id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022
Art. 3
, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - GENEESMIDDELEN Vrije woorden: Verdovende middelen - Misdrijf - Het vergemakkelijken van het gebruik van door de Drugswet genoemde stoffen - Moreel bestanddeel - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 3, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Verdovende middelen - Het vergemakkelijken van het gebruik van door de Drugswet genoemde stoffen - Moreel bestanddeel - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -
Art. 3, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr.
P.22.0020.N B. G. J. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Davina Simons, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlei 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- G. G., burgerlijke partij,
- F. B., burgerlijke partij,
- D. G., burgerlijke partij,
- H. G., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest veroordeelt de eiser voor het vergemakkelijken van het gebruik van het geneesmiddel alprazolam/Xanax door E.G. (telastlegging A) en de verkrachting van E.G. (telastlegging B.1); het weigert de voeging te bevelen van de psychiatrische verslagen over E.G. omdat de appelrechters zich over de psychische problematiek en verslavingsproblematiek van E.G. voldoende ingelicht achten door de inhoud van het strafdossier en de voorgebrachte stukken; E.G. nam reeds geruime tijd alprazolam en zij had voor dat geneesmiddel, zoals voor alcohol, een tolerantie opgebouwd; de voeging van de psychiatrische verslagen over E.G. was noodzakelijk om aan te tonen dat E.G. alprazolam voorgeschreven kreeg en om de verstoorde seksuele relatie tussen de eiser en E.G. aan te tonen.
- In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een partij om nog bepaalde stukken bij het strafdossier te laten voegen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard van die stukken, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin de verzoekende partij aannemelijk maakt dat die voeging vereist is voor de eerbiediging van zijn recht van verdediging of zijn recht op een eerlijk proces. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat E.G. alprazolam op voorschrift zou hebben ingenomen, wat het arrest niet vaststelt, mist het feitelijke grondslag.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen bespreekt het arrest de inhoud van de verschillende in het strafdossier aanwezige medische verslagen over de doodsoorzaak van E.G., alsook getuigenverklaringen over de relatie tussen de eiser en E.G. Op basis daarvan oordeelt het dat: - uit het deskundigenverslag van dr. Van Parys blijkt dat het overlijden van E.G. werd veroorzaakt door de synergische werking van grote hoeveelheden alcohol en alprazolam, die E.G. vóór haar overlijden gecombineerd heeft ingenomen; - alprazolam een geneesmiddel is dat behoort tot de groep van benzodiazepines met sederende en angstwerende eigenschappen en dat onder meer voorkomt in de voorschrijfplichtige specialiteit Xanax; - uit het toxicologisch onderzoek blijkt dat E.G. een tolerantie zal hebben opgebouwd tegenover de effecten van alprazolam; - op het nachtkastje langs het bed waar E.G. dood werd aangetroffen, een zakje alprazolampoeder werd aangetroffen dat de eiser, naast andere teruggevonden verdovende middelen en psychotrope stoffen, op het internet had aangekocht; - tijdens de huiszoeking in de woning nergens een reguliere verpakking, aangekocht in de apotheek op doktersvoorschrift, werd aangetroffen; - door op het internet alprazolam aan te kopen en in de woning beschikbaar te stellen en dit bovendien zichtbaar te gebruiken, wetende dat E.G. steevast dezelfde verdovende middelen of psychotrope stoffen tot zich nam die de eiser gebruikte, de eiser ontegensprekelijk het gebruik van alprazolam door E.G. heeft vergemakkelijkt in de zin van artikel 3, § 2, Drugwet; - uit de door de eiser genomen foto’s blijkt dat hij E.G. met een seksueel opzet heeft gepenetreerd, terwijl zij geen toestemming kon geven omdat zij bewusteloos was; - eisers verklaringen dat dit kaderde binnen zijn atypische relatie met E.G. en dat het gebeurde met impliciete toestemming van E.G. en met educatieve doeleinden, niet aannemelijk zijn. Op grond van die redenen kan het arrest voor wat betreft de beide telastleggingen wettig oordelen dat de appelrechters met de hen voorliggende gegevens voldoende waren ingelicht om te oordelen over de schuld van de eiser, zonder dat de voeging van de psychiatrische verslagen over E.G. vereist was. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: het arrest gaat zonder meer ervan uit dat E.G. is overleden ingevolge de inname van alprazolam die haar bovendien door de eiser is verschaft; uit de deskundigenverslagen van dr. Neels blijkt echter dat de hoeveelheid alprazolam in het lichaam van E.G. niet toxisch was, zodat die hoeveelheid niet de dood van E.G. tot gevolg kan hebben gehad; deskundige Neels vermeldt ook dat E.G. door veelvuldig en langdurig gebruik een tolerantie had opgebouwd voor de effecten van alprazolam; hierdoor was de werking van dat geneesmiddel beperkt en kon het bijgevolg niet lethaal zijn; deskundige Neels vermeldt uitdrukkelijk dat de positieve resultaten voor de aanwezigheid van alprazolam in het lichaam van E.G. niet bewijzen dat E.G. het door de eiser aangekochte poeder heeft geconsumeerd; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de deskundigenverslagen van dr. Neels.
