id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Beklaagde - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Recht op overleg met een advocaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Recht op overleg met een advocaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Recht op overleg met een advocaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 9 Het recht van de beklaagde op persoonlijke deelname aan het strafproces en het recht overleg te plegen met zijn raadsman, waarvan de naleving moet worden beoordeeld rekening houdend met de gehele rechtspleging, zijn evenwel niet absoluut en de enkele omstandigheid dat een beklaagde om medische redenen niet in staat zou zijn om de appelprocedure van een tegen hem regelmatig ingestelde strafvordering bij te wonen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces zich ertegen verzet dat die rechtspleging toch doorgang vindt, voor zover het recht van verdediging afdoende is gewaarborgd; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging het recht op een eerlijk proces en recht van verdediging van een beklaagde voldoende zijn gewaarborgd, indien hij zijn strafproces niet geheel of gedeeltelijk persoonlijk heeft kunnen bijwonen en de rechter kan daarbij in aanmerking nemen dat de afwezigheid van die beklaagde op een bepaalde rechtszitting wordt geremedieerd door zijn aanwezigheid bij de verdere behandeling van de zaak; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Beklaagde - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Afwezigheid wegens medische redenen - Doorgang van de rechtspleging - Beoordeling - Aanwezigheid bij de verdere behandeling - Redenen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Beklaagde - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Afwezigheid wegens medische redenen - Doorgang van de rechtspleging - Beoordeling - Aanwezigheid bij de verdere behandeling - Redenen Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Afwezigheid wegens medische redenen - Doorgang van de rechtspleging - Beoordeling - Aanwezigheid bij de verdere behandeling - Redenen Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Afwezigheid wegens medische redenen - Doorgang van de rechtspleging - Beoordeling - Aanwezigheid bij de verdere behandeling - Redenen Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Recht op een eerlijk proces - Recht op persoonlijke aanwezigheid op het strafproces - Afwezigheid wegens medische redenen - Doorgang van de rechtspleging - Beoordeling - Aanwezigheid bij de verdere behandeling - Toezicht door het Hof - Redenen Tekst van de beslissing Nr. P.22.0022.N I
- GILDAN bv, met zetel te 3220 Holsbeek, Peerse 1/A, beklaagde,
- SOBIVET nv, met zetel te 3070 Kortenberg, Stationstraat 8, beklaagde, eiseressen, met als raadsman mr. Jens Joossens, advocaat bij de balie Antwerpen, II T. J. M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven, de cassatieberoepen I.1 en II tegen C. D., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 10 december
- De eiseres I.1 voert geen middel aan. De eiseres I.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: zonder opgave van de concrete omstandigheden ontnemen de appelrechters de mogelijkheid voor de eiser II om persoonlijk aanwezig te zijn op de rechtszitting waarop het openbaar ministerie vordert en de verweerder en medebeklaagden pleiten; aldus wordt aan de eiser II het recht ontzegd persoonlijk kennis te nemen van deze vordering en pleidooien; in zijn aanvullende appelconclusie voerde de eiser II nochtans aan dat hij om medische redenen niet aanwezig kon zijn op deze rechtszitting en vroeg hij om een uitstel van de behandeling van de zaak.
- Artikel 6.1 EVRM schrijft voor dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Artikel 6.3.c EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.
- Uit die bepalingen en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.
- Deze rechten, waarvan de naleving moet worden beoordeeld rekening houdend met de gehele rechtspleging, zijn evenwel niet absoluut. De enkele omstandigheid dat een beklaagde om medische redenen niet in staat zou zijn om de appelprocedure van een tegen hem regelmatig ingestelde strafvordering bij te wonen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces zich ertegen verzet dat die rechtspleging toch doorgang vindt, voor zover het recht van verdediging afdoende is gewaarborgd.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging het recht op een eerlijk proces en recht van verdediging van een beklaagde voldoende zijn gewaarborgd, indien hij zijn strafproces niet geheel of gedeeltelijk persoonlijk heeft kunnen bijwonen. De rechter kan daarbij in aanmerking nemen dat de afwezigheid van die beklaagde op een bepaalde rechtszitting wordt geremedieerd door zijn aanwezigheid bij de verdere behandeling van de zaak.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De eiser II heeft in zijn aanvullende appelconclusie met verwijzing naar een op de rechtszitting neergelegd medisch attest aangevoerd dat hij om medische redenen niet kon aanwezig zijn op de rechtszitting van 8 oktober 2021 en hij de appelrechters om een uitstel verzocht. Hij voerde aan dat zijn recht op een eerlijk proces manifest en onherstelbaar zou worden miskend, indien op dit verzoek niet zou worden ingegaan.
- Het proces-verbaal van de rechtszitting van 8 oktober 2021 vermeldt dat de raadsman van de eiser om een uitstel verzocht en daarvoor verwees naar zijn brief en een stuk, een dag eerder ter griffie neergelegd, dat het openbaar ministerie en de raadsman van de verweerder zich hebben verzet tegen een uitstel, dat het openbaar ministerie heeft gevorderd en de raadslieden voor de verweerder en de eiseressen I hebben gepleit en dat de zaak in voortzetting werd gesteld voor het pleidooi van de eiser II naar de rechtszitting van 4 november
- Het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 november 2021 vermeldt onder meer dat de eiser II werd ondervraagd, zijn raadslieden het woord hebben gekregen, hebben gepleit en stukken neergelegd, de raadsman van de verweerder en vervolgens de raadlieden van de eiser II hebben gerepliceerd, het openbaar ministerie heeft gemeld dat er geen nieuwe processen-verbaal waren en de eiser II het laatste woord kreeg.
