld en in rekening gebracht door een lagere straf op te leggen; - ten overvloede merkt het hof van beroep op dat de eiseres I eerder in de procedure had kunnen tussenkomen om haar rechten op de in beslag genomen sommen te doen gelden, dat de vordering tot verbeurdverklaring van de onroerende goederen ter kennis werd gebracht aan vader en dochter M. en werd gekantmeld op het hypotheekkantoor op 17 januari 2018, alsook dat de eiseres I steeds het genot van de onroerende goederen had en verder huurinkomsten ervan genoten heeft, hetgeen desgevallend volstaat als compensatie voor het uitblijven van een definitieve beslissing over het lot van deze goederen; - rekening houdende met alle concrete gegevens is er geen reden om op grond van een voorgehouden miskenning van de redelijke termijn thans nog enige mildering toe te passen; - overigens blijkt dat de eiseres I niet zozeer de al te lange periode in onzekerheid aanklaagt maar wel de maatregel zelf en de onevenredigheid ervan. Het gaat dan niet om een eventuele miskenning van het strafrechtelijke redelijketermijnvereiste. De evenredigheidstoets kan volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beter worden onderzocht onder artikel 1, tweede lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM. De huidige beoordeling doorstaat deze toets zoals blijkt uit andere redenen in dit arrest; - er is geen sprake van een onmogelijkheid voor de eiseres I om het bewijs te leveren van haar goede trouw ingevolge het verstrijken van tijd. Overigens moet zij dit bewijs niet leveren, enkel aannemelijk aanvoeren. De eiseres I heeft kennis van het ganse dossier waaronder tal van stukken, onder meer in beslag genomen naar aanleiding van diverse huiszoekingen, en zij kan daarover tegenspraak voeren. Zij kon en kan zelf stukken en informatie bijbrengen. Zij werd reeds in de beginfase van het onderzoek tegen R.M. bijgestaan door een advocaat. Zij werd ook door een advocaat bijgestaan vanaf 2018 en gedurende de gehele procedure op verzet. Zij had ook kennis van de procedure lastens R.M. Er is geen enkele reden waarom het aannemelijk maken van de goede trouw thans moeilijker zou zijn dan aan het begin van het onderzoek tegen R.M. Met die redenen beoordeelt het arrest wel degelijk de impact van de redelijke termijn op de behandeling van eiseres’ zaak en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  57. Het middel vraagt, ondergeschikt aan de vorige middelen van de eiseres I, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de toepassing van art. 42 Sw, art. 43 bis, art. 43 quater Sw, de art. 208 en 187 Wb. Sv., de art. 10, 11, 12, 13, 14 en 16 Grondwet in het licht van en samen met de art. 6 en 7 EVRM, art. 14 EVRM en art. 1 EAP EVRM in de mate ze leiden tot de onmiddellijke verbeurdverklaring van de eigendom van een persoon, die niet werd vervolgd voor de strafrechter, en die als straf wordt opgelegd en uitgevoerd na de veroordelend strafrechtelijke uitspraak, oorspronkelijk in afwezigheid van de veroordeelde uitgesproken: - In de mate de procedurele regeling tot de bescherming van de eigendom rechtsgevolg geeft aan een straf van verbeurdverklaring, terwijl de betrokkene niet eens werd gedagvaard en vervolgd, en de betrokken eigenaar vervolgens tot het statuut van derde-bezitter wordt herleid in strijd met o.m. met art. 1 HW, thans art. 3.30 B.W. en art. 544 O.B.W., thans art. 3.30 BW, art. 3.22 BW, die zijn goede trouw moet bewijzen, zonder mogelijke tegenspraak t.a.v. de weerhouden bezwaren, en aldus in een volkomen ondergeschikte procespositie terecht komt nu gezag van gewijsde wordt verleend aan een strafveroordeling zonder dat de betrokkene daarbij werd vervolgd en het proces wordt gevoerd over de bevestiging van dit gezag van gewijsde, waarbij aan de verbeurdverklaarde een onevenredige bewijslast wordt opgelegd?”
  58. Eensdeels beoogt de eiseres I met de voorgestelde prejudiciële vraag in werkelijkheid niet dat het Grondwettelijk Hof de grondwettigheid van de in die vraag vermelde wetsbepalingen beoordeelt, maar wel dat het Grondwettelijk Hof die bepalingen zo nodig in de plaats van het Hof uitlegt. Dat is niet de opdracht van het Grondwettelijk Hof. Anderdeels blijkt uit het antwoord op de middelen van de eiseres I dat de prejudiciële vraag hetzij berust op vaststellingen die het arrest niet bevat, hetzij uitgaat van door het Hof verworpen rechtsopvattingen over de aard en de gevolgen van het rechtsmiddel dat ter beschikking staat van een derde die aanspraak maakt op lastens een beklaagde verbeurdverklaarde goederen. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  59. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 258,01 euro, waarvan de eiseres I 129,00 euro is verschuldigd en eiseres II 129,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220322.2N.13 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.