id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.9 Rolnummer: P.21.1614.N Zaak: W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2022-03-24 Raadplegingen: 812 - laatst gezien 2026-06-19 05:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 235bis, §§ 1 en 3 Wetboek van Strafvordering volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep van een burgerlijke partij tegen de raadkamerbeschikking dat het feit voorwerp van de burgerlijke partijstelling en de strafvordering geen misdrijf oplevert, slechts kan beslissen tot onontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling en het niet regelmatig ingesteld zijn van de daarop gesteunde strafvordering, indien blijkt dat dit gegeven in het debat was voor het onderzoeksgerecht dan wel indien de kamer van inbeschuldigingstelling daartoe het debat heeft heropend
(1).
(1)Cass. 5 maart 2003, AR P.02.1496.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030305.4, AC 2003, nr. 150, RDPC 2003, 1068; Cass. 12 november 2002, AR P.02.1202.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.8, AC 2002, nr.
- Zie Ph. TRAEST, T. DE MEESTER en A. MASSET, “Le règlement de la procédure et le contrôle de la régularité de la procédure”, in La loi du 12 mars 1998 réformant la procédure pénale, Luik, Coll. Sc. Fac. Droit Liège, 1998, 214; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 763; Y. LIÈGEOIS en B. DE SMET, “Twintig jaar zuivering van nietigheden tijdens het gerechtelijk onderzoek. Tijd voor verandering of opfrissing van het systeem?”, RW 2019-20; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, “Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen”, Gompel&Svacina, 2019, 1041; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 942-
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Nietigheid, grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering - Ambtshalve toezicht door de kamer van inbeschuldigingstelling - Recht op tegenspraak - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Buitenvervolgingstelling - Hoger beroep van de burgerlijke partij - Regelmatigheid van de procedure - Nietigheid, grond van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering - Ambtshalve toezicht door de kamer van inbeschuldigingstelling - Recht op tegenspraak - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis, §§ 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1614.N P. W., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 235bis, § 1 en § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ambtshalve overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering maar zonder het debat te heropenen dat eisers burgerlijkepartijstelling van meet af aan niet ontvankelijk was omdat zij was gericht tegen een magistraat en hervormt op die grond de beroepen raadkamerbeschikking; de eiser werd evenwel niet verwittigd van een behandeling bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering en evenmin blijkt uit enig stuk dat de eiser werd ingelicht over een mogelijke niet-ontvankelijkheid van zijn burgerlijkepartijstelling. Artikel 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij de regeling van de rechtspleging de kamer van inbeschuldigingstelling, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een van de partijen, de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt, alsook dat zij dit zelfs ambtshalve kan doen. Volgens artikel 235bis, § 3, Wetboek van Strafvordering beveelt de kamer van inbeschuldigingstelling de heropening van het debat wanneer ze ambtshalve de regelmatigheid van de rechtspleging onderzoekt en er een nietigheid, een grond van niet- ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering kan bestaan. Uit die bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep van een burgerlijke partij tegen de raadkamerbeschikking dat het feit voorwerp van de burgerlijkepartijstelling en de strafvordering geen misdrijf oplevert, slechts kan beslissen tot onontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling en het niet regelmatig ingesteld zijn van de daarop gesteunde strafvordering, indien blijkt dat dit gegeven in het debat was voor het onderzoeksgerecht dan wel indien de kamer van inbeschuldigingstelling daartoe het debat heeft heropend. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de procureur-generaal had gevorderd de beroepen raadkamerbeschikking te bevestigen waarbij werd geoordeeld dat de feiten geen misdrijf opleverden, terwijl niet blijkt dat bij de behandeling van dit hoger beroep is aangevoerd dat eisers burgerlijkepartijstelling onontvankelijk was omdat ze was gericht tegen personen met voorrecht van rechtsmacht. Het arrest dat eisers burgerlijkepartijstelling onontvankelijk verklaart en op die grond oordeelt dat de strafvordering niet regelmatig is ingesteld, zonder daartoe voorafgaandelijk het debat te hebben heropend, schendt artikel 235bis, § 3, Wetboek van Strafvordering, ook al vermeldt het arrest niet uitdrukkelijk dat het artikel 235bis Wetboek van Strafvordering toepast. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de burgerlijkepartijstelling van meet af aan niet ontvankelijk was en dat bijgevolg de strafvordering niet regelmatig is ingesteld. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 633,04 euro, waarvan 109,07 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 maart 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021112.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030305.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div