- Eensdeels oordeelt het arrest niet dat E.G. is overleden als gevolg van enkel de in haar lichaam teruggevonden hoeveelheid alprazolam, maar als gevolg van de synergische werking van alcohol en alprazolam. Dat betekent dat het gecombineerde effect van die stoffen groter was dan de optelsom van de effecten van elke stof zelf. Anderdeels vermeldt deskundige Neels niet dat E.G. andere alprazolam moet hebben ingenomen dan deze die de eiser heeft aangeschaft en die in de woning aanwezig was, noch dat de tolerantie van E.G. voor alprazolam de werking van dit geneesmiddel noodzakelijk moest beperken tot niet-lethale gevolgen. Aldus geeft het arrest van de deskundigenverslagen van dr. Neels een uitlegging die met de bewoordingen van die verslagen niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige voert het middel in werkelijkheid geen grief over de bewijskracht van akten aan, maar komt het op tegen de gevolgen die het arrest onaantastbaar afleidt uit de gegevens van het strafdossier en is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van het “KB van 6 september 2017” en het “KB van 22 januari 1998”: het arrest oordeelt dat de eiser het gebruik van alprazolam door E.G. heeft vergemakkelijkt in de zin van artikel 3, § 2, Drugwet door dat middel op het internet aan te kopen, in de woning beschikbaar te stellen en zichtbaar te gebruiken wetende dat E.G. steevast dezelfde verdovende middelen of psychotrope stoffen tot zich nam als deze die de eiser gebruikte; het arrest gaat eraan voorbij dat alprazolam geen illegaal middel is, maar een legaal middel indien het op voorschrift werd aangekocht; het overweegt die laatste mogelijkheid niet, maar gaat zonder meer ervan uit dat het gebruik van alprazolam illegaal is.
- Het arrest gaat niet ervan uit dat alprazolam geen geneesmiddel betreft dat wettig kan worden verkregen op medisch voorschrift en steeds illegaal is. Het oordeelt op grond van de feiten die het vaststelt wel dat de alprazolam die E.G. heeft ingenomen geen geneesmiddel betrof dat haar was voorgeschreven, maar een geneesmiddel dat de eiser illegaal op het internet had aangekocht en waarvan hij door zijn handelwijze het gebruik door E.G. heeft vergemakkelijkt. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2bis, § 3, c), en 3, § 2, Drugwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat is voldaan aan de constitutieve bestanddelen van het misdrijf en de verzwarende omstandigheid die in deze bepalingen zijn vermeld; er kan geen causaal verband worden aangetoond tussen de bij E.G. aangetroffen hoeveelheid alprazolam en haar overlijden aangezien de aangetroffen hoeveelheid niet toxisch was; evenmin kan met zekerheid worden aangetoond dat de aangetroffen hoeveelheid alprazolam aan E.G. werd verschaft door de eiser; bovendien betreft het aanzetten tot druggebruik een zelfstandig misdrijf, waarvan het morele bestanddeel bestaat in het aanmoedigen of opwekken van het druggebruik; het misdrijf vereist dus een actieve component van de eiser, in die zin dat vereist is dat men een persoon heeft trachten te overhalen tot het gebruik van drugs, dan wel dat men een reeds aanwezige interesse in drugs aanmoedigt; hieraan is niet voldaan; uit het strafdossier blijkt integendeel dat E.G. kampte met een verslavingsproblematiek en dat zij zichzelf kon voorzien van alcohol en middelen zonder dat zij de eiser daarvoor nodig had.
