← België

DEVOS CONSTRUCT BV contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 31 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.9 Rolnummer: C.21.0463.N Zaak: DEVOS CONSTRUCT BV contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 1507 - laatst gezien 2026-06-19 11:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De procespartij die aanvoert titularis te zijn van het subjectieve recht dat ten grondslag ligt aan de vordering, heeft hoedanigheid en belang om die vordering in te stellen, ook al wordt het subjectieve recht betwist; de vraag of de procespartij ook effectief titularis is van dat recht, is een vraag betreffende de gegrondheid van de vordering en niet betreffende de ontvankelijkheid ervan

(1)
(2).
(1)Cass. 29 oktober 2015, AR C.13.0374.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2, AC 2015, nr. 632, met concl. van advocaat-generaal Ch. Vandewal.
(2)Zie Cass. 23 februari 2012, AR C.11.0259.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.6, AC 2012, nr. 130, met concl. van advocaat-generaal Ch. Vandewal; Cass. 4 februari 2011, AR C.09.0420.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4, AC 2011, nr. 103; Cass. 16 november 2007, AR C.06.0144.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4, AC 2007, nr. 558; Cass. 28 september 2007, AR C.06.0180.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1, AC 2007, nr. 441; Cass. 26 februari 2004, AR C.01.0402.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040226.6, AC 2004, nr.
  1. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Hoedanigheid en belang - Procespartij - Titularis van een subjectief recht - Onderzoek - Aard van de vordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 17 en 18 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Indien een partij aanvoert dat de titularis van het subjectieve recht dat ten grondslag ligt aan de vordering dan wel de materiële procespartij niet rechtsgeldig is geïdentificeerd in de gedinginleidende akte en de nietigheid ervan opwerpt, kan de rechter deze akte enkel nietig verklaren op voorwaarde van belangenschade. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Gedinginleidende akte - Identificatie van de titularis of de materiële procespartij - Aangevoerde nietigheid - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 861 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 21, p. 817-
  2. - SOBRIE, Sven; Noot'Naamlening in rechte: what's in a name?' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0463.N DEVOS CONSTRUCT bv, met zetel te 8830 Hooglede, Stoomtuigstraat 26, in-geschreven bij de KBO onder het nummer 0471.385.257, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  3. M. D. G. nv,
  4. DSM GITS bv, met zetel te 8800 Roeselare, Brugsesteenweg 310, ingeschre-ven bij de KBO onder het nummer 0463.252.796, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 3 juni
  5. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  6. Met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt de appelrechter de ei-seres tot betaling aan de eerste verweerster van een schadevergoeding ten bedrage van 51.545,47 euro, meer
(1)vergoedende interest aan de interestvoet met toepas-sing van de wet van 2 augustus 2002 tot bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties vanaf 1 september 2014 en
(2)verwijlinterest aan dezelfde interestvoet op voormeld bedrag van 51.545,47 euro en de vergoedende interest vanaf 30 september 2016 tot de datum van de algehele betaling. 2. De eiseres voerde bij appelconclusie aan dat: - het toepassingsgebied van de wet van 2 augustus 2002 tot bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties zich niet uitstrekt tot alle geldelijke verbintenissen die voortvloeien uit handelstransacties, maar enkel tot geldelijke verbintenissen die de tegenprestatie vormen voor een levering van goederen, een verrichting van een dienst of een uitvoering van werk; - de betaling van een schadevergoeding ingevolge wanprestatie bijgevolg niet valt onder het toepassingsgebied van voormelde wet van 2 augustus 2002; - de eerste rechter op hetzij onverantwoorde hetzij incorrecte wijze de interest-voet van de vergoedende en de moratoire interest op de door de eiseres aan de eerste verweerster verschuldigde schadevergoeding bepaalde met toepassing van voormelde wet van 2 augustus 2002. 