← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.6 Rolnummer: P.22.0009.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-04-28 Raadplegingen: 371 - laatst gezien 2026-06-16 04:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek verzet zich niet ertegen dat een zaak wordt beoordeeld door andere rechters dan die welke een rechtszitting hebben bijgewoond waarop uitsluitend getuigen werden gehoord, voor zover die andere rechters zich enkel steunen op de verklaringen van de getuigen zoals die werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting

(1).
(1)Cass. 9 november 1970, AC 1970, 227; R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 2014, p. 976, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Artikel 779, Gerechtelijk Wetboek - Samenstelling van de zetel - Rechtszitting waarop uitsluitend getuigen worden gehoord - Beoordeling van de zaak door andere rechters - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 779 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0009.N A. J. A. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Cansse, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 7 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd gewezen door andere rechters dan die welke het getuigenverhoor op de rechtszitting van 1 september 2020 hebben bijgewoond; het is verder mogelijk dat op andere rechtszittingen andere rechters zetelden dan die welke het bestreden vonnis hebben gewezen.
  4. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek verzet zich niet ertegen dat een zaak wordt beoordeeld door andere rechters dan die welke een rechtszitting hebben bijgewoond waarop uitsluitend getuigen werden gehoord, voor zover die andere rechters zich enkel steunen op de verklaringen van de getuigen zoals die werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 1 december 2020 blijkt dat de rechters A.D.P., B.V. en A.B. aanwezig waren bij het getuigenverhoor van de getuige M.B.. De door deze getuige afgelegde verklaring is vermeld op dit proces-verbaal en de door de getuige gemaakte schets is gevoegd bij dit proces-verbaal. Het bestreden vonnis werd gewezen door de rechters A.D.P., A.R. en G.B. en uit dit vonnis blijkt dat zij zich voor wat betreft de verklaring van de getuige M.B. uitsluitend hebben gesteund op de vermeldingen in het proces-verbaal van de rechtszitting van 1 december
  6. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat er mogelijk nog andere schendingen zijn van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, zonder die te preciseren, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser ter plaatse diende te blijven en leidt uit deze vaststelling ten onrechte af dat hij zich aan de dienstige vaststellingen wilde onttrekken en dus vluchtmisdrijf pleegde.
  9. Het bestreden vonnis oordeelt niet alleen zoals het onderdeel weergeeft. Het oordeelt ook dat volgens de verklaringen van de getuigen en van de eiser zelf hij op gegeven ogenblik terug in zijn voertuig stapte en de parking verliet, dat hij verklaarde dat hij er op een gegeven ogenblik genoeg van had en wegreed, dat hij de parking verliet zonder zijn identiteit kenbaar te maken, noch aan de getuigen, noch aan de benadeelde zelf en dat zijn identiteit enkel kon worden achterhaald doordat de getuigen zijn kentekenplaat noteerden. Aldus leidt het bestreden vonnis het vereiste opzet zich aan de dienstige vaststellingen te willen onttrekken niet af uit de enkele vaststelling dat de eiser niet ter plaatse is gebleven. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 33, § 1, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat het ongeval zich voordeed op de parking van het warenhuis C. te M., zonder het karakter van die parking te onderzoeken en zonder vast te stellen dat het hier om een openbare plaats gaat.
  11. Indien de rechter een beklaagde in de bewoordingen van artikel 33, § 1, 1°, Wegverkeerswet schuldig verklaart aan vluchtmisdrijf en aldus ook vaststelt dat de feiten zich op een openbare plaats hebben voorgedaan, moet hij bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie die vaststelling niet nader met redenen omkleden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. De eiser heeft voor de appelrechters geen betwisting gevoerd over het openbaar karakter van de betrokken parking. Het bestreden vonnis dat de eiser schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging A zoals omschreven in de bewoordingen van de wet, kan dan ook met die vaststelling volstaan. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde en vierde onderdeel
  13. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer over het niet-bestaan van enige bewezen schade aan derden (derde onderdeel); het verwijst naar een schadebestek om het bestaan van de schade aan te nemen, maar beantwoordt niet het ter zake door de eiser aangevoerde verweer (vierde onderdeel).
  14. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de hierna vermelde gegevens van het strafdossier, zoals telkens in essentie samengevat, zijn samengenomen, dermate gewichtig en onderling met elkaar overeenstemmend dat zij de rechtbank zonder enige redelijke twijfel overtuigen van de inbreuken die de eiser beging op artikel 33, § 1, Wegverkeerswet; - het staat vast dat de eiser op 16 juni 2018 omstreeks 12.35 u een achteruitrijmanoeuvre uitvoerde op de parking van het warenhuis C. te M.; - uit de verklaring van W.D.V., gestaafd door een schadebestek en de verklaringen van de getuigen is gebleken dat de eiser bij de uitvoering van zijn achteruitrijmanoeuvre in aanrijding is gekomen met het geparkeerde voertuig van W.D.V.; - hierbij raakte het voertuig M. van W.D.V. beschadigd ter hoogte van de achterbumper; - de schade aan het voertuig M. is compatibel met de politioneel vastgestelde schade aan het voertuig M. van de eiser; - ten onrechte tracht de eiser de geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen onderuit te halen, stellende dat zij de aanrijding niet kunnen gezien hebben vanuit hun positie op de parking; deze stelling wordt echter door geen enkel ander element in het strafdossier geobjectiveerd; - de rechtbank acht het evenmin aannemelijk dat de getuigen de eiser om een of andere reden “zochten”; - het staat op basis van de verklaringen van de getuigen vast dat de eiser kennis had van het verkeersongeval; - de eiser verklaarde zelf dat hij niets voelde van een aanrijding en erkende wel hierop attent te zijn gemaakt door de getuigen; - het staat ten slotte vast dat het geparkeerde voertuig M. van W.D.V. voor de eiser een voorzienbare hindernis uitmaakte waarvoor hij had moeten kunnen stoppen. Met deze redenen beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat louter ter ondersteuning van dit verweer wordt aangevoerd, maar dat zelf geen zelfstandig verweer vormt. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor een inbreuk op artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement zonder vast te stellen dat de feiten zich voordeden op de openbare weg en zonder te onderzoeken welke de aard van de parking is.
  16. Indien de rechter een beklaagde in de bewoordingen van artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement schuldig verklaart aan een inbreuk op die bepaling en op artikel 29, § 1, derde lid, Wegverkeerswet en aldus ook vaststelt dat de feiten zich op de openbare weg hebben voorgedaan, moet hij bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie die vaststelling niet nader met redenen omkleden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. De eiser heeft voor de appelrechters geen betwisting gevoerd over het feit dat de aanrijding zich heeft voorgedaan op een openbare weg. Het bestreden vonnis dat de eiser schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging B zoals omschreven in de bewoordingen van de wet, kan dan ook met die vaststelling volstaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.