- Artikel 3, § 2, Drugwet stelt de personen strafbaar die, onder bezwarende titel of om niet, voor een ander het gebruik van de in artikel 2bis, § 1, genoemde verdovende middelen of psychotrope stoffen gemakkelijker maken door het verschaffen daartoe van een lokaal of door enig ander middel, of tot dit gebruik aanzetten. Wanneer het gebruik dat ingevolge dat misdrijf van die stoffen is gemaakt de dood heeft veroorzaakt, levert dat op grond van artikel 2bis, § 3, c), Drugwet een verzwarende omstandigheid op.
- Het misdrijf van het “gemakkelijker maken” van het gebruik van voormelde stoffen “door enig ander middel” dan het verschaffen van een lokaal, vereist enkel dat de dader op de hoogte is van het druggebruik en dat hij dit gebruik op eender welke wijze vergemakkelijkt door zijn niet-gerechtvaardigde toedoen of gebrek aan optreden. Aldus is voor het bewezen verklaren van dat misdrijf niet vereist dat de dader enig bijzonder opzet zou hebben en moet de dader niet hebben getracht de gebruiker te overhalen of hebben aangemoedigd om drugs te gebruiken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Naast hetgeen is vermeld in het antwoord op het eerste middel, oordeelt het arrest als volgt: - de eiser bevestigde aan de onderzoeksrechter dat hij vanaf 2017 de drugs op het darkweb kocht en dat zijn laatste bestelling dateerde van augustus 2017, zijnde de drugs die bij de huiszoeking door de politie werden aangetroffen; - eisers laatste bestelling betrof 250 mg alprazolam in poedervorm, tabak en weed. De eiser erkent dat hij de avond vóór de feiten zelf enkele korreltjes Xanax had genomen en hij denkt dat E.G. daarvan niet op de hoogte was; - de eiser stelt over het druggebruik van E.G. dat zij een stevige drinker was en dat zij verder elke dag drugs nam samen met hem of als anderen haar iets voorlegden. Zij had er nogal vertrouwen in; - de eiser stelt dat hij het zakje Xanax bewaarde bij alle andere drugs, in de keukenkast bij de gewone medicatie, en dat E.G. hiervan op de hoogte was; - de eiser bevestigde aan de onderzoeksrechter dat hij degene was die de drugs bestelde via het internet en deze drugs betaalde. Hij voegde eraan toe dat E.G. hiervan op de hoogte was en dat zij soms de postpakketten in ontvangst nam; - met betrekking tot het zakje Xanax (wit poeder) dat op het nachtkastje naast het lichaam van E.G. lag, stelt de eiser dat hij dat zakje onmiddellijk heeft vastgenomen om te zien of er iets uit was omdat hij wist dat hij dit zakje van 1 gram nog maar net had gekocht. De eiser bevestigde tevens dat hij die producten kocht op het darkweb en dat hij deze aankopen met bitcoins betaalde; - het hof van beroep acht het op grond van de vermelde vaststellingen van de verbalisanten en de verklaringen van de eiser bewezen dat de alprazolam die in het bloed van E.G. was teruggevonden, door de eiser illegaal werd aangekocht en in de woning aanwezig was; - voor het bestaan van dit misdrijf is geen bijzonder opzet vereist. Het is voldoende dat de dader op eender welke wijze het gebruik van drugs met kennis van zaken vergemakkelijkt. De eiser kocht de drugs aan, gebruikte dagelijks deze drugs samen met E.G. en bewaarde ze op een plaats die door haar was gekend of liet ze openlijk liggen in het appartement; - het hof van beroep verwijst naar het overzicht van de in beslag genomen drugs die tijdens de huiszoeking in de woning verspreid werden aangetroffen (13 XTC-pillen, 3 postzegels LSD, 3 blauwe pilletjes, 1 wit pilletje, clonazolam, 1 precisieweegschaal, bruin poeder, doos en papier met restanten van drugs, flesje met GHB, zakje met Xanax,...), en die aldus te allen tijde vrij beschikbaar waren voor E.G.; - de turbulente en soms destructieve relatie tussen de eiser en E.G., hun psychische problemen en hun alcohol- en drugmisbruik doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen; - het feit dat E.G. de eiser niet nodig zou hebben gehad om aan drugs te geraken, wat evenwel niet werd