3. De appelrechter die nalaat het bedoelde verweer te beantwoorden, schendt artikel 149 Grondwet. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de door de eerste verweerster gevorderde interest en uitspraak doet over de aan deze vordering ver-bonden kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseres tot de kosten aan de zijde van de tweede verweerster. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 306,30 euro en op de som van 650 euro rol-recht verschuldigd aan de Belgische Staat. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 31 maart 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Her-regodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende S. Mosselmans K. Moens G. Jocqué K. Mestdagh E. Dirix VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE VOOR : De besloten vennootschap DEVOS CONSTRUCT, met ondernemings-nummer 0471.385.257 en zetel te 8830 Hooglede, Stoomtuigstraat 26, Eiseres tot cassatie, Vertegenwoordigd en bijgestaan door Meester Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan, TEGEN : 1. De naamloze vennootschap M. D. G., Eerste verweerster in cassatie, 2. De besloten vennootschap DSM GITS, met ondernemingsnummer 0463.252.796 en zetel te 8800 Roeselare, Brugsesteenweg 310, optre-dend in naam en/of voor rekening van de CV P&V Verzekeringen, met ondernemingsnummer 0402.236.531 en zetel te 1210 Brussel, Ko-ningsstraat 151, Tweede verweerster in cassatie, minstens partij opgeroepen in ge-meenverklaring van het tussen te komen arrest. * * * Aan Mevrouw de Eerste Voorzitter en de Heer Voorzitter van het Hof van Cassatie, Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie, Hooggeachte Dames en Heren, Eiseres legt aan de beoordeling van Uw Hof het vonnis voor dat op 3 juni 2021 werd gewezen door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk (19/17/A, 19/67/A en 19/302/A). FEITEN EN VOORGAANDE RECHTSPLEGING 1. Tussen de nv M. D. G. (verhuurster) en bvba Pergamos (huurster ; thans bv DSM Gits) werd een handelshuurovereenkomst gesloten m.b.t. een winkelpand aan de ... In het pand werd een showroom voor keukens ingericht, die in september 2010 zou openen. De showroom werd evenwel zwaar beschadigd door waterinfiltra-tie via de riolering en het dak bij hevige regenval op 26 augustus 2010. Het huurpand was een nieuwbouw die in opdracht van de nv M. D. G. werd opge-richt door eiseres, de bv(
  1. ba)Devos Construct. De bv(
  2. ba)Studie- en Architectenbu-reau G. R. en de heer G. R. traden hierbij op als architect. S. B. was onderaannemer bij de uitvoering van de dakwerken. De bv(
  3. ba)Asfaltwerken en Vervoer Vereecke voerde werken aan parking en oprit uit. 2. De bv DSM Gits dagvaardde de nv M. D. G. voor de Voorzitter van de recht-bank van koophandel Kortrijk, die bij beschikking van 23 september 2010 deskundi-ge Vasseur aanstelde. Bij latere beschikkingen werden eiseres, bv Studie- en Architectenbureau G. R., G.R., verzekeraar Allianz en de bv Asfaltwerken en Vervoer Vereecke tot tussen-komst veroordeeld. 3. In een procedure tussen eiseres en S. B. stelde de rechtbank van koophandel Kortrijk bij vonnis 18 oktober 2010 deskundige Vancalbergh aan. 4. Huurster bv DSM Gits leidde bij verzoekschrift een procedure in tegen ver-huurster nv M. D. G. voor de vrederechter van het kanton Roeselare. De nv M. D. G. dagvaardde de bv Studie- en Architectenbureau G. R., G. R., eise-res, bv Asfaltwerken en Vervoer Vereecke en de nv Allianz Belgium in tussenkomst. Eiseres dagvaardde haar verzekeraar nv KBC Verzekeringen en onderaannemer S. B. in tussenkomst. De nv Generali Belgium (verzekeraar van S. B.) kwam vrijwillig tussen. 