← België

S. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.14 Rolnummer: P.21.0908.N Zaak: S. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Familierecht Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 1012 - laatst gezien 2026-06-18 19:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De boedelbeschrijving die wordt opgesteld na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel strekt ertoe de omvang van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid vast te stellen en dient alle gegevens te bevatten die nodig zijn voor een betrouwbaar beeld van de samenstelling, de baten en de lasten van de onverdeelde boedel

(1); de omstandigheid dat het ontbonden huwelijksvermogensstelsel betrekking heeft op een stelsel van scheiding van goederen en geen gemeenschappelijk vermogen omvat, heeft niet tot gevolg dat er geen vereffening en verdeling kan worden bevolen en geen notariële boedelbeschrijving moet worden opgesteld waarbij de in artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed moet worden afgelegd; immers kan er bij de ontbinding van een stelsel van scheiding van goederen niet alleen sprake zijn van een onverdeeldheid tussen de partijen, maar kan er onder meer ook discussie ontstaan over het eigendomsrecht op bepaalde goederen, wat kan leiden tot de vaststelling van het bestaan van een onverdeeldheid of een directe weerslag kan hebben op de omvang ervan.
(1)Cass. 1 maart 2022, AR P.21.0658.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9, AC 2022, nr. 154; Cass. 14 oktober 2003, AR P.03.0548.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.14, AC 2003, nr. 497; Cass. 26 januari 1999, AR P.97.0485.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990126.11, AC 1999, nr. 42; Cass. 8 december 1981, AC 1981-82, nr.
  1. Zie alg. S. VAN OVERBEKE, “Meineed bij verzegeling of boedelbeschrijving”, Comm. Sr. 2018, 63p. Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Huwelijksvermogensstelsel - Scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving - Bestaan van een onverdeeldheid - Redenen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - GERECHTELIJKE SCHEIDING VAN GOEDEREN Vrije woorden: Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving met eedaflegging - Bestaan van een onverdeeldheid - Redenen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN Vrije woorden: Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving met eedaflegging - Bestaan van een onverdeeldheid - Redenen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 4 - 6 De uit de echt gescheiden partijen bij een boedelbeschrijving die wordt opgesteld naar aanleiding van de vereffening en verdeling van een gebeurlijke onverdeeldheid na de ontbinding van een stelsel van scheiding van goederen zijn ertoe gehouden om alle goederen en waarden te vermelden die kunnen leiden tot de vaststelling van het bestaan van een onverdeeldheid of die een invloed kunnen hebben op de omvang van de onverdeelde boedel; zij zijn er bovendien ook toe verplicht opgave te doen van de goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling of een beding in het huwelijkscontract tot hun respectieve eigen vermogen behoren maar waarvan het eigendomsrecht door de andere partij wordt betwist. Thesaurus CAS: EED Vrije woorden: Boedelbeschrijving - Omvang van de onverdeeldheid na echtscheiding - Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving met eedaflegging - Verplichtingen van de partijen bij de aangifte van goederen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - GERECHTELIJKE SCHEIDING VAN GOEDEREN Vrije woorden: Omvang van de onverdeeldheid na echtscheiding - Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving met eedaflegging - Verplichtingen van de partijen bij de aangifte van goederen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE GOEDEREN Vrije woorden: Omvang van de onverdeeldheid na echtscheiding - Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen - Notariële boedelbeschrijving met eedaflegging - Verplichtingen van de partijen bij de aangifte van goederen - Omvang Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 192 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 226 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1175, eerste lid, en 1183, 11° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0908.N A. M. M. S., beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen F. V., burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei
