id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 65
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Vaststelling van een eenheid van opzet met misdrijven waarover reeds een in kracht van gewijsde gegane beslissing is genomen - Berechting van andere feiten daterend van vóór de voormelde beslissing - Nieuwe straf - Straftoemeting - Eenparigheidsvereiste - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 65
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Wanneer de strafrechter oordeelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, en hij bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek een bijkomende straf uitspreekt, kan hij de veroordeelde niet opnieuw veroordelen tot betaling van de bij artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bepaalde bijdrage tot het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders
(1).
(1)Cass. 26 april 2016, AR P.16.0207.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.6, AC 2016, nr. 284. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Gescheiden berechting Vrije woorden: Eerste in kracht van gewijsde gegane veroordeling - Veroordeling tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds - Nieuwe berechting voor aan de eerste veroordeling voorafgaande feiten - Vaststelling dat alle feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet - Toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - Nieuwe veroordeling tot een bijkomende straf - Nieuwe veroordeling tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds - Wettigheid Wettelijke bepalingen:
Art. 65
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0024.N S. H. C. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Michiel Van Kelecom, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest past artikel 65, tweede lid, Strafwetboek toe, maar legt als bijkomende straf dezelfde straf op als die werd opgelegd door het beroepen vonnis; aldus verzwaart het de opgelegde straf, omdat het rekening moet houden met de reeds opgelegde straf door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 april 2020 dat de eiser reeds veroordeelde tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van 1.000,00 euro; deze beslissing is niet met eenparigheid van stemmen genomen.
- Wanneer de rechter bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek als bijkomende straf, dezelfde straf oplegt als die werd opgelegd door het beroepen vonnis, dat geen toepassing heeft gemaakt van deze bepaling, verzwaart het de opgelegde straf niet en is bijgevolg niet vereist dat deze beslissing met eenparigheid van stemmen wordt genomen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht van verdediging en op tegenspraak: het arrest verwijst voor de straftoemeting naar de persoonlijke toestand, de sociale toestand en de persoonlijkheid van de eiser, terwijl het strafdossier geen gegevens over zijn sociale toestand of persoonlijkheid bevat, daar er geen enkel onderzoek, namelijk een deskundigenonderzoek of een maatschappelijke enquête, werd uitgevoerd; op de rechtszitting werd door de appelrechters geen enkele vraag gesteld over de sociale toestand of de persoonlijkheid van de eiser; hij heeft daarover ook geen stukken neergelegd; bij het bepalen van de strafmaat houdt het arrest rekening met deze sociale toestand en persoonlijkheid van de eiser, zonder dat daarover tegenspraak werd gevoerd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser op de rechtszitting van 24 november 2021 stukken heeft neergelegd benoemd als “Documenten over zijn zelfstandige activiteit (inschrijving kvk, etc.)”, “Attest samenstelling gezin te M.”, “Documentatie ivm dochter van R.” en “Mantelzorg van R. ivm partner”. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot zijn sociale toestand of zijn persoonlijkheid, mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat het strafdossier of het debat geen informatie heeft opgeleverd over de persoonlijkheid of sociale toestand van de eiser, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn niet werd overschreden, omdat de eiser kort na de uitspraak van het verstekvonnis van 21 juni 2017 ervan kennis heeft gekregen en pas op 5 januari 2021 verzet heeft aangetekend; nochtans heeft de eiser het exploot van betekening nooit ontvangen, zodat de periode van stilstand tussen 21 juni 2017 en 5 januari 2021 hem niet kan worden toegerekend.
- Het middel dat geheel ervan uitgaat dat op de datum van het verstekvonnis van 21 juni 2017 de eiser zijn woonplaats niet had op het adres van betekening, maar wel op een ander adres in Nederland, wat moet blijken uit een stuk dat hij voegt bij zijn cassatiememorie, verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, tweede lid, Strafwetboek - artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
- Artikel 65, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer de feitenrechter vaststelt dat misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die, in de veronderstelling dat zij bewezen zouden zijn, aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, houdt hij bij de straftoemeting rekening met de reeds uitgesproken straffen. Indien deze hem voor een juiste bestraffing van al de misdrijven voldoende lijken, spreekt hij zich uit over de schuldvraag en verwijst hij in zijn beslissing naar de reeds uitgesproken straffen. Het geheel van de straffen uitgesproken met toepassing van dit artikel mag het maximum van de zwaarste straf niet te boven gaan.”
- Op grond van artikel 29 van de voornoemde wet van 1 augustus 1985 moet de rechter, telkens hij een veroordeling tot een correctionele of een criminele straf uitspreekt, de betrokkene veroordelen tot het betalen van een bijdrage tot het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna het Slachtofferfonds).
- Wanneer de strafrechter oordeelt dat misdrijven die reeds het voorwerp wa-ren van een in kracht van gewijsde gegane beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en die aan die beslissing voorafgaan en samen met de eerste mis-drijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, en hij bij toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek een bijkomende straf uitspreekt, kan hij de veroordeelde niet opnieuw veroordelen tot betaling van de bij voornoemd artikel 29 bepaalde bijdrage.
- Het arrest oordeelt dat de feiten werden gepleegd met één en hetzelfde misdadig opzet als de feiten waarvoor de eiser reeds werd veroordeeld door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 april 2020, dat de bij dat vonnis uitgesproken straf niet voldoende is om een juiste bestraffing uit te maken van al de misdrijven, deze die het voorwerp waren van het in kracht van gewijsde gegane arrest van 22 april 2020 en de thans aanhangige feiten en veroordeelt de eiser vervolgens tot een bijkomende gevangenisstraf van achttien maanden en een bijkomende geldboete van 1.000,00 euro. Bovendien veroordeelt het arrest de eiser tot een bijdrage aan het Slachtofferfonds bovenop die waartoe de eiser werd veroordeeld door het arrest van 22 april
- Aldus schenden de appelrechters de aangewezen wetsbepalingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 19 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160426.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181016.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div