5. Eiseres dagvaardde bovendien de nv M. D. G. in betaling van onbetaalde fac-turen voor de rechtbank van koophandel Kortrijk. Bij verstekvonnis van 8 december 2011 veroordeelde de rechtbank van koophandel de nv M. D. G. tot betaling van 142.337,94 EUR, meer intresten, aan eiseres. Op verzet van de nv M. D. G. werd vervolgens, bij vonnis van 8 februari 2013, de zaak wegens samenhang verwezen naar de vrederechter van het kanton Roeselare. 6. Deskundige Vasseur kwam tot het besluit dat de oorzaak van de overstroming bestaat in een niet correct concept en een foute uitvoering van het regenwaterriole-ringsstelsel. De schade aan de dakopbouw is het gevolg van een niet correcte uit-voering; de wijze van uitvoering was onvoldoende gedefinieerd en er werd een ver-keerde lijm aangewend. De expert nam een technische aansprakelijkheid aan: - voor gebreken aan het rioleringsstelsel lastens eiseres en de consorten R., elk voor de helft, - voor de gebreken aan het dak : 2/5 t.l.v. eiseres, 2/5 t.l.v. de consorten R. en 1/5 t.l.v. S. B. 7. In het vonnis van 4 september 2018 besliste de vrederechter van het kanton Roeselare als volgt : -a- de nv M. D. G. werd veroordeeld tot betaling van 66.807,51 EUR aan de bv DSM Gits (die optreedt in naam - lees : voor rekening - van P&V Verzekerin-gen) en 19.082,08 EUR aan de bv DSM Gits. -b- eiseres, de bv Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. werden veroor-deeld tot vrijwaring van de nv M. D. G. ten belope van alle bedragen waartoe deze t.o.v. de bv DSM Gits werd veroordeeld, -c- eiseres werd veroordeeld tot betaling van 51.545,57 EUR, meer intresten, aan de nv M. D. G., -d- de bv Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. werden in solidum veroor-deeld tot betaling van 67.760,98 UR, meer intresten, aan de nv M. D. G., -e- de nv M. D. G. werd veroordeeld tot betaling van 52.864 EUR (factuur 110/2010) en 79.351,44 EUR (factuur 2011/62), meer gerechtelijke intresten, aan eiseres en de vrederechter zei dat compensatie tussen de wederzijdse vorderingen van deze partijen toegelaten is, -f- S. B. werd veroordeeld om eiseres te vrijwaren tot beloop van de herstelkosten aan het dak die eiseres gehouden is te betalen uit hoofde van huidig vonnis ten overstaan van de nv M. D. G., -g- de vrijwaringsvordering van eiseres tegen de nv KBC Verzekeringen werd als ongegrond afgewezen, -h- de vrijwaringsvorderingen van de bv Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. tegen hun verzekeraar HDI Global SE en van de nv M. D. G. tegen de bv As-faltwerken en Vervoer Vereecke werden als ongegrond afgewezen en de vrij-waringsvordering van de nv M. D. G. tegen de nv Allianz Belgium werd zonder voorwerp verklaard. 8. De bv DSM Gits, de nv M. D. G. en eiseres stelden hoger beroep in tegen het vonnis van de vrederechter. De bv Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. stelden bij conclusie incidenteel beroep in. Bij vonnis van 3 juni 2021 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, het hoger beroep van de bv DSM Gits toelaatbaar, nam ak-te van de uitbreiding van haar vordering, verklaarde deze gegrond en wijzigde het beroepen vonnis in die zin dat op de verschuldigde vergoeding vergoedende intres-ten aan de wettelijke rentevoet verschuldigd zijn vanaf 13 april 2011, datum inleiding procedure, tot aan de integrale betaling. Voorts verklaarde de rechtbank de beroepen van eiseres, de nv M. D. G., de bv Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. ongegrond en bevestigde het beroe-pen vonnis. Tegen het vonnis van 3 juni 2021 voert eiseres volgende middelen tot cassatie aan. EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden bepalingen - artikel 149 van de Grondwet, - artikelen 1147, 1149, 1150, 1151, 1153, 1792 en 1797 van het oud Burger-lijk Wetboek, - artikelen 2 (zoals van kracht vóór en na wijziging bij wet van 22 november 2013), 3 en 5 (zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 november 2013 en vóór wijziging bij wet van 14 augustus 2021) van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handels-transacties. Aangevochten beslissing De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afd. Kortrijk, verklaart in het von-nis van 3 juni 2021 het door eiseres tegen het vonnis, gewezen door de vrederech-ter van het kanton Roeselare op 4 september 