← België

PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 Rolnummer: P.22.0315.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-05-05 Raadplegingen: 988 - laatst gezien 2026-06-19 04:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer het Hof in een arrest gewezen in strafzaken geoordeeld heeft dat de memorie van eiser laattijdig werd neergelegd ter griffie en bijgevolg niet ontvankelijk is en achteraf blijkt dat het Hof geen acht geslagen heeft op de neerlegging die blijkt uit andere tijdig ter griffie neergelegde stukken en bij vergissing eisers middelen niet aan een onderzoek heeft onderwerpen, is er grond tot intrekking van het arrest en een nieuwe beoordeling van het cassatieberoep

(1).
(1)Cass. 12 november 2008, AR P.08.1432.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081112.6, AC 2008, nr. 630. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Strafzaken - Arrest van het Hof - Niet-ontvankelijkheid van de memorie - Verwerping van het cassatieberoep - Vergissing omtrent de neerlegging van de memorie - Grond tot intrekking - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wettelijk omschreven termijnen voor de wrakingsprocedure, de principiële schorsing van alle vonnissen en verrichtingen die deze procedure overeenkomstig artikel 837 Gerechtelijk Wetboek met zich meebrengt en het gegeven dat een kabinetszitting van een jeugdrechter over een problematische opvoedingssituatie van een minderjarige in de regel dringend is, volgt dat de wraking van een jeugdrechter voorafgaand aan een dergelijke rechtszitting moet worden voorgedragen van zodra de grond ervan is gekend door de partij die zich erop beroept en die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de jeugdrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt; een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer deze partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd en ontvankelijk verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen en het beroep dat daarvoor eventueel moet worden gedaan op een advocaat die beschikt over de in artikel 835 Gerechtelijk Wetboek vereiste anciënniteit kan een impact hebben op de termijn vereist voor het indienen van dat verzoek, maar mag geen onredelijke vertraging tot gevolg hebben
(1).
(1)Zie Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0565.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13, AC 2021, nr. 398; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25; Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr. 402. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wraking van een jeugdrechter - Ogenblik waarop de wraking moet worden voorgedragen - Kennis van de grond tot wraking - Beroep op advocaat met de vereiste anciënniteit - Gevolgen Fiches 3 - 4 De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0565.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13, AC 2021, nr. 398; Cass. 15 januari 2019, AR P.18.1214.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6, AC 2019, nr. 25; Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0586.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Wraking van een jeugdrechter - Kennis van de grond tot wraking - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Wraking - Wraking van een jeugdrechter - Kennis van de grond tot wraking - Onaantastbare beoordeling - Toezicht door het Hof - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.22.0315.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker tot intrekking, in de zaak van T. T., ouder van een minderjarige, verzoeker tot wraking, eiser, met als raadsman mr. Nick Heinen, advocaat bij de balie Antwerpen, en
  2. M. T., minderjarige,
  3. K. V. G., ouder van een minderjarige. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij arrest P.21.1181.N van 7 december 2021 heeft het Hof eisers cassatieberoep tegen het arrest met repertoriumnummer 2021/6131 van het hof van beroep te Antwerpen, vakantiekamer, van 10 augustus 2021 verworpen. De procureur-generaal bij het Hof heeft op 8 maart 2022 ter griffie een verzoekschrift ingediend tot intrekking van het arrest P.21.1181.N van 7 december
  4. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Vordering tot intrekking
  5. In het arrest P.21.1181.N van 7 december 2021 heeft het Hof geoordeeld dat eisers memorie op grond van artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is omdat die memorie ter griffie van het Hof is ontvangen op dinsdag 26 oktober 2021, dit is meer dan twee maanden volgend op de verklaring van zijn cassatieberoep, die dateert van 25 augustus
