id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Eerste handhaving - Geen inzage in het volledige strafdossier - Invrijheidstelling - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Terbeschikkingstelling van het volledige strafdossier - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INZAGE VAN HET DOSSIER Vrije woorden: Artikel 5.4 EVRM - Eerste handhaving van de voorlopige hechtenis - Geen inzage in het volledige strafdossier - Invrijheidstelling - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Terbeschikkingstelling van het volledige strafdossier - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 4 Bij de handhaving van de voorlopige hechtenis kan een onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan bij de rechtspleging doordat de raadsman van de inverdenkinggestelde niet in de mogelijkheid werd gesteld inzage te nemen van het dossier, waardoor zijn recht van verdediging werd miskend, worden hersteld; de onregelmatigheid van de rechtspleging voor de raadkamer leidt dan ook niet tot de onwettigheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis wanneer het volledige dossier ter beschikking werd gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman vóór diens verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer aanhangig is gemaakt; de inverdenkinggestelde is aldus in de mogelijkheid om na te gaan of het dossier geen elementen à décharge bevat en er geen onregelmatigheden of nietigheden werden begaan; de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling zelf ook de zaak heeft uitgesteld teneinde aan de inverdenkinggestelde de inzage in het volledige strafdossier te garanderen, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Cass. 25 februari 2020, AR P.20.0195.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.12, AC 2020, nr. 153; Cass. 28 mei 2008, AR P.08.0751.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080528.3, AC 2008, nr. 328; Cass. 3 januari 2006, AR P.05.1662.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.4, AC 2006, nr. 5; Cass. 10 november 1999, AR P.99.1514.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.22, AC 1999, nr. 601; Cass. 27 juli 1999, AR P.99.1084.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990727.21, AC 1999, nr. 423; Cass. 5 april 2006, AR P.06.0466.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.4, AC 2006, nr. 206; Cass. 21 november 1995, AR P.95.1247.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951121.2, AC 1995, nr. 503; Cass. 20 april 1993, AR P.93.0543.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930420.12, AC 1993, nr. 192; Cass. 17 april 1991, AC 1990-91,
- Zie E. DE FORMANOIR, “Controle en handhaving van de voorlopige hechtenis”, in De voorlopige hechtenis, Kluwer, 2000, 296-297; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 627; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 512; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021,
- Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Voorlopige hechtenis - Eerste handhaving van de voorlopige hechtenis - Geen inzage in het volledige strafdossier - Invrijheidstelling - Hoger beroep van het openbaar ministerie - Terbeschikkingstelling van het volledige strafdossier - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0437.N B. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Mathias De Daele, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1, 5.3 en 5.4 EVRM: de handhaving van de hechtenis is niet naar recht verantwoord en miskent eisers recht op een beoordeling van zijn vrijheidsberoving binnen een korte termijn; de eiser verbleef van 25 februari 2022 tot 25 maart 2022 op een onwettige wijze in voorlopige hechtenis omdat zijn inzagerecht werd miskend; de vertragingen zijn een gevolg van het feit dat tot driemaal toe werd vastgesteld dat eisers inzagerecht werd miskend; de zaak werd vooreerst door de raadkamer op 2 maart 2022 uitgesteld naar de rechtszitting van 10 maart 2022 wegens de onvolledigheid van het dossier; vervolgens werd op 9 maart 2022 aan de eiser de inzage in het dossier geweigerd, waarna de raadkamer bij beschikking van 10 maart 2022 oordeelde dat eisers recht van verdediging werd miskend omdat hem geen inzage in het dossier werd verleend; ten slotte werd de zaak ook door de kamer van inbeschuldigingstelling op 24 maart 2022 uitgesteld naar de rechtszitting van 25 maart 2022 om een inzage van het integrale dossier voor de eiser mogelijk te maken; deze vertragingen zijn louter te wijten aan de overheid en kunnen slechts worden geremedieerd door eisers onmiddellijke invrijheidstelling.
- Volgens artikel 5.4 EVRM heeft eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt indien de gevangenhouding onrechtmatig is.