2018, ingestelde hoger beroep onge-grond. Met bevestiging van het beroepen vonnis veroordeelt de rechtbank van eerste aan-leg eiseres tot betaling aan de nv M. D. G. van het bedrag van 51.545,57 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de interestvoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in handelstransacties vanaf 1 septem-ber 2014, meer de gerechtelijke verwijlrente aan dezelfde interestvoet op de hoofd-som en de vergoedende interest vanaf 30 september 2016 tot de datum van volle-dige betaling. De rechtbank veroordeelt eiseres aldus, op grond van haar contractuele aansprake-lijkheid als aannemer ex artikelen 1792 en 1797 van het oud Burgerlijk Wetboek, tot vergoeding van de door de nv M. D. G. geleden schade ingevolge gebreken in het door eiseres opgerichte gebouw (meer bepaald voor herstel van de dakbedekking; vonnis van vrederechter van 4 september 2018, p. 27 en vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 3 juni 2021, pp. 18-19). Grieven 1. Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet is elk vonnis met redenen om-kleed. De rechter is derhalve verplicht te antwoorden op de precieze en relevante midde-len die partijen in conclusie aanvoeren ter staving van hun eis of verweer. 2. De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsach-terstand bij handelstransacties is, luidens artikel 3 van deze wet, van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransacties. Volgens artikel 2 van deze wet, zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 no-vember 2013, wordt onder “handelstransactie” verstaan : “een transactie tussen on-dernemingen of tussen ondernemingen en aanbestedende overheden of aanbeste-dende diensten die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding”. Onder “handelstransactie” wordt, volgens artikel 2 van deze wet, zoals van kracht na wijziging bij wet van 22 november 2013, verstaan: een transactie tussen onderne-mingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leidt tot het leveren van goederen, het verrichten van diensten of het ontwerp en de uitvoering van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken tegen vergoeding”. Artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002, zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 22 november 2013, bepaalt dat indien de partijen niet anders zijn overeengekomen met inachtneming van artikel 7 van deze wet, de schuldeiser, wanneer de schul-denaar niet betaalt binnen de overeengekomen betalingstermijn of, bij gebreke hier-aan, binnen de betalingstermijn bepaald in artikel 4 van de wet, vanaf de daarop vol-gende dag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, recht heeft op de betaling van een interest tegen de referentie-interestvoet vermeerderd met zeven procent-punten en afgerond tot het hogere halve procentpunt. Artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002, zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 14 augustus 2021, bepaalt dat, indien de schuldeiser zijn contractuele en wettelijke verplichtingen heeft vervuld en het verschuldigde bedrag niet op tijd heeft ontvan-gen, hij vanaf de daaropvolgende dag, van rechtswege en zonder ingebrekestelling, recht heeft op betaling van een interest, behalve indien de schuldenaar bewijst dat hij niet verantwoordelijk is voor de vertraging. Indien de partijen niet anders zijn overeengekomen met inachtneming van artikel 7 van deze wet, is deze interest de interest tegen de referentie-interestvoet vermeerderd met acht procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt. De wet van 2 augustus 2002 beoogt de achterstand tegen te gaan van contractuele betalingsverplichtingen die strekken tot vergoeding voor geleverde goederen en diensten en is van toepassing op alle betalingen tot vergoeding van handelstransac-ties. Niet alle geldelijke verplichtingen die voortvloeien uit handelstransacties vallen onder het toepassingsgebied van deze wet, doch enkel (betalings)verbintenissen die de eigenlijke tegenprestatie vormen voor de levering van goederen of diensten of de uitvoering van werken. Betalingen tot schadevergoeding, bv. wegens laattijdige leve-ring, gebrek in de uitgevoerde werken of (voortijdige) beëindiging van de overeen-komst, zijn niet onderworpen aan de wet van 2 augustus 2002. 