  2. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest spreekt de eiseres vrij voor de verbeterde telastlegging B en verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder ongegrond in zoverre deze gebaseerd is op die telastlegging. In zoverre tegen die beslissingen van het arrest gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 192 Grondwet, artikel 226 Strafwetboek en de artikelen 1175 en 1183 Gerechtelijk Wetboek: het oordeel dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van een valse eed bij de notariële boedelbeschrijving van 7 december 2012 is niet naar recht verantwoord; aangezien een eed maar kan worden opgelegd dan krachtens de wet, kan een valse eed geen misdrijf opleveren wanneer het opleggen van die eed volgens de wet niet toegelaten is; de boedelbeschrijving waarbij de eiseres de eed heeft afgelegd, kon slechts betrekking hebben op een huwelijksgemeenschap of een onverdeeldheid, wat hier niet het geval was; het arrest stelt immers vast dat de eiseres en de verweerder gehuwd waren onder het stelsel van de scheiding van goederen, dit is een huwelijksstelsel zonder gemeenschappelijk vermogen, zodat er slechts sprake kan zijn van onderlinge vorderingen tussen de ex-echtgenoten en niet van vorderingen aan of door het gemeenschappelijk vermogen; bovendien stelt het arrest niet vast dat er tussen de eiseres en de verweerder een onverdeeldheid was met betrekking tot bepaalde goederen; de eiseres was er dan ook niet toe gehouden opgave te doen van goederen en waarden die tot haar eigen vermogen behoren, waaronder de tegoeden bij financiële instellingen uit de periode vanaf de feitelijke scheiding op 23 augustus 2008 tot de datum van het inleiden van de vordering tot echtscheiding, dit is 23 december 2008; de bij de boedelbeschrijving afgelegde eed kan slechts betrekking hebben op gegevens in verband met een onverdeelde boedel maar niet op gegevens met betrekking tot eigen goederen; het arrest kon bijgevolg niet wettig oordelen dat het ook in geval van ontbinding van een stelsel van scheiding van goederen noodzakelijk is dat “de eigen goederen van partijen in kaart worden gebracht”; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de loutere mogelijkheid dat er in de toekomst nog discussies zouden kunnen ontstaan over het eigendomsrecht die zouden kunnen leiden tot de vaststelling van een onverdeeldheid tussen de partijen; de opgave van gegevens met betrekking tot het eigen vermogen kan immers slechts relevant zijn bij een bestaande huwelijksgemeenschap of een bestaande onverdeeldheid, die door het arrest evenwel niet wordt vastgesteld, en niet bij een in de toekomst eventueel vast te stellen onverdeeldheid.
  5. De schuldigverklaring aan het in artikel 226, tweede lid, Strafwetboek bedoelde misdrijf van het afleggen van een valse eed bij een boedelbeschrijving vereist dat de afgelegde eed wettig werd opgelegd. Volgens artikel 192 Grondwet kan immers geen eed worden opgelegd dan krachtens de wet, die er de formule van vaststelt.
  6. Artikel 1175, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de boedelbeschrijving tot doel heeft de omvang van de nalatenschap van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen. De boedelbeschrijving die wordt opgesteld na de ontbinding van een huwelijksvermogensstelsel strekt er aldus toe de omvang van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid vast te stellen en dient alle gegevens te bevatten die nodig zijn voor een betrouwbaar beeld van de samenstelling, de baten en de lasten van de onverdeelde boedel.
  7. De omstandigheid dat het ontbonden huwelijksvermogensstelsel betrekking heeft op een stelsel van scheiding van goederen en geen gemeenschappelijk vermogen omvat, heeft niet tot gevolg dat er geen vereffening en verdeling kan worden bevolen en geen notariële boedelbeschrijving moet worden opgesteld waarbij de in artikel 1183, 11°, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven eed moet worden afgelegd. Immers kan er bij de ontbinding van een stelsel van scheiding van goederen niet alleen sprake zijn van een onverdeeldheid tussen de partijen, maar kan er onder meer ook discussie ontstaan over het eigendomsrecht op bepaalde goederen, wat kan leiden tot de vaststelling van het bestaan van een onverdeeldheid of een directe weerslag kan hebben op de omvang ervan.
