← België

VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.7 Rolnummer: P.22.0208.N Zaak: VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-05-05 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-06-19 01:10 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het recht van verdediging wordt miskend wanneer de strafrechter bij zijn beoordeling een wijziging doorvoert aan de toepasselijke strafbepaling zonder dat de partijen de gelegenheid hebben gehad om standpunt in te nemen over de aanpassing die de strafrechter heeft doorgevoerd. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Tekst van de beslissing Nr. P.22.0208.N VANHEEDE ENVIRONMENTAL LOGISTICS nv, met zetel te 8940 Wervik, Dullaardstraat 11, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eiseres woonplaats kiest. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 16 december 2021. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het bestreden vonnis herkwalificeert de telastlegging B door de strafrechtelijke grondslag vermeld in die telastlegging te wijzigen, zonder dat de eiseres daarvan werd verwittigd en zonder dat zij de mogelijkheid kreeg zich hierover te verdedigen; die wijziging heeft voor de eiseres een zwaardere straf tot gevolg dan deze die de appelrechters haar konden opleggen op grond van de aanvankelijke telastlegging. De eiseres is onder de telastlegging B vervolgd wegens: “met een transporteenheid vervoer van gevaarlijke goederen van de klasse opgenomen in de bijlagen van lagervermeld ADR verdrag over de weg te hebben verricht of laten verrichten, zonder dat de schriftelijke richtlijnen, zowel qua vorm als qua inhoud, overeenstemde met het model van 4 bladzijden zoals bepaald in het ADR verdrag (deel 5, hoofdstuk 4, afdeling 3 onderafdeling 4 (nr. 5.4.3.4) van het Europees verdrag betreffende het Internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) van 30 september 1957, goedgekeurd bij de Wet van 10 augustus 1960, in uitvoering door het KB van 28 juni 2009 bestraft met art. 29 van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968).” Het bestreden vonnis bevestigt de door het beroepen vonnis aan de eiseres opgelegde geldboete van 500,00 euro, met opdeciemen gebracht op 4.000,00 euro, na onder de hoofding “Straftoemeting” te hebben geoordeeld: “Het verrichten of laten verrichten van vervoer met een transporteenheid van gevaarlijke goederen zoals opgenomen in de bijlagen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) van 30 september 1957 (hierna ADR-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1960 en uitgevoerd bij koninklijk besluit van 28 juni 2009, zonder te hebben voldaan aan de verplichtingen van bijlage A, in casu deze onder randnummer 5.4.3.4 ADR-Verdrag, is strafbaar overeenkomstig artikel 2, § 1, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg (…) en niet overeenkomstig artikel 29 van de wegverkeerswet.” Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres de gelegenheid heeft gehad standpunt in te nemen over de aanpassing die het bestreden vonnis zodoende heeft doorgevoerd aan de strafbepaling opgenomen in de telastlegging B. Aldus is het recht van verdediging van de eiseres miskend. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede onderdeel Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het eiseres’ hoger beroep ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 132,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 26 april 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.7 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231219.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.