  6. Deze vaststelling steunde op de datumstempel van de griffie van het Hof die voorkwam op de memorie die eisers raadsman aan de griffie had gestuurd als bijlage bij zijn brief van 25 oktober
  7. Thans blijkt echter dat de eiser zijn memorie ook op 25 oktober 2021 ter griffie heeft neergelegd, namelijk als bijlage bij het exploot van de betekening van zijn cassatieberoep. Het Hof heeft geen acht geslagen op die neerlegging en daarom heeft het bij vergissing eisers middelen niet aan een onderzoek onderworpen. Er is dan ook grond tot intrekking van het arrest P.21.1181.N van 7 december 2021 en een nieuwe beoordeling van het cassatieberoep. Beoordeling van het cassatieberoep Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 833 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat eisers wrakingsverzoek niet ontvankelijk is omdat het niet onverwijld is ingediend, gelet op de periode van zeven dagen tussen eisers kennisneming van de samenhangende wrakingsgronden op 14 juni 2021 en de neerlegging van zijn wrakingsverzoek op 21 juni 2021; de eiser diende te beschikken over voldoende tijd en uiterlijk tot vóór de start van de volgende rechtszitting om in te schatten of er een wrakingsgrond bestond op grond waarvan een advocaat met minstens tien jaar inschrijving bij de balie een wrakingsverzoek kon indienen; uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een termijn van zes dagen als onverwijld wordt aangemerkt, ook omdat er een feitelijk en juridisch onderzoek dient te gebeuren naar de grondslag van de wraking; bovendien zijn er redenen om aan te nemen dat de wrakingsgronden pas zijn ontdekt op 16 juni 2021 of zelfs op 21 juni 2021; het wrakingsverzoek werd ingediend daags vóór de geplande rechtszitting van 22 juni 2021, terwijl eisers advocaat beroep moest doen op een advocaat die, anders dan hijzelf, beschikte over de nodige anciënniteit.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat de kennisneming door de eiser van de laatste wrakingsgrond dateert van na 14 juni 2021, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  10. Het arrest verklaart de derde wrakingsgrond van de eiser (ontbreken van correspondentie van de school en het CLB met de jeugdrechter) niet ontvankelijk, niet enkel omdat die wrakingsgrond laattijdig is, maar ook omdat hij onduidelijk is en feitelijke grondslag mist. Die zelfstandige redenen dragen die beslissing. In zoverre gericht tegen de beslissing dat die wrakingsgrond laattijdig is, kan het middel niet tot cassatie leiden en is het evenmin ontvankelijk.
  11. Artikel 833 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat hij die een wraking wil voordragen dit moet doen vóór de aanvang van de pleidooien tenzij de redenen van wraking later zijn ontstaan en, indien de zaak bij verzoekschrift is ingeleid, alvorens op het verzoekschrift een beschikking is gegeven.
  12. Uit de geest van artikel 833 Gerechtelijk Wetboek, de wettelijk omschreven termijnen voor de wrakingsprocedure, de principiële schorsing van alle vonnissen en verrichtingen die deze procedure overeenkomstig artikel 837 Gerechtelijk Wetboek met zich meebrengt en het gegeven dat een kabinetszitting van een jeugdrechter over een problematische opvoedingssituatie van een minderjarige in de regel dringend is, volgt dat de wraking van een jeugdrechter voorafgaand aan een dergelijke rechtszitting moet worden voorgedragen van zodra de grond ervan is gekend door de partij die zich erop beroept. Die regel heeft een algemene draagwijdte en is ook van toepassing indien het wrakingsverzoek is gesteund op de overtuiging dat de jeugdrechter niet meer over de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid beschikt.
  13. Een wrakingsgrond is door een partij gekend wanneer deze partij over die grond voldoende zekerheid heeft om zich ter zake een overtuiging te kunnen vormen en om een feitelijk en juridisch onderbouwd en ontvankelijk verzoekschrift tot wraking te kunnen indienen. Het beroep dat daarvoor eventueel moet worden gedaan op een advocaat die beschikt over de in artikel 835 Gerechtelijk Wetboek vereiste anciënniteit kan een impact hebben op de termijn vereist voor het indienen van dat verzoek, maar mag geen onredelijke vertraging tot gevolg hebben.
