id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.5 Rolnummer: P.21.1288.N Zaak: IMMORODE N.V. c. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTE Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-12 Raadplegingen: 771 - laatst gezien 2026-06-18 20:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche Volgens artikel 1.3 Vrijstellingsbesluit zijn de bepalingen van dit besluit maar van toepassing voor zover de bedoelde handelingen niet strijdig zijn met, onder meer, de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen, thans omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen; hieruit volgt dat de vrijstelling van de vergunningsplicht niet geldt wanneer aan een constructie waarvoor een stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, werd verleend, werken of handelingen zoals bedoeld in het Vrijstellingsbesluit worden uitgevoerd die in strijd zijn met een uitdrukkelijke voorwaarde van die vergunning. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Voorwaarden van de omgevingsvergunning bij wederopbouw van een woning of aanhorigheid - Werken uitgevoerd in strijd met de vergunning - Vrijstelling van vergunning voor binnenverbouwingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is - 16-07-2010 - Artt. 1.3 en 3.1, 4° - 30 ELI link Pub nr 2010035645 Tekst van de beslissing Nr. P.21.1288.N IMMORODE nv, met zetel te 3040 Huldenberg, Leuvensebaan 317, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joeri Leten, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1082 Brussel (Sint-Agatha-Berchem), Keizer Karellaan 586 (Acces Building), bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 3000 Leuven, Dirk Boutsgebouw, Diestsepoort 6 bus 93, eiser tot herstel, verweerder, met als raadsman mr. Philippe Declercq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3320 Hoegaarden, Gemeenteplein 25, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest stelt het verval van de strafvordering door verjaring vast. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 22 Wetboek van Strafvordering en artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: doordat het arrest niet verduidelijkt of de miskenning van de vergunningsplicht door de eiseres nu betrekking heeft op artikel 4.2.1, 1°, a), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dan wel op artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is de beslissing waarbij aan de eiseres herstelmaatregelen worden opgelegd niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het openbaar ministerie heeft bovendien nooit een herkwalificatie naar artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorgesteld, terwijl de verweerder slechts bevoegd is om het herstel te vorderen en niet om misdrijven te vervolgen en in dit verband een herkwalificatie voor te stellen; de eiseres heeft zich ook niet kunnen verdedigen over een herkwalificatie naar artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; het herstel kan maar wettig worden bevolen op grond van een ondubbelzinnig vastgesteld misdrijf, wat niet uit het arrest kan worden afgeleid.
- Het arrest (p. 5, nr. 1) oordeelt dat, ongeacht het verval van de strafvordering, de herstelvordering tijdig werd ingesteld en niet verjaard is, zodat moet worden nagegaan of het stedenbouwkundig misdrijf bewezen is. Het oordeelt vervolgens (p. 6-7, nrs. 3-4) dat: - de eiseres de haar op 19 november 2009 verleende stedenbouwkundige vergunning niet heeft nageleefd maar integendeel manifest heeft miskend door een andere constructie te bouwen dan de vergunde heropbouw; - die handeling, namelijk het bouwen in strijd met een verleende vergunning, zijnde het “niet-naleven van een herbouw-vergunning”, strafbaar wordt gesteld door artikel 6.2.1, 1°, en op het ogenblik van het plegen van de feiten door artikel 6.1.1, 1°, en door artikel 4.2.1, 1°, c), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - de aldus bewezenverklaarde feiten dezelfde feiten betreffen als deze die in de telastlegging aanvankelijk werden gekwalificeerd als de niet-naleving van de in artikel 4.2.1, 1°, a), Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde vergunningsplicht; - de partijen de gelegenheid hebben gehad tegenspraak te voeren over de alternatieve kwalificatie die de verweerder in zijn conclusie voorstelde; - de bijkomende kwalificatie in verband met de in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde functiewijziging geen belang heeft.
- Het arrest verklaart de als stedenbouwkundig misdrijf omschreven feiten aldus ondubbelzinnig bewezen als het herbouwen van een constructie in strijd met een verleende vergunning, zoals bedoeld door artikel 4.2.1, 1°, c), en artikel 6.1.1, 1°, thans artikel 6.2.1, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het oordeelt zonder enige onduidelijkheid of dubbelzinnigheid dat het die feiten niet kwalificeert als het niet-naleven van de vergunningsplicht die wordt bedoeld in artikel 4.2.1, 1°, a), of in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiseres niet in de gelegenheid werd gesteld om zich te verdedigen over een eventuele herkwalificatie van het misdrijf als het uitvoeren van een onvergunde functiewijziging, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4.2.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 3.1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (hierna Vrijstellingsbesluit): met het oordeel dat het gebouw vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening feitelijk wordt gewijzigd, verantwoordt het arrest de beslissing dat de eiseres zich niet kan beroepen op de vrijstelling van de vergunningsplicht voor binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken, niet naar recht; geen enkele bepaling van het Vrijstellingsbesluit vereist als toepassingsvoorwaarde dat de vrijgestelde werken of handelingen geen feitelijke wijziging mogen inhouden; bovendien houden bijna alle in het Vrijstellingsbesluit bedoelde werken en handelingen een feitelijke wijziging in van het desbetreffende gebouw of terrein.