  8. De uit de echt gescheiden partijen bij een boedelbeschrijving die wordt opgesteld naar aanleiding van de vereffening en verdeling van een gebeurlijke onverdeeldheid na de ontbinding van een stelsel van scheiding van goederen zijn ertoe gehouden om alle goederen en waarden te vermelden die kunnen leiden tot de vaststelling van het bestaan van een onverdeeldheid of die een invloed kunnen hebben op de omvang van de onverdeelde boedel. Zij zijn er bovendien ook toe verplicht opgave te doen van de goederen en waarden die krachtens een wettelijke bepaling of een beding in het huwelijkscontract tot hun respectieve eigen vermogen behoren maar waarvan het eigendomsrecht door de andere partij wordt betwist.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt niet dat er tussen de partijen geen onverdeeldheid bestaat, noch dat er over het eigendomsstatuut van de goederen geen betwisting wordt gevoerd en dat louter de mogelijkheid bestaat dat er in de toekomst hierover eventueel discussies kunnen ontstaan. Het arrest (p. 9) stelt wel dat discussies over het eigen dan wel het onverdeeld karakter van bepaalde goederen niet door de strafrechter dienen te worden beslecht en het evenmin aan de strafrechter toekomt om een uitspraak te doen over de te vereffenen en verdelen bedragen. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat uit het arrest blijkt dat er tussen de partijen geen onverdeeldheid bestaat en er door de partijen niet wordt betwist dat de in de boedelbeschrijving door de eiseres verzwegen goederen en waarden tot haar eigen vermogen behoren, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  11. Het arrest (p. 11-15) stelt verder vast en oordeelt onder meer als volgt: - bij vonnis van 11 juni 2009 werd de echtscheiding tussen de eiseres en de verweerder uitgesproken en werd de vereffening en verdeling bevolen van de huwelijksgemeenschap en of van de gebeurlijke onverdeeldheid tussen de partijen, rekening houdend met het tussen hen bestaande huwelijkscontract, waarbij een notaris werd aangesteld; - uit de notariële akte van boedelbeschrijving van 11 mei 2012 en van 7 december 2012 (“afsluiting inventaris”) blijkt dat de aangestelde notaris is overgegaan tot het opmaken van een “boedelbeschrijving en schatting van alle roerende en onroerende goederen, eigen of gemeenschappelijke, verdeelde en onverdeelde”, die aan de eiseres en de verweerder toebehoren; - overeenkomstig artikel 1175, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek heeft de boedelbeschrijving onder meer tot doel de omvang vast te stellen van de onverdeeldheid, waarvan het bestaan door de eiseres overigens niet werd uitgesloten; - ook in geval van ontbinding van een huwelijksstelsel van scheiding van goederen is het noodzakelijk dat bij de boedelbeschrijving de eigen goederen van de partijen in kaart worden gebracht, waarbij vooreerst moet worden verwezen naar artikel 1468, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing, dat bepaalt dat roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze eigendom zijn van een der echtgenoten, worden beschouwd als onverdeeld tussen de echtgenoten, en verder ook naar artikel 5.4 van het tussen de eiseres en de verweerder gesloten huwelijkscontract, dat bepaalt dat goederen waarop de echtgenoten geen enkel uitsluitend eigendomsrecht kunnen doen gelden, zullen vermoed worden hen elk voor de helft toe te behoren; - de roerende goederen waarvan de eiseres meent dat zij tot haar eigen vermogen behoren kunnen dus wel degelijk deel uitmaken van een onverdeeldheid tussen haarzelf en de verweerder, indien zij er in het kader van de vereffening en verdeling niet in zou slagen haar eigendomsrecht over deze goederen te bewijzen; - ook het vermeend eigen vermogen van de partijen dient te worden opgenomen in de boedelbeschrijving, aangezien er nog discussies kunnen rijzen over de eigendom van bepaalde roerende goederen waarvan een van de partijen meent dat het om eigen goederen gaat maar die bij gebrek aan bewijs van eigendom kunnen leiden tot een onverdeeldheid, ook al is de strafrechter niet bevoegd om te oordelen over die discussies; - de notaris werd uitdrukkelijk gelast met het opmaken van een boedelbeschrijving van alle roerende en onroerende goederen, eigen of gemeenschappelijke, verdeelde en onverdeelde, die toebehoren aan de eiseres en aan de verweerder, zodat de notaris zijn bevoegdheid geenszins te buiten is gegaan door ook de eigen goederen van de partijen in de boedelbeschrijving op te nemen; - de eiseres kan bezwaarlijk betwisten dat zij bepaalde goederen niet of slechts op onvolledige wijze heeft aangegeven in de boedelbeschrijving, zodat de navolgende eed die zij bij het afsluiten van de boedelbeschrijving op 7 december 2012 heeft afgelegd, als vals dient te worden beschouwd. Met die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van een valse eed bij de boedelbeschrijving. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1134 oud Burgerlijk Wetboek: het oordeel dat ook in geval van ontbinding van een huwelijksstelsel van scheiding van goederen het noodzakelijk is dat bij de boedelbeschrijving de eigen goederen van de partijen in kaart worden gebracht omdat bij toepassing van artikel 1468, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek zoals hier van toepassing en artikel 5.4 van het tussen de eiseres en de verweerder gesloten huwelijkscontract een onverdeeldheid kan blijken met betrekking tot goederen waarvan het uitsluitende eigendomsrecht niet wordt bewezen, is niet naar recht verantwoord en ook niet regelmatig met redenen omkleed; uit artikel 5.3 van het huwelijkscontract blijkt dat waarden en rekeningen op naam worden vermoed toe te behoren aan de echtgenoot die er de titularis van is; het arrest stelt vast dat de door de eiseres verzwegen gegevens of onvolledig of onjuist meegedeelde gegevens betrekking hebben op tegoeden bij financiële instellingen op naam van de eiseres, zodat deze tot haar eigen vermogen behoren en het voormelde artikel 1468, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek en artikel 5.4 van het huwelijkscontract hier niet van toepassing zijn; de appelrechters antwoorden bovendien niet op de appelconclusie van de eiseres waarin zij had aangevoerd dat in het huwelijkscontract het vermoeden van onverdeeldheid werd uitgesloten en er volgens dat contract enkel bij een schriftelijke overeenkomst een onverdeeldheid zou kunnen ontstaan, en dat de desbetreffende rekeningen en waarden op grond van artikel 5.3 van het huwelijkscontract aan haar toebehoorden; het arrest miskent aldus ook de bindende kracht van artikel 5.3 van het huwelijkscontract tussen de partijen.