  14. De rechter die uitspraak doet over het wrakingsverzoek oordeelt onaantastbaar of de partij die het wrakingsverzoek heeft ingediend, dit heeft gedaan van zodra de wrakingsgrond haar was gekend. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  15. Het arrest stelt vast en oordeelt als volgt: - M.G. is als jeugdrechter ingevolge opeenvolgende vorderingen van het openbaar ministerie ermee gelast te oordelen over het opleggen, bevestigen of opheffen van een maatregel van bewaring, van behoeding of van opvoeding ten aanzien van de minderjarige. Over die vorderingen werd door jeugdrechter M.G. uitspraak gedaan bij vonnissen van respectievelijk 20 mei 2020 en 31 maart
  16. Bij brief van 8 juni 2021 werden de ouders en de betrokken minderjarige overeenkomstig artikel 51 Jeugdbeschermingswet uitgenodigd voor een gesprek op het kabinet van jeugdrechter M.G.; - op 21 juni 2021 draagt de eiser in een ter griffie neergelegde akte op grond van gewettigde verdenking overeenkomstig artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek de wraking voor van jeugdrechter M.G., die weigert zich te onthouden; - een eerste wrakingsgrond (miskenning van het hoorrecht van de minderjarige door diens afwezigheid op de rechtszitting van 31 maart 2021 en zijn laattijdige oproeping op 8 juni 2021 voor de rechtszitting van 22 juni 2021) is niet ontvankelijk wegens laattijdigheid omdat het laatste feit dateert van 8 juni 2021; - een tweede wrakingsgrond (miskenning van eisers recht van verdediging omdat de jeugdrechter heeft geweigerd de kabinetsbespreking gepland op 22 juni 2021 uit te stellen niettegenstaande de eiser en de raadsman van de minderjarige hadden laten weten niet aanwezig te kunnen zijn) is niet ontvankelijk wegens laattijdigheid omdat het wrakingsverzoek dateert van 7 dagen na de kennisgeving van die rechtszitting bij de e-mail van de griffier van 14 juni 2021; - een vierde wrakingsgrond (“de vaststelling dat op de zitting van 31.03.2021 door Uw Ambt openlijk aan de moeder van de kinderen werd gevraagd hoe zij het zag en wat de kinderen volgens haar wel of niet zouden mogen”) is niet ontvankelijk wegens laattijdigheid gezien het tijdsverloop sinds 31 maart 2021; - ook en zelfs wanneer de door de eiser ingeroepen incidenten globaal en in samenhang gezien één wrakingsgrond mochten uitmaken zodat die grond hem slechts gekend kon zijn op de datum van het laatste incident, blijft zijn verzoek tot wraking laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk. Uit wat voorafgaat volgt immers dat het verzoek tot wraking door de eiser niet onverwijld werd ingediend nadat het laatste incident hem gekend was.
  17. In de omstandigheden die het arrest aldus vaststelt, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat het verzoekschrift tot wraking dat de eiser ter griffie heeft ingediend op 21 juni 2021 voor wat betreft de eerste, tweede en vierde wrakingsgronden laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 835 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat, voor het geval de derde wrakingsgrond van de eiser betrekking zou hebben op een andere dan de e-mail van 1 juni 2021, die wrakingsgrond de vereiste duidelijkheid en nauwkeurigheid mist en om die reden niet ontvankelijk is aangezien de eiser het bestaan van andere dan de voormelde rechtstreekse communicatie van 1 juni 2021 noch specificeert noch bewijst; uit het verzoekschrift tot wraking blijkt dat er wel degelijk duidelijkheid bestaat over welk stuk precies ontbreekt in het dossier, met name het schrijven van het CLB tussen 25 en 31 maart 2021 waarvan de jeugdrechter op de rechtszitting van 31 maart 2021 uitdrukkelijk de ontvangst heeft bevestigd; dat noch de exacte datum noch de exacte inhoud van de communicatie kan worden aangegeven, verhindert niet dat er sprake is van voldoende nauwkeurigheid en duidelijkheid op basis waarvan het hof van beroep de draagwijdte van de aangevoerde grieven kon bepalen; het arrest beantwoordt de vermelde aanvoering van de eiser niet; het ontbreken in het dossier van een door alle betrokken partijen erkende e-mail die bestemd was de jeugdrechter te informeren, doet vermoeden dat de inhoud bewust wordt onttrokken aan partijen, wat volstaat als grond tot wraking op grond van gewettigde verdenking.
  19. De rechter die oordeelt over een wrakingsverzoek wegens gewettigde verdenking en voor wie wordt aangevoerd dat die verdenking voortspruit uit de afwezigheid in het dossier van een stuk met bepaalde kenmerken dat bestaat of moet bestaan, kan wettig oordelen dat die aanvoering onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk is omdat het bestaan van dat stuk niet wordt gespecificeerd of bewezen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  20. Met de redenen die het middel vermeldt, beantwoordt het arrest eisers aanvoering over het bestaan van het vermelde stuk. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Trekt het arrest in dat het Hof op 7 december 2021 met nummer P.21.1181.N heeft gewezen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ingetrokken arrest. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 26 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081112.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190115.6 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250826.VAK.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.