← België

VLAAMS GEWEST contra W.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 Rolnummer: F.21.0026.N Zaak: VLAAMS GEWEST contra W. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-04-28 Raadplegingen: 1201 - laatst gezien 2026-06-17 02:22 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.9 Fiche Een door de erflater in de verzekeringsovereenkomst aangewezen begunstigde is ingevolge de schenking aan hem van alle rechten uit die verzekeringsovereenkomst, niet langer een derde aan de verzekeringsovereenkomst, maar wel een verzekeringnemer, partij bij deze overeenkomst; de sommen, renten of waarden die hem vervolgens bij het overlijden van de erflater toekomen, zijn niet langer bij toepassing van het artikel 2.7.1.0.6, § 1, VCF aan de successierechten onderworpen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Verzekeringsovereenkomst - Derdenbeding - Schenking aan de begunstigde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.1.0.6, § 1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Annotaties Publicaties: Fiscologue-Fiscologue - 2022, n° 1749, p. 9-
  1. - VAN CROMBRUGGE, Stefaan; Note'Cassation sur la donation d'une assurance-placement dans l'ancien régime' T.Not.-Tijdschrift voor notarissen - 2022, nr. 7/8, p. 690-
  2. - WEYTS, Luc; Noot'Over de verzekeringsgift en de al dan niet toepasselijkheid van artikel 2.7.1.0.6 VCF / artikel 8 W.Succ.' Tekst van de beslissing Nr. F.21.0026.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 7, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B. W., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest, en bijgestaan door mr. Svjatoslav Gnedasj, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan
  3. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 oktober 2020 (rolnummer 2019/AR/990). Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 8 maart 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel
  4. Krachtens artikel 2.7.1.0.6, § 1, eerste lid, VCF, voor zijn wijziging door het Vlaams Decreet van 23 december 2016, worden de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Krachtens het tweede lid van dezelfde wetsbepaling worden ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen, hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, hetzij na het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wetsbepaling beoogt om bij wege van fictie de sommen, renten of waarden aan de successierechten te onderwerpen die een derde-begunstigde bij het overlijden van de erflater kosteloos verkrijgt door de uitwerking van een door de erflater of een derde gemaakt beding te zijnen behoeve.
  5. Artikel 894 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schenking onder de levenden een akte is waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde, die ze aanneemt. Artikel 938 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de behoorlijk aangenomen schenking voltrokken is door de enkele toestemming van de partijen en de eigendom van de geschonken goederen overgaat op de begiftigde zonder dat enige andere overgave vereist is. Artikel 1121 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat men kan bedingen ten behoeve van een derde, wanneer zulks de voorwaarde is van een beding dat men voor zichzelf maakt of van een schenking die men aan een ander doet. Hij die zodanig beding gemaakt heeft, kan het niet meer herroepen, indien de derde verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken.
  6. Artikel 22 Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepassing, bepaalt dat partijen te allen tijde kunnen overeenkomen dat een derde, onder de voorwaarden welke zij bepalen, aanspraak kan hebben op de door de verzekering geboden voordelen. Die derde moet niet aangeduid zijn of zelfs niet verwekt zijn op het ogenblik dat het beding wordt gemaakt, maar hij moet aanwijsbaar zijn op de dag dat de verzekeringsprestaties opeisbaar zijn. Artikel 119 van diezelfde wet bepaalt dat de verzekeringnemer de uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten geheel of ten dele kan overdragen. Dat recht van overdracht kan niet worden uitgeoefend door zijn echtgenoot of zijn schuldeisers. In geval van aanvaarding van de begunstiging wordt de uitoefening van het recht van overdracht afhankelijk gemaakt van de toestemming van de begunstigde. Artikel 120 van diezelfde wet bepaalt dat de overdracht van de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten, of van een gedeelte ervan, alleen kan geschieden door middel van een bijvoegsel, getekend door de overdrager, de overnemer en de verzekeraar. Evenwel kan de verzekeringnemer in de overeenkomst bedingen dat bij zijn overlijden zijn rechten geheel of ten dele zullen overgaan aan een persoon die hij daartoe aanwijst.
