← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.2 Rolnummer: C.21.0298.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-04-26 Raadplegingen: 1290 - laatst gezien 2026-06-19 04:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer de fout de benadeelde een voordeel oplevert, moet dit voordeel in de regel worden toegerekend op het bedrag van de schadevergoeding wanneer de benadeelde zonder de fout niet van het voordeel had genoten; de appelrechters die aldus geen rekening houden met het loon en de ziekte-uitkeringen die de verweerder verwierf tijdens de periode tussen de onrechtmatige afzetting en een arrest van de Raad van State dat de ontslagbeslissing vernietigde, kennen hem een schadevergoeding toe die hoger is dan de werkelijk geleden schade en verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht

(1).
(1)Cass. 8 februari 2021, AR S.19.0074.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 februari 2021, AR S.19.0070.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 mei 2015, AR C.14.0269.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2, AC 2015, nr. 311; Cass. 1 februari 2013, AR C.12.0205.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130201.3, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Algemeen Vrije woorden: Fout - Voordeel - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0298.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen G. G., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 26 maart 2018 en 23 november
  2. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Derde onderdeel
  3. Diegene die door zijn fout aan een ander schade berokkent, is overeenkomstig de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek verplicht deze schade te vergoeden, wat inhoudt dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zou gebleven zijn indien de fout niet was begaan.
  4. Wanneer de fout een voordeel oplevert voor de benadeelde, moet dit voordeel in de regel worden toegerekend op het bedrag van de schadevergoeding wanneer de benadeelde zonder de fout niet van het voordeel had genoten.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen in het tussenarrest van 26 maart 2018 dat: - de eiser van de verweerder de betaling van een bedrag van 220.313,68 euro vordert; - dit bedrag het loon en de ziektevergoeding vertegenwoordigt die de verweerder verwierf in de periode tussen de datum van de beslissing van de eiser om hem af te zetten en het arrest van de Raad van State waarbij die beslissing werd vernietigd; - ten belope van dit bedrag de door hem uitgevoerde betaling van de wedde, eindejaarspremie en vakantiegeld voor die periode onverschuldigd zou betaald zijn; - een betaling slechts onverschuldigd is indien zij geen oorzaak heeft; - de betaling aan de verweerder van zijn wedde, eindejaarspremie en het vakantiegeld voor de betrokken periode wel degelijk een oorzaak had; - uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde van de arresten van de Raad van State die een administratieve rechtshandeling nietig verklaren, volgt dat die arresten gezag van gewijsde erga omnes hebben; - de terugwerkende kracht van die arresten tot gevolg heeft dat de administratieve rechtshandelingen ab initio tenietgaan, zodat de partijen opnieuw in de toestand worden geplaatst waarin zij zich bevonden vóór de nietig verklaarde beslissing; - vermits de Raad van State de beslissing van de eiser die aan de verweerder de tuchtstraf van ambtshalve ontslag oplegde vernietigde en de eiser die handeling niet herstelde, rust op de eiser de verplichting de eiser opnieuw in zijn functies te integreren hetgeen voor het verleden neerkomt op de betaling van de achterstallen verschuldigd uit hoofde van die tewerkstelling; - van een onverschuldigde betaling aan de verweerder door de eiser dan ook geen sprake is.
  6. De appelrechters die aldus geen rekening houden met het loon en de ziekte-uitkeringen die de verweerder tijdens de periode tussen de onrechtmatige afzetting en het arrest van de Raad van State verwierf, kennen aan de verweerder een schadevergoeding toe die hoger is dan de werkelijk geleden schade, en verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Omvang van de cassatie
  7. De vernietiging van de beslissing dat de tegenvordering van de eiser ongegrond blijft, strekt zich uit tot de beslissing dat de eiser wordt veroordeeld tot betaling van verwijlinterest op de reeds betaalde wedde, eindejaarstoelagen en vakantiegeld van de verweerder, die daarmee nauw verbonden is en die zich op zijn beurt uitstrekt tot de beslissing dat in toepassing van artikel 1154 Oud Burgerlijk Wetboek interest verschuldigd is op de toegekende interest op de reeds betaalde wedde, eindejaarstoelagen en vakantiegeld die op 23 januari 2009, 22 maart 2013, 27 oktober 2014, 28 mei 2015, 6 december 2016 en 8 december 2017 sedert meer dan één jaar verschuldigd was, die er het gevolg van is. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 26 maart 2018 in zoverre het oordeelt over de tegenvordering van de eiser. Vernietigt het bestreden arrest van 23 november 2020 in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling van verwijlinterest op de reeds betaalde wedde, eindejaarstoelagen en vakantiegeld van de verweerder, het zegt voor recht dat in toepassing van artikel 1154 Oud Burgerlijk Wetboek interest verschuldigd is op de toegekende interest op de reeds betaalde wedde, eindejaarstoelagen en vakantiegeld van de verweerder die op 23 januari 2009, 22 maart 2013, 27 oktober 2014, 28 mei 2015, 6 december 2016 en 8 december 2017 sedert meer dan één jaar verschuldigd was en in zoverre het oordeelt over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arresten. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Eric Van Dooren en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 7 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220407.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.23 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130201.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150515.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.