geobjectiveerd, kan alleszins geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststelling dat de alprazolam/Xanax die in het bloed van E.G. was teruggevonden, door de eiser illegaal werd aangekocht en in de woning aanwezig was, ter vrije beschikking van E.G.; - getuige V.G. verklaarde over het druggebruik van de eiser en E.G.: “ik denk dat [E.G.] dat ook wel eens gebruikte, maar ze ging het nooit zelf opzoeken of bestellen. Het werd haar aangeboden, het was er”; - het is niet vereist dat de eiser E.G. heeft aangezet of actief heeft aangemoedigd tot het gebruiken van drugs, aangezien het volstaat dat de eiser het druggebruik van E.G. heeft vergemakkelijkt. Op grond van die redenen is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo: het arrest steunt eisers schuldigverklaring niet op zekere en vaststaande feiten; het arrest oordeelt enkel dat de gecombineerde inname van alcohol en alprazolam het overlijden van E.G. kan hebben veroorzaakt; de appelrechters beschikten niet over alle nodige elementen om de schuld van de eiser te kunnen beoordelen; er bestaat zodoende twijfel of de alprazolam die E.G. op de avond van de feiten heeft ingenomen niet afkomstig was van de eiser maar van E.G. zelf ingevolge medisch voorschrift, alsook of deze dosis alprazolam wel dodelijk is geweest; ook de dosis alcohol die E.G. heeft geconsumeerd kon op zichzelf dodelijk zijn; bovendien kon E.G. zichzelf van drugs en andere middelen voorzien.
- In zoverre het middel aanvoert dat E.G. alprazolam op voorschrift zou hebben ingenomen of dat E.G. kan zijn overleden aan enkel de hoeveelheid door haar geconsumeerde alcohol, wat het arrest niet vaststelt, mist het feitelijke grondslag.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van een deskundigenverslag dat de partijen vrij hebben kunnen tegenspreken, op voorwaarde dat hij aan de deskundige geen mening toeschrijft die deze niet heeft geuit of vaststellingen die deze niet heeft verricht. Aldus is het de rechter niet verboden een door de deskundige geformuleerde hypothese boven elke twijfel bewezen te achten. Dit kan het geval zijn wanneer de rechter van oordeel is dat deze hypothese wordt bevestigd door andere feitelijke elementen die hij vaststelt en dat elke andere hypothese moet worden verworpen.
- Bovendien is de twijfel die tot de vrijspraak van de beklaagde moet leiden, niet een eventuele twijfel bij de deskundige, maar wel de twijfel die de rechter zegt te hebben. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Naast de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel en het derde middel, tweede onderdeel, oordeelt het arrest als volgt: - het hof van beroep volgt de besluitvorming van gerechtsdeskundige Van Parys dat er een quasi zekerheid bestaat dat het overlijden van E.G. werd veroorzaakt ten gevolge van de synergische werking van alcohol en alprazolam. Ook de eiser onderschrijft in zijn beroepsconclusie volmondig deze besluitvorming; - het toxicologisch onderzoek toonde immers in het bloed van E.G. de aanwezigheid aan van 2,43 promille alcohol (urine 3,61 promille), een supratherapeutische tot subtoxische hoeveelheid alprazolam en minieme hoeveelheden amfetamine (kleiner dan de detectielimiet). De combinatie van de duidelijk verhoogde concentratie alcohol, zijnde een ernstige alcoholintoxicatie, samen met de supratherapeutische tot subtoxische hoeveelheid alprazolam kan het overlijden veroorzaakt hebben door ademhalingsdepressie; - bij de vastgestelde concentraties kan het globale effect van beide lichaamsvreemde stoffen volgens dr. Van Parys aanleiding hebben gegeven tot een forse onderdrukking van de hersenfunctie, wat aanleiding heeft gegeven tot een letaal cascade effect met achtereenvolgens toenemend bewustzijnsverlies, coma en uiteindelijk volledig uitval van de ademhaling; - in het bloed van E.G. werd 80 ng/ml alprazolam aangetroffen, terwijl de therapeutische waarde ligt tussen 5-50 ng/ml en de toxische waarde tussen 100-400 ng/ml.