- Volgens artikel 1.3 Vrijstellingsbesluit zijn de bepalingen van dit besluit maar van toepassing voor zover de bedoelde handelingen niet strijdig zijn met, onder meer, de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen, thans omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen. Hieruit volgt dat de vrijstelling van de vergunningsplicht niet geldt wanneer aan een constructie waarvoor een stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, werd verleend, werken of handelingen zoals bedoeld in het Vrijstellingsbesluit worden uitgevoerd die in strijd zijn met een uitdrukkelijke voorwaarde van die vergunning. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 6-8) verwerpt het verweer van de eiseres met betrekking tot de vrijstelling van de vergunningsplicht en oordeelt hierbij dat: - de uitgevoerde werken betrekking hebben op het bij het hoofdgebouw (landhuis) in het park gelegen dienstgebouw, namelijk een tuinberging/koetshuisje zonder dat enige bewoning mogelijk was; - op 19 november 2009 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de afbraak en wederopbouw van het dienstgebouw als een garage/tuinberging met een zolder; - de vergunning van 19 november 2009 niet werd nageleefd omdat het gebouw en het bouwvolume afwijken van het ingediende plan doordat in de linkergevel een extra raam en in het dak drie veluxramen werden geplaatst, op de plaats van de zolder een volwaardige woning werd ingericht, met een onderverdeling in drie ruimtes (leefruimte met volledig uitgeruste keuken, slaapkamer en badkamer) en het dak achteraan verder werd doorgetrokken om er een afdak te creëren, gebruikt voor het stapelen van hout en materieel; - de eiseres in feite een volwaardige woning bouwde in plaats van de vergunde garage/berging, waardoor een andere constructie werd gebouwd dan de vergunde heropbouw en de vergunning manifest werd geschonden; - de vrijstelling slechts kan spelen als het gebouw binnen de grenzen van de vergunde toestand blijft, wat niet het geval is aangezien niet het vergunde gebouw werd opgericht, namelijk een garage/berging zonder de mogelijkheid tot bewoning en zonder de daartoe nodige ramen, maar wel een woning met volledig ingerichte aparte leefruimtes en toevoeging van ramen voor die ruimtes; - geen sprake is van een van de vergunningsplicht vrijgestelde binnenverbouwing.
- Uit die redenen blijkt dat het arrest niet oordeelt dat de eiseres zich niet kan beroepen op een vrijstelling van de vergunningsplicht omdat het gebouw feitelijk werd gewijzigd, maar wel omdat de werken en handelingen, voorwerp van de telastlegging, zowel wat de aard van het vergunde gebouw als het vergunde bouwvolume betreft, in strijd zijn met de verleende vergunning en niet kunnen worden beschouwd als een loutere binnenverbouwing. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen: het oordeel dat de werken moeten worden beschouwd als een vergunningsplichtige functiewijziging is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest specificeert niet welke vergunningsplichtige functiewijziging precies werd doorgevoerd; het inrichten van een bij een woning horende garage met leefruimtes levert geen vergunningsplichtige functiewijziging op.
- Uit het antwoord op het eerste middel blijkt dat het arrest de eiseres niet schuldig verklaart aan het niet-naleven van de vergunningsplicht voor een functiewijziging zoals bedoeld in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 4.2.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 3.1, 2°, Vrijstellingsbesluit: het oordeel dat de uitbreiding van het afdak niet is vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest motiveert niet waarom de onvergunde toestand van de hoofdconstructie zou impliceren dat er geen toepassing kan worden gemaakt van het Vrijstellingsbesluit; er is geen sprake van een gewijzigd bouwvolume; het afdak voldoet aan alle vereisten om te zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de in het tweede en het derde middel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt niet dat er geen sprake is van een gewijzigd bouwvolume. Het oordeelt integendeel (p. 7, nr. 4) dat het misdrijf onder meer betrekking heeft op een uitbreiding van het bouwvolume door de aanbouw van een afdak. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Met het oordeel dat de aanbouw van een afdak gepaard gaat met een uitbreiding van het bouwvolume, verantwoordt het arrest de beslissing dat er geen toepassing kan worden gemaakt van de vrijstelling van een vergunning zoals bedoeld in artikel 3.1, 2°, Vrijstellingsbesluit. In zoverre gericht tegen de redenen van het arrest met betrekking tot de onvergunde toestand van de hoofdconstructie, is het middel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 55,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 5 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220405.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div