- Het arrest oordeelt vervolgens dat: - op de rechtszitting van 8 oktober 2021 de advocaten van de eiser II hebben gevraagd dat de zaak zou worden uitgesteld, omdat laatstgenoemde wegens ziekte toen niet aanwezig kon zijn, maar persoonlijk zijn standpunt aan het hof van beroep wilde vertolken; - het hof van beroep de behandeling van de zaak op die rechtszitting, in aanwezigheid van de advocaten van de eiser II heeft aangevat en dan verder in voortzetting heeft gesteld naar de rechtszitting van 4 november 2021; - op de rechtszitting van 4 november 2021 de eiser II aanwezig was, hij door het hof van beroep werd ondervraagd en hijzelf en zijn advocaten hun verweer hebben gevoerd. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig eisers verweer verwerpen dat zijn recht op een eerlijk proces manifest en onherstelbaar is miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen: - artikel 7 EVRM, de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet en artikel 2 Strafwetboek
- Uit deze bepalingen volgt dat behoudens in hier niet toepasselijke gevallen de rechter een beklaagde slechts schuldig kan verklaren aan een hem verweten feit indien dat feit zowel op het ogenblik van het plegen ervan als op het ogenblik van de rechterlijke beslissing strafbaar was.
- De eiseres I.2 en de eiser II werden voor wat betreft de feiten omschreven onder de telastlegging C vervolgd om bij inbreuk op artikel 3, 1A van de Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding, dat bepaalt dat niemand zonder vergunning een toevoegingsmiddel in de handel mag brengen, gebruiken of verwerken, strafbaar gesteld bij artikel 8, § 1, 8°, van de wet van 11 juli 1969 betreffende de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt (hierna Wet 11 juli 1969), een niet-toegelaten toevoegingsmiddel voor diervoeders in bezit te hebben gehad, namelijk 200 kilogram Senna Leaf extract, en dit te Lubbeek op 7 september
- Het arrest oordeelt met betrekking tot deze feiten onder meer als volgt: - artikel 8, § 1, 8°, Wet 11 juli 1969 voorziet in straffen voor hij die een grondstof waarvan het bezit krachtens een ter uitvoering van de - - artikelen 2 en 5 van deze wet genomen besluit verboden is, toch in zijn bezit heeft; - artikel 2, § 1, 1° tot 3°, Wet 11 juli 1969 machtigt de Koning de voorwaarden te bepalen waaraan grondstoffen moeten voldoen om ze te mogen bezitten; - ter uitvoering van die bepaling is het koninklijk besluit van 28 juni 2011 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoerders (hierna KB 28 juni 2011) genomen; het feit dat artikel 2 Wet 11 juli 1969, met ingang van 1 januari 2014, voor de toepassing in het Vlaamse Gewest is opgeheven bij artikel 81, 3°, van het decreet van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid, doet daaraan niets af: het KB 28 juni 2011 blijft onverminderd van kracht en was dat ook op het ogenblik van de feiten van de telastlegging C; - het toevoegingsmiddel Senna Leaf extract mag volgens artikel 4, § 1, KB 28 juni 2011 niet in de handel worden gebracht, verwerkt of gebruikt, wat impliceert dat het louter bezit van dit toevoegingsmiddel strafbaar is door de aangehaalde bepaling van de Wet 11 juli
- De Wet 11 juli 1969 werd voor het Vlaamse Gewest integraal opgeheven door artikel 81, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 2013 betreffende het landbouw- en visserijbeleid en dit met ingang van 1 januari
- Het arrest kon dan ook niet zonder meer aannemen dat de op 7 september 2018 te Lubbeek (Vlaams Gewest) gepleegde feiten strafbaar waren overeenkomstig artikel 8, § 1, 8°, Wet 11 juli
- De schuldigverklaring van de eiseres I.2 en van de eiser II aan de feiten van de telastlegging C is dan ook niet naar recht verantwoord. Middel van de eiseres I.2
- Het middel dat niet tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing kan leiden, behoeft geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De cassatie van de schuldigverklaring van de eiseres I.2 aan de feiten van de telastlegging C leidt tot de vernietiging van de overige met betrekking tot deze beklaagde door het arrest gewezen beslissingen die er een gevolg van zijn. De cassatie van de schuldigverklaring van de eiser II aan de feiten van de telastlegging C leidt tot de vernietiging van de aan deze eiser opgelegde bestraffing met inbegrip van zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten, maar laat de overige beslissingen met betrekking tot deze beklaagde onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: uitspraak doet over de tegen de eiseres I.2 ingestelde strafvervolging; uitspraak doet over de schuld van de eiser II aan de feiten van de telastlegging C, hem veroordeelt tot straf voor alle lastens hem bewezen verklaarde feiten met inbegrip van de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres I.1 tot de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres I.2 tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eiser II tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele rechtbank. Bepaalt de kosten in het geheel op 156,61 euro, waarvan de eiseressen I 82,80 euro zijn verschuldigd en de eiser II 82,82 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 26 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div