3. Bij contractuele wanprestatie heeft de schuldeiser/schadelijder, overeenkom-stig artikelen de 1147, 1149, 1150 en 1151 van het oud Burgerlijk Wetboek, recht op schadevergoeding, meer vergoedende intrest. Deze intrest vergoedt de vertra-ging in de voldoening van een waardeschuld. De rentevoet wordt door de rechter bepaald. De rechter is niet verplicht de wettelijke rentevoet bedoeld in artikel 1153 van het oud Burgerlijk Wetboek of de rentevoet bedoeld in de wet van 2 augustus 2002 toe te passen. Op de door de rechter bepaalde schadevergoeding is, met toepassing van artikel 1153 van het oud Burgerlijk Wetboek, de moratoire interest aan de wettelijke intrest-voet verschuldigd, en dit vanaf de datum van de rechterlijke uitspraak die de scha-devergoeding toekent tot de dag van de betaling van die schadevergoeding. De wettelijke intrestvoet wordt elk kalenderjaar volgens de wet van 5 mei 1865 betref-fende de lening tegen intrest vastgesteld. De rechter mag de moratoire intrest niet doen ingaan vóór de beslissing waarbij die vergoeding wordt toegekend. Wanneer de aannemer, ingevolge artikelen 1792 en 1797 van het oud Burgerlijk Wetboek, aan de bouwheer vergoeding verschuldigd is voor schade ingevolge ge-breken in de bouw, kan de bouwheer aanspraak maken op vergoedende intresten op de hem verschuldigd schadevergoeding. De intrestvoet van deze vergoedende intrest wordt door de rechter bepaald en is niet noodzakelijk gelijk aan de intrestvoet bepaald in de wet van 2 augustus 2002. De bouwheer kan bovendien aanspraak maken op moratoire intrest, aan de wettelijke intrestvoet bedoeld in artikel 1153 van het oud Burgerlijk Wetboek, vanaf de datum van de rechterlijke beslissing waarbij de vergoeding wordt toegekend. 4. Eerste onderdeel Eiseres vorderde in haar syntheseconclusie (p. 32) voor de rechtbank van eerste aanleg de vordering van de nv M. D. G. voor eigen schade ongegrond te verklaren, minstens de toegepaste rentevoet te herleiden naar de wettelijke rentevoet (wet van 05.05.1865). Eiseres argumenteerde met betrekking tot de aan de nv M. D. G. toegekende intres-ten: “De eerste rechter heeft (eiseres) veroordeeld tot het betalen van vergoe-dende intresten aan de rentevoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in handelstransacties vanaf 1 september 2014 op de som van 51.545,57 euro en van gerechtelijke verwijlrente aan dezelfde ren-tevoet op de hoofdsom van 51.545,57 euro en de vergoedende intrest vanaf 30 september 2016 tot de datum van de volledige betaling. De toepassing van de wettelijke rentevoet in de handelstransacties is hier on-verantwoord. De veroordeling van (eiseres) tot het betalen van een bedrag van 51.545,57 euro aan de nv M. D. G. betreft immers geen veroordeling tot een betaling ter vergoeding van een handelstransactie. Er bestaat geen enkele redelijke aanleiding om een dergelijk hoge rentevoet als de wettelijke rentevoet in de handelstransacties toe te passen ter com-pensatie van de vertraging in de uitbetaling van een schadevergoeding. De gewone wettelijke rentevoet (volgens de Wet van 1865) volstaat als toe-passelijke rentevoet voor de vergoedende intresten en de gerechtelijke ver-wijlintresten. (Eiseres) verwijst op dit punt ook naar de uiteenzetting van Studie- en Archi-tectenbureau G. R. en G. R., die onder meer verwijzen naar een bijdrage van V. S. en I. S.” (syntheseconclusie, p. 24, nr. 38). De bvba Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. die door de vrederechter (vonnis van 4 september 2018, pp. 25-28 en p. 31), eveneens op grond van artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek, veroordeeld werden tot betaling aan de nv M. D. G. van 67.760,98 EUR, “te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de interestvoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in han-delstransacties vanaf 1 september 2014, meer de gerechtelijke verwijlrente aan de-zelfde interestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest vanaf 30 septem-ber 2016 tot de datum van volledige betaling”, stelden hoger beroep in tegen de be-slissing nopens de toegepaste rentevoet en argumenteerden desbetreffend in hun tweede syntheseberoepsbesluiten (pp. 20-21 en 23): “De eerste rechter heeft concluanten veroordeeld tot het betalen van vergoe-dende intresten aan de rentevoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in handelstransacties vanaf 1 september 2014. Het gaat in casu over (een veroordeling tot) schadevergoeding. Dit valt niet onder het toepassingsgebied ratione materiae van de Wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. ‘Ratione materiae vindt de wet uitsluitend toepassing op betalingen tot ver-goeding van handelstransacties. Aldus is van toepassing op (…). (…) Zij is dus niet van toepassing op andere geldelijke verplichtingen die hun oor-sprong zouden kunnen vinden in een handelstransactie, maar niet strekken tot vergoeding van geleverde prestaties. Aldus vallen onder meer buiten het toe-passingsdomein van de wet: de schadeloosstellingen betaald door verzeke-ringsmaatschappijen en de schadevergoeding wegens verborgen gebreken of wegens laattijdige levering. (…)’ (V. Sagaert en I. Samoy, “De wet van 2 augustus 2002 betreffende de be-strijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Een verwittigd wanbetaler is er twee waard…”, R.W. 2002-2003, p. 324). Het is dus niet correct dat deze rentevoet werd toegepast in deze rechtsver-houding. De toepassing van de wettelijke rentevoet in de handelstransacties is hier on-verantwoord. De gewone wettelijke rentevoet volstaat als toepasselijke rentevoet voor de vergoedende intresten en gerechtelijke verwijlintresten”. De rechtbank van eerste aanleg wijst het hoger beroep van eiseres als ongegrond af en veroordeelt haar, met bevestiging van het beroepen vonnis, tot betaling aan de nv M. D. G. van 51.545,57 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan de interestvoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in handelstransacties vanaf 1 september 2014, meer de gerechtelijke verwijlrente aan dezelfde intrestvoet op de hoofdsom en de vergoedende interest vanaf 30 sep-tember 2016 tot de datum van volledige betaling. De rechtbank antwoordt hierbij niet op het precieze en relevante verweer dat zowel door eiseres als door de bvba Studie- en Architectenbureau G. R. en G. R. in be-roepsbesluiten werd aangevoerd, luidens welk op de verschuldigde hoofdsom geen vergoedende intrest en verwijlrente aan de wettelijke rentevoet in handelstransac-ties bepaald in de wet van 2 augustus 2002 kan worden toegekend daar de veroor-deling een veroordeling tot schadevergoeding betreft waarop deze wet niet van toepassing is. Dit verweer wordt alleszins niet beantwoord door de vermelding in het dispositief van het vonnis (p. 23) luidens welk “het meer of anders gevorderde (wordt afgewe-zen) als ongegrond”. Het bestreden is aldus niet regelmatig met redenen omkleed en schendt artikel 149 van de Grondwet. 5. Tweede onderdeel Eiseres, aannemer, wordt door de rechtbank op grond van de artikelen 1792 en 1797 van het oud Burgerlijk Wetboek veroordeeld tot betaling van een vergoeding aan de nv M. D. G., bouwheer, voor de schade ingevolge een gebrek in de bouw. De verplichting van eiseres tot vergoeding van deze schade van de nv M. D. G. be-treft, zoals uiteengezet (nr. 2) geen betaling tot vergoeding van een handelstransac-tie in de zin van de wet van 2 augustus 2002. Ingevolge de contractuele wanprestatie van eiseres kan de nv M. D. G. aanspraak maken op vergoeding van de geleden schade, meer vergoedende intrest – aan de door de rechter vast te stellen rentevoet (die niet noodzakelijk overeenstemt met de in de wet van 2 augustus 2002 bepaalde rentevoet) –, en verwijlintrest aan de wet-telijke rentevoet bepaald in artikel 1153 van het oud Burgerlijk Wetboek vanaf de datum van de rechterlijke beslissing die de schadevergoeding toekent tot de dag van betaling van die schadevergoeding. Het vonnis, waarbij eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de nv