- Artikel 5.4 EVRM verzet zich niet ertegen dat de kamer van inbeschuldigingstelling die moet oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde naar aanleiding van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een beschikking van de raadkamer die deze handhaving heeft geweigerd omdat wegens de niet-naleving van het recht op inzage van het dossier het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde werd miskend, ervoor zorgt dat de inverdenkinggestelde in hoger beroep inzage heeft in het volledige strafdossier en vervolgens oordeelt over de handhaving van de voorlopige hechtenis. De remediëring van het gebrek aan inzage in het volledige strafdossier door het appelgerecht, dat bij toepassing van artikel 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet uitspraak moet doen binnen de vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep, belet niet dat de inverdenkinggestelde recht heeft op een voorziening bij de rechter die op korte termijn oordeelt over de wettigheid van de gevangenhouding. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat: - de zaak werd vastgesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling op de rechtszitting van 24 maart 2022, waarop de zaak ambtshalve werd uitgesteld naar de rechtszitting van 25 maart 2022 omdat één stuk niet volledig ingescand leek te zijn; - eisers raadsman op de rechtszitting van 25 maart 2022 verklaarde inzage te hebben gekregen van het onvolledige stuk dat hem op 24 maart 2022 ter beschikking werd gesteld door het kabinet van de onderzoeksrechter; - eisers recht van verdediging niet werd miskend; - er geen wettelijke termijnen werden geschonden, waarbij de verleende uitstellen plaats vonden hetzij op verzoek van de eiser zelf, hetzij binnen de wettelijke termijnen voor de behandeling van de zaak; - het eventuele gebrek met betrekking tot de inzage voor de raadkamer op 10 maart 2022 werd geremedieerd in het kader van de procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling; - de eiser zich op 25 maart 2022 met kennis van zaken heeft kunnen verdedigen, zonder dat er sprake is van een schending van de in zijn conclusie aangehaalde verdragsrechtelijke bepalingen of artikelen van de Voorlopige Hechteniswet. Met die redenen oordeelt het arrest naar recht dat de in artikel 5.4 EVRM bedoelde rechten niet werden miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De aangevoerde schending van artikel 5.1 en 5.3 EVRM is geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 5.4 EVRM. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1, 5.3 en 5.4 EVRM, artikel 7 van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en artikel 21, § 1, § 3, en § 4, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat er geen wettelijke termijnen werden overschreden, verantwoordt het arrest de handhaving van eisers voorlopige hechtenis niet naar recht; de zaak werd door de kamer van inbeschuldigingstelling op 24 maart 2022 ambtshalve uitgesteld met het oog op de voorlegging van het volledige strafdossier, waarna de eiser pas op 24 maart 2022 om 11.26 uur inzage kreeg in het volledige strafdossier, waaronder met name het volledige proces-verbaal nr. 502898/2022, dat op hem betrekking heeft; de kamer van inbeschuldigingstelling kon vervolgens slechts op de rechtszitting van 25 maart 2022 om 10.00 uur met volledige kennis van zaken oordelen; voor de eerste rechter heeft in wezen geen beoordeling plaatsgevonden, aangezien daags vóór de rechtszitting voor de raadkamer de inzage werd geweigerd en het volledige dossier toen niet voorhanden was; hoewel de eiser reeds op 24 februari 2022 van zijn vrijheid werd beroofd, kon aldus pas op 25 maart 2022 een onderzoeksgerecht oordelen op basis van een volledig strafdossier; bijgevolg kon door de eiser voor de raadkamer niet worden nagegaan of het dossier geen ontlastende elementen bevatte en of er geen sprake was van mogelijke nietigheden; bovendien was het gebrek aan inzage in het volledige strafdossier ook de reden waarom er voor de raadkamer reeds op 2 maart 2022 een uitstel werd verleend.
- Krachtens artikel 21, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet wordt het dossier ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning voor de raadkamer die krachtens de eerste paragraaf van die bepaling uitspraak moet doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
- Bij de handhaving van de voorlopige hechtenis kan een onregelmatigheid die zich heeft voorgedaan bij de rechtspleging doordat de raadsman van de inverdenkinggestelde niet in de mogelijkheid werd gesteld inzage te nemen van het dossier, waardoor zijn recht van verdediging werd miskend, worden hersteld. De onregelmatigheid van de rechtspleging voor de raadkamer leidt dan ook niet tot de onwettigheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis wanneer het volledige dossier ter beschikking werd gehouden van de inverdenkinggestelde en van zijn raadsman vóór diens verschijning voor de kamer van inbeschuldigingstelling waarbij het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer aanhangig is gemaakt. De inverdenkinggestelde is aldus in de mogelijkheid om na te gaan of het dossier geen elementen à décharge bevat en er geen onregelmatigheden of nietigheden werden begaan. De omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling zelf ook de zaak heeft uitgesteld teneinde aan de inverdenkinggestelde de inzage in het volledige strafdossier te garanderen, doet hieraan geen afbreuk.
- In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser op 24 maart 2022 pas om 11.26 uur inzage kreeg in het volledige strafdossier en de kamer van inbeschuldigingstelling op 25 maart 2022 om 10.00 uur over de handhaving van de hechtenis heeft geoordeeld, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - tegen de eiser op 25 februari 2022 een bevel tot aanhouding werd afgeleverd; - de zaak werd opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer van 2 maart 2022, waarna de zaak op vraag van eisers raadsman werd uitgesteld naar de rechtszitting van 10 maart 2022 met het oog op de voeging van stukken; - de raadkamer bij beschikking van 10 maart 2022 heeft beslist de voorlopige hechtenis van de eiser niet te handhaven wegens schending van zijn recht van verdediging gelet op het feit dat er geen inzage werd verleend in het dossier; - op het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen die beschikking de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling werd opgeroepen op de rechtszitting van 24 maart 2022, waarop de zaak ambtshalve werd uitgesteld naar de rechtszitting van 25 maart 2022 omdat één stuk niet volledig ingescand bleek te zijn; - de kamer van inbeschuldigingstelling, na te hebben vastgesteld dat eisers raadsman verklaarde inzage te hebben gekregen van het onvolledige stuk dat hem op 24 maart 2022 ter beschikking werd gesteld door het kabinet van de onderzoeksrechter, de zaak heeft behandeld en het arrest heeft gewezen waarbij de handhaving van de hechtenis werd bevolen. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930420.12 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19951121.2 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990727.21 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991110.22 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060103.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060405.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080528.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200225.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211216.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div