id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12 Rolnummer: P.22.0483.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2022-04-28 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-06-18 19:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en volgens het Hof van Justitie dient het Belgische onderzoeksgerecht dat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende staat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht is te beoordelen of dit gevaar bestaat alvorens tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te besluiten; het onderzoeksgerecht dient zich bij deze beoordeling te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentievoorwaarden van de uitvaardigende lidstaat betreft, kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen en deze gegevens kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; het onderzoeksgerecht moet daarbij concreet en nauwkeurig nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vanwege de detentieomstandigheden in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij wordt overgeleverd aan die lidstaat en daartoe, zo nodig, aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens moet verzoeken en in afwachting van de ontvangst van deze gegevens zijn beslissing over de overlevering moet uitstellen
(1).
(1)HvJ (Grote Kamer) 5 april 2016, C-404/15 en C-659/16. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Taak van het onderzoeksgerecht - Uitlegging door het Hof van Justitie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - Artikel 1, derde lid - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Uitlegging door het Hof van Justitie - Taak van het onderzoeksgerecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Vrije woorden: Hof van Justitie - Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - Artikel 1, derde lid - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Uitlegging door het Hof van Justitie - Taak van het onderzoeksgerecht - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Taak van het onderzoeksgerecht - Uitlegging door het Hof van Justitie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Fiches 5 - 9 Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; de weigering tot overlevering op grond van deze bepaling is dan ook enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht, of met andere woorden dat er een ernstig, persoonlijk en direct risico is op schending van fundamentele rechten; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn en het oordeelt evenzeer onaantastbaar of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen wordt overgelegd voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en uit het loutere feit dat de betrokkene een schending aanvoert van artikel 3 EVRM omwille van de detentieomstandigheden in gevangenissen van de uitvaardigende staat, volgt niet dat het onderzoeksgerecht steeds verplicht is daarover nadere informatie in te winnen
(1).
(1)Cass. 25 augustus 2021, AR P.21.1119.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7, AC 2021, nr. 505; Cass. 24 maart 2020, AR P.20.0320.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20, AC 2020, nr. 212; Cass. 10 maart 2020, AR P.20.0242.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21, AC 2020, nr. 179; Cass. 18 maart 2014, AR P.14.0402.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5, AC 2014, nr. 215; Cass. 19 november 2013, AR P.13.1765.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Beginsel van wederzijds vertrouwen - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Artikel 3 EVRM - Taak van het onderzoeksgerecht - Bijkomende informatie - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel - Beginsel van wederzijds vertrouwen - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Artikel 3 EVRM - Taak van het onderzoeksgerecht - Bijkomende informatie - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Beginsel van wederzijds vertrouwen - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Artikel 3 EVRM - Taak van het onderzoeksgerecht - Bijkomende informatie - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Onmenselijke of onterende behandelingen - Europees aanhoudingsbevel - Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Beginsel van wederzijds vertrouwen - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Taak van het onderzoeksgerecht - Bijkomende informatie - Draagwijdte - Beoordeling door de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Europees aanhoudingsbevel - Buitenlands bevel tot aanhouding - Tenuitvoerlegging in België - Beginsel van wederzijds vertrouwen - Weigeringsgronden - Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel - Schending van de fundamentele rechten van artikel 6 VEU - Detentieomstandigheden in de gevangenissen van de uitvaardigende staat - Artikel 3 EVRM - Taak van het onderzoeksgerecht - Bijkomende informatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1, derde lid Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 5, p. 281-
- - DEWULF, Steven; Noot'Het europees aanhoudingsbevel en de mensenrechtelijke weigeringsgrond: wanneer moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit om aanvullende informatie vragen aan de autoriteiten...' Tekst van de beslissing Nr. P.22.0483.N A. M., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Dens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en derde onderdeel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest kan op basis van het door de Roemeense autoriteiten uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel op geen enkele wijze nagaan of eisers fundamentele rechten in Roemenië wel degelijk zullen worden gerespecteerd en de Roemeense autoriteiten bieden niet de minste garantie met betrekking tot de detentieomstandigheden waaraan de eiser zal worden blootgesteld; Roemenië werd al meermaals veroordeeld wegens fundamentele en structurele gebreken op het vlak van de detentieomstandigheden en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft daarbij telkenmale besloten tot een schending van artikel 3 EVRM. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: door de Roemeense autoriteiten niet specifiek te bevragen over de detentieomstandigheden in de Roemeense gevangenissen is de weigering de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel toe te passen niet naar recht verantwoord.
- Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van dat bevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokkene, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
- Uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, nr. C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 (Câldâru), volgt dat het Belgische onderzoeksgerecht: - dat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende staat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, verplicht is te beoordelen of dit gevaar bestaat alvorens tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te besluiten; - zich bij deze beoordeling dient te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentievoorwaarden van de uitvaardigende lidstaat betreft, kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; - concreet en nauwkeurig moet nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd vanwege de detentieomstandigheden in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer hij wordt overgeleverd aan die lidstaat; - daartoe, zo nodig, aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens moet verzoeken en in afwachting van de ontvangst van deze gegevens zijn beslissing over de overlevering moet uitstellen.
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De weigering tot overlevering op grond van deze bepaling is dan ook enkel verantwoord wanneer er ernstige en concrete gegevens worden aangevoerd die doen aannemen dat de fundamentele rechten van de persoon zelf, om wiens overlevering wordt gevraagd, in de uitvaardigende staat kennelijk in gevaar zullen worden gebracht, of met andere woorden dat er een ernstig, persoonlijk en direct risico is op schending van fundamentele rechten.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of dergelijke gegevens voorhanden zijn.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt evenzeer onaantastbaar of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen wordt overgelegd voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Uit het loutere feit dat de betrokkene een schending aanvoert van artikel 3 EVRM omwille van de detentieomstandigheden in gevangenissen van de uitvaardigende staat, volgt niet dat het onderzoeksgerecht steeds verplicht is daarover nadere informatie in te winnen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- De eiser heeft voor zijn aanvoering dat er een reëel risico bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling bij zijn overlevering aan Roemenië verwezen naar: - meerdere veroordelingen van Roemenië door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens fundamentele en structurele gebreken inzake de detentieomstandigheden in Roemenië; - het recente arrest nr. 40324/16 van 25 maart 2021 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in dezelfde zin heeft geoordeeld en waarin te lezen valt dat er sprake is van een ernstige situatie van overbevolking in de Roemeense gevangenissen, gebrek aan verwarming of warm water, gebrek aan hygiëne, inadequate medische zorgen, te kleine cellen (kleiner dan 3 vierkante meter), enzovoort, arrest dat specifiek betrekking heeft op de schrijnende toestanden van de gevangenis van Gherla; - het rapport van 2019 van het Europees comité voor de preventie van foltering en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, hierna CPT, waaruit duidelijk blijkt dat in Roemeense gevangenissen in het algemeen en dus niet beperkt tot de gevangenis van Gherla sprake is van zware agressie tegenover en seksueel misbruik van gedetineerden. De eiser heeft verder voorgehouden dat het standpunt dat er geen enkele aanleiding is om op voorhand na te gaan in welke gevangenis de eiser dreigt terecht te komen om daar de precieze omstandigheden na te gaan, in het licht van het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 maart 2021 niet kan worden gevolgd, gelet op de objectieve vaststelling dat minstens in de gevangenis te Gherla er een reëel risico is op zeer slechte detentieomstandigheden, alsook dat Roemenië niet in staat is gebleken om de detentieomstandigheden in lijn te brengen met het EVRM.
- Het arrest oordeelt met van de vordering van de procureur-generaal overgenomen redenen en met eigen redenen als volgt: - de eiser maakt in zijn appelconclusie niet op concrete en geïndividualiseerde wijze aannemelijk dat te zijnen opzichte de mensenrechten in Roemenië niet zouden worden gerespecteerd; - de oppervlakkige verwijzing naar de “algemene toestand” van de gedetineerden in de gevangenissen in Roemenië die zou blijken uit een rapport uit 2019 van het CPT, kan daartoe niet volstaan, te meer daar dit rapport niet wordt voorgelegd; - de eiser maakt daarbij op geen enkele wijze aannemelijk dat hij, ingeval van overlevering, in dezelfde of in gelijkaardige concrete feitelijke omstandigheden zal belanden zoals beschreven in dit rapport; - ook de loutere verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 maart 2021 in de zaak van B. en M. tegen Frankrijk volstaat niet, waarbij moet worden opgemerkt dat dit arrest alleen betrekking had op de situatie in de gevangenis in Gherla en dus niet op “de Roemeense gevangenissen”.
- Op grond van die redenen kan het arrest, zonder de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om aanvullende gegevens te verzoeken betreffende de detentieomstandigheden in de gevangenis of gevangenissen waarin de eiser na zijn overlevering desgevallend zal worden opgesloten, niet wettig oordelen dat er geen reëel gevaar is dat de eiser na zijn overlevering dreigt te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, alsook dat de weigeringsgrond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet wordt toegepast. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de beslissing bevestigt waarbij het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een vijfde van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 138,16 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131119.5 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140318.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.21 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200324.2N.20 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.31 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div