  7. Uit het geheel van deze wetsbepalingen volgt dat een door de erflater in de verzekeringsovereenkomst aangewezen begunstigde ingevolge de schenking aan hem van alle rechten uit die verzekeringsovereenkomst, niet langer een derde aan de verzekeringsovereenkomst is, maar wel een verzekeringnemer, partij bij deze overeenkomst. De sommen, renten of waarden die hem vervolgens bij het overlijden van de erflater toekomen, zijn niet langer bij toepassing van het voormelde artikel 2.7.1.0.6, § 1, VCF aan de successierechten onderworpen.
  8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - M. V., de moeder van de verweerder en zijn broer, bij notariële akte van 2 februari 2011 aan haar zonen de volle eigendom heeft geschonken van alle rechten die zij in haar hoedanigheid van verzekeringnemer onder twee levensverzekeringscontracten, “Fix” en “Income”, ten aanzien van de verzekeraar kon laten gelden, daarin begrepen het recht om een begunstigde of een nieuwe begunstigde aan te wijzen en het recht om de begunstiging te herroepen; - op het ogenblik van de schenking registratierechten op de afkoopwaarde van de geschonken levensverzekeringscontracten werden betaald; - de verweerder en zijn broer de begunstigingsclausule van het contract “Income” na de schenking wijzigden door zichzelf als rentegenieters aan te duiden; - V. overleed op 27 augustus 2016; - V. middels de schenking de volle eigendom van de levensverzekeringsovereenkomsten heeft geschonken aan haar zonen, met inbegrip van alle rechten die exclusief aan de verzekeringnemer toekomen; - hieruit volgt dat de volledige titulariteit op de polis werd overgedragen, als gevolg waarvan de verweerder samen met zijn broer de nieuwe verzekeringnemers werden; - het beding dat de verweerder en zijn broer aanduidt als begunstigden onder het contract, vanaf de schenking kwalificeert als een beding ten behoeve van zichzelf; - het begunstigingsbeding vanaf het ogenblik van de schenking immers niet langer een beding ten behoeve van een derde kan zijn, aangezien de begunstigden de verzekeringnemers zijn en in hun hoedanigheid van contractant geen derden bij het contract zijn; - het feit dat de begunstigingsclausule bij het afsluiten van de levensverzekeringsovereenkomsten door V. als een beding ten behoeve van een derde kwalificeerde, niet belet dat deze clausule ingevolge de overdracht in volle eigendom aan de verweerder en zijn broer zijn initiële kwalificatie verliest; - de stelling van de eiser, met name dat de verbintenis van de verzekeraar jegens de begunstigde ontstaat op het ogenblik dat de verzekering wordt afgesloten en dat de overdracht niets wijzigt aan de rechtsband tussen de verzekeraar en de begunstigde, zowel het voorwerp als de rechtsgevolgen van de schenking miskent; - dit overigens duidelijk blijkt uit de wijziging van de begunstigingsclausule opgenomen in het contract “Income” waar de verweerder samen met zijn broer als verzekeringnemers de begunstigden onder het contract en ten behoeve van zichzelf wijzigden.
  9. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat van artikel 2.7.1.0.6 VCF geen toepassing kon worden gemaakt op het ogenblik van het overlijden van V., verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  10. Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid van de tevergeefs aangevoerde schending van de voormelde wetsbepalingen en aldus niet ontvankelijk. Derde en vierde onderdeel
  11. Daar de beslissing van de appelrechter dat van artikel 2.7.1.0.6 VCF geen toepassing kon worden gemaakt bij het overlijden van V. naar recht verantwoord is door de redenen die vergeefs in het tweede onderdeel worden bekritiseerd, zijn het derde en vierde onderdeel, die beide gericht zijn tegen overtollige redenen, niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 687,45 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 21 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220421.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220421.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.