id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220404.3N.3 Rolnummer: S.20.0025.N Zaak: E. contra DYLISA STORE bv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2022-05-25 Raadplegingen: 582 - laatst gezien 2026-06-18 15:06 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3N.3 Fiches 1 - 2 Het begrip moederschap in artikel 4, § 1, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, betekent niet het moeder zijn in het algemeen, maar heeft slechts specifiek betrekking op de periode onmiddellijk na de bevalling gedurende dewelke de biologische gesteldheid van de vrouw en de bijzondere relatie met het kind wordt beschermd; bijgevolg valt een probleem van kinderopvang niet onder moederschap in de zin van voormeld artikel 4, § 1
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALLERLEI Vrije woorden: Discriminatieverbod - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Moederschap - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 4, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: ARBEID - VROUWEN Vrije woorden: Discriminatieverbod - Slachtoffer van discriminatie - Ongunstige of nadelige behandeling - Moederschap - Begrip - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 4, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 14-15, p. 1024-
- - VAN HOORDE, Eva; Noot'Kinderopvang, geen zaak van alleen moeders' RW-Rechtskundig weekblad - 2023, nr. 36, p. 1425-
- - VAN DE CALSEYDE, Tony; Noot'Over het uitdijend verbod van geslachtsdiscriminatie' Tekst van de beslissing Nr. S.20.0025.N
- M.E.,
- INSTITUUT VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN, openbare instelling, met zetel te 1070 Anderlecht, Ernest Blerotstraat 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0873.091.753, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen DYLISA STORE bv, met zetel te 1860 Meise, Brusselsesteenweg 58, bus A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0883.271.310, verweerster, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Brussel van 15 januari 2019 en 10 september
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 7 maart 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, één middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Uit artikel 2 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, hierna Genderwet, blijkt dat deze wet diverse Europese richtlijnen die de gelijke behandeling tussen vrouwen en mannen tot doel hebben, omzet. Krachtens artikel 3 Genderwet heeft deze wet tot doel, met betrekking tot de in artikel 6 bedoelde aangelegenheden, een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht. Krachtens artikel 4, § 1, Genderwet, zoals te dezen van toepassing, wordt voor de toepassing van deze wet een direct onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling of moederschap gelijkgesteld met een direct onderscheid op grond van geslacht. Krachtens artikel 17 kunnen de bepalingen betreffende de bescherming van de zwangerschap en het moederschap niet beschouwd worden als een vorm van discriminatie, maar zijn zij een voorwaarde voor de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
- Uit de samenhang van deze bepalingen en de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip moederschap in voormeld artikel 4, § 1, niet het moeder zijn in het algemeen betekent, maar slechts specifiek betrekking heeft op de periode onmiddellijk na de bevalling gedurende dewelke de biologische gesteldheid van de vrouw en de bijzondere relatie met het kind wordt beschermd. Bijgevolg valt een probleem van kinderopvang niet onder moederschap in de zin van artikel 4, § 1, Genderwet. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 10 september 2019 in zoverre het uitspraak doet over de vordering wegens indirecte discriminatie op grond van geslacht. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Christian Storck, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Antoine Lievens en Eric de Formanoir, en in openbare terechtzitting van 4 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220404.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div