M. D. G. van de hoofdsom van 51.545,57 EUR, meer vergoedende intresten aan de interestvoet zoals vastgesteld ingevolge de wet op de betalingsachterstand in handelstransac-ties vanaf 1 september 2014 en de gerechtelijke verwijlrente aan dezelfde intrest-voet op de hoofdsom en de vergoedende intrest vanaf 30 september 2006 (d.i. vanaf een datum vóór de rechterlijke beslissing waarbij de vergoeding wordt toege-kend) tot de datum van volledige betaling, schendt aldus de in de aanhef van het middel aangevoerde wetsbepalingen (artikel 149 van de Grondwet uitgezonderd). Grieven 1. Luidens artikel 1984 van het oud Burgerlijk Wetboek is de lastgeving of vol-macht een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden verleend voor het instellen van een rechtsvordering in welk geval de vertegenwoordiger, de formele procespartij, een rechtsvordering instelt (in naam en/
  4. of)voor rekening van de vertegenwoordigde, de materiële procespartij, ter verdediging van de rechten en de belangen van laatstge-noemde. Krachtens de artikelen 1984 tot 1989 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek worden de handelingen die door een lasthebber, binnen de grenzen van zijn lastgeving, zijn verricht, geacht door de lastgever zelf te zijn verricht. Luidens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om in rechte op te treden. De procespartij die (in naam en/
  5. of)voor rekening van een ander partij optreedt, moet een volmacht voorleggen waaruit blijkt dat zij in rechte kan optreden voor die andere partij. Zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid is de vordering onontvan-kelijk bij gebrek aan hoedanigheid. De hoedanigheid wordt beoordeeld op het moment van de gedinginleiding. De pro-cespartij die voor rekening van een ander optreedt dient op dat moment te beschik-ken over een volmacht om namens die andere partij op te treden. De vordering ingesteld door een procespartij die optreedt voor rekening van een andere partij is dus, bij gebrek aan hoedanigheid, niet ontvankelijk indien zij op dat moment niet beschikt over een volmacht van die andere partij. De omstandigheid dat, op latere datum, die andere partij bij overeenkomst volmacht verleent om voor haar rekening op te treden, doet hieraan geen afbreuk. 2. De nv M. D. G. voerde in syntheseberoepsbesluiten (pp. 13-16) aan dat - de ‘gevolgschade’ van de bv DSM Gits in 2010 ten belope van 66.807,50 EUR geregeld werd door Vivium (thans P&V Verzekeringen), brandverzeke-raar van de bv DSM Gits, die aldus in de rechten van haar verzekerde werd gesubrogeerd, - nadat de verzekeringsvergoeding is uitbetaald, slechts de gesubrogeerde verzekeraar nog vorderingsgerechtigd is en de verzekerde de vereiste hoe-danigheid verliest om nog in rechte op te treden, - de bv DSM Gits, samen met haar synthesebesluiten voor de eerste rechter van 14 december 2017, een naamleningsovereenkomst van 11 december 2017 (haar stuk 61) meedeelde voor een bedrag van 66.807,50 EUR en zij in besluiten haar proceshoedanigheid wijzigde : in plaats van in eigen naam en voor eigen rekening, vorderde zij van dan af in eigen naam en voor reke-ning van Vivium, in haar hoedanigheid van naamlener, - de naamleningsovereenkomst werd opgesteld en ondertekend op 11 de-cember 2017, in de loop van de procedure voor de eerste rechter, - wie als formele procespartij qualitate qua voor rekening van een ander in rechte wil optreden over vertegenwoordigingsbevoegdheid (vorderingsbe-voegdheid) moet beschikken, op straffe van onontvankelijkheid van de vor-dering, - de hoedanigheid beoordeeld wordt op het tijdstip van de gedinginleiding en niet kan gewijzigd worden in de loop van de gerechtelijke procedure, - de bv DSM Gits in haar gedinginleidende akte (d.i. het verzoekschrift ex arti-kel 1344bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingediend op 13 april 2011) op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van de uitbetaling door haar brandverzekeraar, noch melding heeft gemaakt van enige vorderings- of vertegenwoordigingsbevoegdheid voor Vivium, - meer dan zes jaar later, op 11 december 2017, de bv DSM Gits en haar ver-zekeraar Vivium een naamleningsovereenkomst ondertekenden, - de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan hoedanigheid. Eiseres voegde hier in syntheseconclusie (p. 15) nog aan toe dat de naamlenings-overeenkomst dateert van of in elk geval pas in werking is getreden in december 2017 (stuk 61) en de bewering van de bv DSM Gits dat dergelijke naamleningsover-eenkomst voordien al mondeling overeengekomen was op geen enkele wijze wordt gestaafd, laat staan bewezen. 