← België

BELGISCHE STAAT fod FIN c. ROBECO SUSTAINABLE ...

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.11 Rolnummer: F.19.0102.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod FIN c. ROBECO SUSTAINABLE ... Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-04-28 Raadplegingen: 1095 - laatst gezien 2026-06-16 17:10 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.11 Fiche 1 Het DBV België-Nederland is van toepassing op de jaarlijkse taks in de zin van artikel 161, 3° Wetboek der successierechten, die dient te worden aangezien als een belasting naar het vermogen in de zin van artikel 2.1 van dat verdrag

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland. - Toepassingsgebied - Jaarlijkse taks op collectieve beleggingsinstellingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 161 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Fiche 2 Artikel 2, § 3, DBV België-Luxemburg somt op exhaustieve wijze op, op welke soort belasting het verdrag van toepassing is met betrekking tot België, zijnde de personenbelasting; de vennootschapsbelasting; de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet-inwoners; de jaarlijkse taks in de zin van artikel 161, 3° Wetboek der successierechten valt niet onder de in vermeld artikel 2, § 3, limitatief opgesomde belastingen en is er ook niet gelijk of in wezen gelijksoortig aan, zodat het DBV België-Luxemburg daarop niet van toepassing is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Dubbelbelastingverdrag tussen België en Luxemburg - Toepassingsgebied - Jaarlijkse taks op collectieve beleggingsinstellingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 161 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Annotaties Publicaties: Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2022, nr. 18, p. 5-10. - CLOCHERET, Angie; Noot'De abonnementstaks en het materiële toepassingsgebied van de verdragen: het ene verdrag is het andere niet' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0102.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal centrum Grote Ondernemingen Beheer en Gespecialiseerde Controles, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3351, eiser, tegen 1. ROBECO SUSTAINABLE GLOBAL STARS EQUITIES FUND nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3014DA Rotterdam (Nederland), Weena 850, 2. ROLINCO nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3014DA Rotterdam (Nederland), Weena 850, 3. ROBECO CAPITAL GROWTH FUNDS SICAV, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 2633 Senningerberg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Route de Trèves 6, 4. ROBECO QI GLOBAL DYNAMIC DURATION SICAV, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 2633 Senningerberg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Route de Trèves 6, 5. ROBECO (LU) FUNDS III SICAV, vennootschap naar Luxemburgs recht, met zetel te 2633 Senningerberg (Groot-Hertogdom-Luxemburg), Route de Trèves 6, verweerders, met als raadsman mr. Patrick Smet, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268/A. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 maart 2019. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 4 februari 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Overeenkomstig artikel 161, 3°, Wetboek der successierechten, zoals ter zake van toepassing, zijn de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht zoals bedoeld in artikel 127 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, met uitzondering van de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, onderworpen aan een jaarlijkse taks vanaf de eerste januari volgend op, naargelang het geval, hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Artikel 161bis, § 2, Wetboek der successierechten, zoals ter zake van toepassing, bepaalt dat wat betreft de beleggingsinstellingen, bedoeld in vermeld artikel 161, 3°, de taks verschuldigd is op het totaal van de in België netto uitstaande bedragen op 31 december van het voorafgaande jaar, vanaf hun inschrijving bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. 2. Artikel 2 van de Overeenkomst tussen België en Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, en van het Slotprotocol, ondertekend te Luxemburg op 17 september 1970 (hierna: DBV België-Luxemburg) bepaalt: - “Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is: § 1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de overeenkomstsluitende Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan. […] § 3. De bestaande belastingen, waarop de Overeenkomst van toepassing is, zijn: 1° met betrekking tot België:
  1. a)de personenbelasting;
  2. b)de vennootschapsbelasting;
  3. c)de rechtspersonenbelasting;
  4. d)de belasting van niet-inwoners; met inbegrip van de voorheffingen, de opcentiemen op de hierboven vermelde belastingen en voorheffingen, alsmede de aanvullende belastingen op de personenbelasting. […] § 4. De Overeenkomst zal ook van toepassing zijn op elke gelijke of in wezen gelijksoortige belasting, die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen wordt geheven. Aan het einde van elk jaar zullen de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staat elkaar de wijzigingen die in hun onderscheidene belastingwetten zijn aangebracht, mededelen.” 3. Artikel 2, § 3, DBV België-Luxemburg somt op exhaustieve wijze op, op welke soort belasting het verdrag van toepassing is met betrekking tot België, zijnde de personenbelasting; de vennootschapsbelasting; de rechtspersonenbelasting en de belasting van niet-inwoners. De jaarlijkse taks in de zin van vermeld artikel 161 valt niet onder de in vermeld artikel 2, § 3, limitatief opgesomde belastingen en is er ook niet gelijk of in wezen gelijksoortig aan, zodat het DBV België-Luxemburg daarop niet van toepassing is. 4. Door te oordelen dat het DBV België-Luxemburg van toepassing is op de jaarlijkse taks in de zin van vermeld artikel 161, schenden de appelrechters artikel 161 Wetboek der successierechten, zoals ter zake van toepassing, evenals artikel 2 DBV België-Luxemburg. Het middel is in zoverre gegrond. 5. Artikel 2.1 van de Overeenkomst tussen België en Nederland tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Protocollen I en II en de wisseling van brieven, van 5 juni 2001 (hierna: DBV België-Nederland) bepaalt dat ze van toepassing is op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen. Volgens artikel 2.3 DBV België-Nederland zijn de bestaande belastingen waarop het verdrag van toepassing is “met name a. in België: 1° de personenbelasting; 2° de vennootschapsbelasting; 3° de rechtspersonenbelasting; 4° de belasting van niet-inwoners; 5° de aanvullende crisisbijdrage met inbegrip van de voorheffingen, de opcentiemen op die belastingen en voorhef-fingen, alsmede de aanvullende belastingen op de personenbelasting”. Anders dan het DBV België-Luxemburg, somt het DBV België-Nederland, gelet op het gebruik van de term “met name” op niet-limitatieve wijze op, op welke soort belasting het van toepassing is. 6. Gelet op het voorgaande is het DBV België-Nederland van toepassing op de jaarlijkse taks in de zin van vermeld artikel 161, die dient te worden aangezien als een belasting naar het vermogen in de zin van artikel 2.1 van dat verdrag. Het middel, in zoverre het uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat het DBV België-Luxemburg van toepassing is op de jaarlijkse taks in de zin van artikel 161 Wetboek der successierechten, zoals ter zake van toepassing, en oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 21 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.11 Gerelateerde publicatie(
  5. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.