- Uit het geheel van de vermelde redenen kan het arrest wettig afleiden dat E.G. is overleden ingevolge de gecombineerde inname van de bij haar aangetroffen hoeveelheden alcohol en alprazolam, alsook dat die alprazolam afkomstig is van de hoeveelheden die de eiser op het internet heeft aangekocht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit de redenen vermeld in het antwoord op het derde middel, tweede onderdeel, blijkt dat het voor de schuldigverklaring van de eiser aan de telastlegging A geen rol speelt of E.G. zelf de mogelijkheid had om aan drugs te geraken en of zij zelf kon beslissen drugs in te nemen. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verwerpt zonder nadere motivering eisers vraag naar het voegen van de medische dossiers van E.G. voor wat betreft beide telastleggingen A en B.1; de eiser heeft nochtans meermaals aangevoerd dat alprazolam een medicijn op voorschrift was dat E.G. kreeg voorgeschreven; vervolgens besluit het arrest tot de schuld van de eiser aan de telastlegging A zonder te motiveren hoe dit te verzoenen valt met het deskundigenverslag van dr. Neels, waaruit blijkt dat niet vaststaat dat de bij E.G. aangetroffen hoeveelheid alprazolam afkomstig was van de eiser en dat de aangetroffen hoeveelheid niet lethaal was; voor wat betreft de telastlegging B.1 gaat het arrest niet dieper in op de redenen waarom wordt geweigerd de medische dossiers van E.G. te voegen en houdt het geen rekening met de bijzondere, atypische seksuele relatie tussen beide partners.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat oordeelt dat E.G is overleden door de synergische werking van een gecombineerde inname van alcohol en alprazolam, moet niet vaststellen dat de hoeveelheid bij E.G. teruggevonden alprazolam op zichzelf lethaal was.
- Het arrest leidt het gegeven dat de bij E.G. teruggevonden hoeveelheid alprazolam wel degelijk afkomstig was van de eiser af uit de feitelijke elementen die het vermeldt, waaronder eisers aankoop van alprazolam op het internet en het feit dat er tijdens de huiszoeking in de woning nergens een reguliere verpakking, aangekocht in de apotheek op doktersvoorschrift, werd aangetroffen. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder dat het verder moet ingaan op enige vermelding in een deskundigenverslag waaruit de eiser het tegendeel afleidt.
- Met de eigen redenen die het bevat, waaronder de beschrijving van het teruggevonden beeldmateriaal, alsook de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis, waarin onder meer getuigenverklaringen worden aangehaald die de relatie van de eiser en E.G. beschrijven, beantwoordt het arrest eisers verweer over het verband tussen de telastlegging B.1 en de bijzondere aard van hun relatie.
- Met de vermelde redenen motiveert het arrest ook waarom het voor de beoordeling van de schuld van de eiser aan de beide telastleggingen niet nodig was om te beschikken over de medische verslagen van E.G.
- Hieruit volgt dat het arrest regelmatig met redenen is omkleed.
- In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest gaat niet in op eisers verzoek om, gelet op het gebrek aan seksuele motivatie en de atypische aard van zijn relatie met E.G., de telastlegging B.1 te herkwalificeren naar opzettelijke slagen en verwondingen; het beantwoordt eisers verweer niet en gaat niet dieper in op de rechtspraak en rechtsleer waarop eisers verweer steunt.
- Om een verweer te beantwoorden moet de rechter niet noodzakelijk ingaan op rechtsleer en rechtspraak waarop dat verweer steunt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen aangeduid in het antwoord op het eerste middel, het derde middel, tweede onderdeel, het eerste onderdeel van dit middel en het zesde middel, motiveert het arrest waarom niet moet worden ingegaan op eisers verzoek tot herkwalificatie en beantwoordt het zijn verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 375, 376, 378 en 483 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de verkrachting van E.G. zonder rekening te houden met de atypische aard van hun relatie en de impliciete toestemming van E.G. met de door de eiser op haar gestelde handelingen; het arrest oordeelt onterecht dat er bij de eiser een seksueel motief aanwezig was.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheden in het eerste middel en het vijfde middel, tweede onderdeel, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of het verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk.
- Met de redenen die het arrest (p. 18-20) bevat, beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 143,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 26 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020521.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div