3. Eerste onderdeel De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat DSM Gits “een aantal bedragen te-rug(vordert) in naam en voor rekening van de verzekeringsmaatschappij” (P&V Verzekeringen, rechtsopvolgster van Vivium) op basis van een naamleningsover-eenkomst dd. 11 december 2017, waarvan artikel 2.2 bepaalt : “In het kader van de procedure hangende voor de Vrederechter van het kanton van Roeselare (AR 11/A/933) dient de Naamlener voormelde bedragen, alsmede alle eventueel ver-schuldigde intresten op de hoofdsommen van resp. 57.881,07 euro en 8.926,43 euro op de aansprakelijke partij(
  6. en)te verhalen en mag te dien einde alle procedu-rele akten opmaken en ondertekenen en in het algemeen alles doen wat de Naam-lener geraden oordeelt voor de uitoefening van zijn opdracht”. De rechtbank beslist dat de door de bv DSM Gits bij inleidend verzoekschrift van 13 april 2011 tegen de nv M. D. G. ingestelde vordering toelaatbaar is nu zij op basis van een “naamleningsovereenkomst” van 11 december 2017 een aantal bedragen terugvordert in naam en voor rekening van de verzekeringsmaatschappij, zonder dat uit de vaststellingen in het bestreden vonnis blijkt dat de bv DSM Gits reeds bij het instellen van de vordering op 13 april 2011 beschikte over vertegenwoordigingsbe-voegdheid om de vordering voor rekening van haar verzekeraar in te stellen. Uit de vaststellingen in het bestreden vonnis blijkt overigens evenmin dat de verzeke-ringsmaatschappij, bij overeenkomst van 11 december 2017 of een andere over-eenkomst, aan de bv DSM Gits volmacht zou hebben verleend om met ingang van 13 april 2011 voor haar rekening de bedragen van, in hoofdsom, 57.881,07 EUR en 8.926,43 EUR op de aansprakelijke partijen te verhalen en aldus het optreden in rechte van de bv DSM Gits retroactief zou bekrachtigd hebben. Het bestreden vonnis dat de hoofdvordering van de bv DSM Gits ten overstaan van de nv M. D. G. toelaatbaar en gegrond verklaart en vervolgens de nv M. D. G. ver-oordeelt tot betaling van 66.807,51 EUR, meer intresten aan bv DSM Gits “die op-treedt in naam (en voor rekening) van de cvba P&V Verzekeringen” (vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, p. 14, laatste al., en vonnis van de vrederechter, p. 31, al. 3) en eiseres veroordeelt om de nv M. D. G. voor deze veroordeling te vrijwaren, schendt artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 1984 tot en met 1989 en 1998 van het oud Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1792 en 1797 van het oud Burgerlijk Wetboek. (…) OM DEZE REDENEN Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiseres, tot vernieti-ging van het aangevochten vonnis en de verwijzing van de zaak en de partijen naar een andere rechtbank van eerste aanleg. Kosten als naar recht. Brussel, 15 oktober 2021 Bruno Maes Enig bij de voorziening gevoegd stuk: Een kopie van de “naamleningsovereenkomst” gesloten tussen de CV P&V Verzeke-ringen en de bvba DSM Gits op 11 december 2017, eensluidend verklaard aan de kopie die door de bv DSM Gits (als stuk 61) aan de rechtbank van eerste aanleg werd voorgelegd. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220331.1N.9 Gerelateerde publicatie(
  7. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250228.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251031.1F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040226.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.4 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120223.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151029.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.