← België

D. contra Wooninspecteur van het vlaams gewest

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.11 Rolnummer: C.21.0287.N Zaak: D. contra Wooninspecteur van het vlaams gewest Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-04-26 Raadplegingen: 910 - laatst gezien 2026-06-19 06:38 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220407.1N.11 Fiches 1 - 2 Het Hof houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux-Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: “In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, moeten dan de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het gesteld maximumbedrag van de dwangsom is bereikt?” Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Dwangsom - Bedrag waarboven geen dwangsom kan worden verbeurd - Verbeurde maar verjaarde dwangsommen - Prejudiciële vraag Benelux-Gerechtshof Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Eenvormige Beneluxwet - Bedrag waarboven geen dwangsom kan worden verbeurd - Verbeurde maar verjaarde dwangsommen - Prejudiciële vraag Benelux-Gerechtshof Tekst van de beslissing Nr. C.21.0287.N R. D. B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 88, bus 22, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. I. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 november

  1. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 15 maart 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter op vordering van een partij de wederpartij veroordelen tot betaling van een dwangsom voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Krachtens artikel 1385bis, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 3, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan geen dwangsom worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld. Krachtens artikel 1385bis, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 1, lid 4, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter bepalen dat pas na verloop van een zekere termijn dwangsommen kunnen verbeuren. Krachtens artikel 1385ter Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 2 van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, kan de rechter de dwangsom vaststellen op hetzij een bedrag ineens, hetzij een bedrag per tijdseenheid of per overtreding en, in de laatste twee gevallen, eveneens een bedrag bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Krachtens artikel 1385octies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, dat overeenstemt met artikel 7, lid 1, van de Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom, verjaart een dwangsom door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd.
  3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 24 maart 2015 aan de eiser het bevel werd opgelegd om aan zeven panden een andere bestemming te geven, dan wel ze te slopen, en dit binnen een termijn van één jaar na de uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging en met een maximum van 75.000,00 euro per pand; - bij exploot van 30 mei 2016 een eerste bevel werd betekend tot betaling van 57.900,67 euro, waaronder verbeurd verklaarde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 mei 2016, aan 150,00 euro per dag vertraging tot het herstel van de gebreken in zes van de zeven panden, en diverse uitvoeringskosten; - dit bevel stuitende werking heeft voor wat betreft de verjaring van de dwangsommen waarop het bevel betrekking heeft; - bij exploot van 28 oktober 2016 een tweede bevel werd betekend tot betaling van 75.474,75 euro, waaronder verbeurd verklaarde dwangsommen voor de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016, aan 150,00 euro per dag vertraging tot het herstel van de gebreken in zes van de zeven panden, “doch beperkt tot het maximum van 75.000 euro”, en diverse uitvoeringskosten; - dit bevel de verjaring van de dwangsommen die zijn verbeurd in de periode van 24 maart 2016 tot 27 oktober 2016 slechts stuit voor een bedrag van 75.000,00 euro, zelfs wanneer een correcte becijfering aanleiding had kunnen geven tot stuiting van verbeurde dwangsommen ten belope van 195.300,00 euro; - met het derde bevel van 25 januari 2017 opnieuw de verjaring werd gestuit van de nog niet verjaarde dwangsommen tot en met 27 oktober 2016 (75.000,00 euro), als van de dwangsommen die nog steeds aan het verbeuren waren zolang de hoofdveroordeling niet voldaan werd; aldus de verjaring werd gestuit voor 155.100,00 euro aan verbeurde dwangsommen (75.000,00 euro + 80.100,00 euro [89 dagen x 6 x 150,00 euro]); - telkens binnen een termijn van zes maanden een nieuw stuitend bevel werd betekend met het laatste op 26 mei 2020; - sedert het derde bevel van 25 januari 2017 de beperking tot 75.000,00 euro niet langer werd hernomen; - gelet op al de navolgende bevelen die betekend werden na het tweede bevel, de verjaring van de verbeurde dwangsommen uiteindelijk ten belope van hun maximum van 450.000,00 euro geldig werd gestuit, zelfs wanneer geen stuitende werking wordt toegekend aan het tweede bevel van 27 oktober 2016 voor een hoger bedrag dan 75.000,00 euro; - het gegeven dat in het tweede bevel ten onrechte gewag werd gemaakt van een beperking tot 75.000,00 euro, terwijl dat maximum gold per pand, niet heeft kunnen beletten dat het maximum van 450.000,00 euro nog zou worden bereikt; - de eerste rechter dan ook terecht heeft geoordeeld dat niet-verjaarde dwangsommen ten belope van het maximum van 450.000,00 euro konden worden aangerekend.
  4. Het onderdeel voert in essentie aan dat de rechter bij de beoordeling of het maximumbedrag bereikt is, alle verbeurde dwangsommen in aanmerking dient te nemen, met inbegrip van deze die verjaard zijn. Het verwijt de appelrechters te beslissen dat ongeacht het bedrag van de verjaarde dwangsommen, hoe dan ook niet-verjaarde dwangsommen ten belope van het maximum van 450.000,00 euro konden worden aangerekend.
  5. Het antwoord op het onderdeel doet de vraag rijzen of, in geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening moeten worden gebracht om te bepalen of het gestelde maximumbedrag bereikt is.
  6. Het antwoord op voormelde vraag die een uitleg vergt van artikel 2 van de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom, verplicht het Hof de in het dictum gepreciseerde vraag aan het Benelux Gerechtshof voor te leggen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Benelux Gerechtshof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: “In geval de dwangsomrechter een bedrag heeft bepaald waarboven de dwangsom niet meer wordt verbeurd, moeten dan de verbeurde, maar verjaarde dwangsommen mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het gestelde maximumbedrag van de dwangsom bereikt is?” Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220407.1N.11 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240627.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240627.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.