  13. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de appelrechters bij de beoordeling van de strafbaarheid van de valse eed bij de boedelbeschrijving wettig oordelen dat: - discussies over het eigen dan wel het onverdeeld karakter van bepaalde goederen niet door de strafrechter dienen te worden beslecht en het evenmin aan de strafrechter toekomt om een uitspraak te doen over de te vereffenen en verdelen bedragen; - de notaris zijn bevoegdheid geenszins te buiten is gegaan door ook de eigen goederen van de partijen in de boedelbeschrijving op te nemen; - ook het vermeend eigen vermogen van de partijen dient te worden opgenomen in de boedelbeschrijving, aangezien er nog discussies kunnen rijzen over de eigendom van bepaalde roerende goederen waarvan een van de partijen meent dat het om eigen goederen gaat. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest de bindende kracht van het huwelijkscontract miskent omdat de door de eiseres verzwegen gegevens of onvolledig of onjuist meegedeelde gegevens betrekking hebben op financiële tegoeden die op grond van artikel 5.3 van het huwelijkscontract tot het eigen vermogen van de eiseres behoren, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  14. Door te oordelen dat het niet aan de strafrechter toekomt om discussies te beslechten over het eigen dan wel het onverdeeld karakter van bepaalde goederen en dat ook het vermeend eigen vermogen van de partijen dient te worden opgenomen in de boedelbeschrijving, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel aangehaalde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 192 Grondwet, artikel 226 Strafwetboek en artikel 1175 Gerechtelijk Wetboek: door te oordelen dat het standpunt van de eiseres dat zij haar eigen goederen niet diende te vermelden in de boedelbeschrijving strijdig is met haar eigen vordering in de echtscheidingsprocedure en met haar akkoord om ook de eigen goederen op te geven en de eed af te leggen, verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de eiseres aan het afleggen van een valse eed bij een boedelbeschrijving niet naar recht; een eed kan maar worden opgelegd dan krachtens de wet, zodat er geen veroordeling wegens meineed mogelijk is wanneer de wet niet toelaat de eed op te dragen, ook al zou degene die de eed hebben afgelegd hiermee akkoord zijn gegaan; het loutere akkoord van de eiseres om bij het afsluiten van de boedelbeschrijving op 7 december 2012 de eed af te leggen heeft niet tot gevolg dat er wettig een eed werd opgelegd; in zoverre de financiële tegoeden die tot het eigen vermogen van de eiseres behoorden niet dienden te worden opgegeven bij de boedelbeschrijving, kan het akkoord van de eiseres om toch de eed af te leggen niet leiden tot de schuldigverklaring aan het misdrijf van het afleggen van een valse eed.
  16. De appelrechters baseren de schuld van de eiseres aan het afleggen van een valse eed bij de boedelbeschrijving niet op de omstandigheid dat de eiseres zelf de vereffening en verdeling van de gebeurlijke onverdeeldheid heeft gevorderd en ermee akkoord ging om ook haar eigen goederen op te geven. Het arrest verklaart de eiseres immers schuldig aan het afleggen van een valse eed bij de op 7 december 2012 afgesloten boedelbeschrijving omdat zij bepaalde goederen en waarden niet of slechts op onvolledige wijze heeft opgegeven bij de boedelbeschrijving die werd opgesteld naar aanleiding van een vonnis van 11 juni 2009, waarbij onder meer de vereffening en verdeling werd bevolen van de gebeurlijke onverdeeldheid tussen de partijen. Het arrest oordeelt ook dat de notaris zijn bevoegdheid niet te buiten is gegaan door ook de eigen goederen van de partijen in de boedelbeschrijving op te nemen. In zoverre kan het onderdeel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  17. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990126.11 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031014.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.