← België

Oilchart International contra O.W. BUNKER bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.3 Rolnummer: C.21.0150.N Zaak: Oilchart International contra O.W. BUNKER bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Unierecht - Insolventierecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 1630 - laatst gezien 2026-06-19 01:04 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.3 Fiches 1 - 3 Een vordering tot betaling van een factuur voor levering van goederen ter uitvoering van een overeenkomst gesloten vóór de opening van een insolventieprocedure, door de schuldeiser die in de ene lidstaat is gevestigd, in die lidstaat ingesteld tegen de schuldenaar nadat tegen hem een insolventieprocedure is geopend in een andere lidstaat, valt binnen de werkingssfeer van de Brussel 1bis-Verordening, aangezien zij is gebaseerd op een recht of verbintenis voortvloeiend uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  1. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  2. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Overeenkomst gesloten voor de opening van de insolventieprocedure - Factuur - Vordering tot betaling - Vordering ingesteld in de lidstaat van de schuldeiser - Insolventieprocedure tegen schuldenaar geopend in een andere lidstaat - Werkingssfeer van de Brussel 1bis-Verordening Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 12-12-2012 - Art. 1, eerste en tweede lid,
  3. b)Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures - 29-05-2000 - Art. 1, eerste lid Fiches 4 - 5 Dat een prealabele vraag moet worden beslecht inzake een krachtens artikel 1, lid 2,
  4. b)van de Brussel 1bis-Verordening uitgesloten materie, staat niet in de weg aan het binnen de werkingssfeer van de Verordening vallen van een dergelijke vordering, aangezien dit de aard van de door de vordering te bewaren rechten niet wijzigt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Prealabele vraag inzake een uitgesloten materie - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Brussel 1bis-Verordening - Werkingssfeer - Prealabele vraag inzake een uitgesloten materie - Gevolg Fiche 6 De feitenrechter die de buitenlandse wet toepast, moet de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die deze wet in het land van oorsprong krijgt; het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDE WET Vrije woorden: Toepassing - Draagwijdte - Taak van de rechter Fiches 7 - 8 Artikel 33, Nederlandse Faillissementswet verbiedt gedurende het faillissement uitsluitend de individuele tenuitvoerlegging op het vermogen van de schuldenaar, dit is het tot het faillissement behorende vermogen en staat er aldus niet aan in de weg dat de schuldeiser een bankgarantie afroept die tot persoonlijke zekerheid strekt van een schuld van de gefailleerde, aangezien hij hierdoor geen aanspraak maakt op een bestanddeel van de failliete boedel, maar op een derde vermogen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDE WET Vrije woorden: Artikel 33, tweede lid, Nederlandse Faillissementswet - Afroep door schuldeiser van bankgarantie tot persoonlijke zekerheid van een schuld van de gefailleerde - Toepassing Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: Artikel 33, tweede lid, Nederlandse Faillissementswet - Afroep door schuldeiser van bankgarantie tot persoonlijke zekerheid van een schuld van de gefailleerde - Toepassing Tekst van de beslissing Nr. C.21.0150.N OILCHART INTERNATIONAL nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Plantinkaai 13, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0422.481.520, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  1. O.W. BUNKER (NETHERLANDS) bv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3087 BM Rotterdam (Nederland), Waalhaven O.z. 83 B, en V. D. V., eerste verweerster,
  2. ING BANK nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 1102 MG Amsterdam (Nederland), Bijlmerplein 888, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat, 3, waar de tweede verweerster woonplaats kiest,
  3. HANSA TANKERS as, met zetel te 5018 Bergen (Noorwegen), Kalfarveien 57A,
  4. KASUGTA SCHIFFAHRTS GmbH, met zetel te 20457 Hamburg (Duitsland), Mattentwiete 1, derde en vierde verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de derde en vierde verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 december
  5. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 12 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Gegrondheid
  6. Krachtens artikel 1, lid 1, Verordening (EU) 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna Brussel Ibis-Verordening) wordt deze verordening toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Krachtens artikel 1, lid 2, b), is deze verordening niet van toepassing op het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures. Krachtens artikel 1, lid 1, Verordening (EG) 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna Insolventieverordening), zoals van toepassing, is deze verordening van toepassing op collectieve procedures die, op de insolventie van de schuldenaar berustend, ertoe leiden dat deze schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen geheel of ten dele verliest en dat een curator wordt aangewezen.
  7. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat: - enkel vorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit een insolventieprocedure en daarmee nauw verband houden, buiten de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening vallen en bijgevolg alleen vorderingen met die kenmerken binnen de werkingssfeer van de Insolventieverordening vallen (HvJ 22 februari 1979, 133/78, Gourdain, r.o. 4; 19 april 2012, C-213/10, F-Tex SIA, r.o. 22 en 24; 9 november 2017, C-641/16, Tünkers France, r.o. 19; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 26); - het doorslaggevend criterium om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt niet de procedurele context van die vordering is, maar de rechtsgrondslag ervan. Volgens die benadering moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht, dan wel uit specifieke, afwijkende regels voor insolventieprocedures (HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 27; 9 november 2017, C-641/16, Tünkers France, r.o. 22; 20 december 2017, C-649/16, Valach, r.o. 29; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 28); - dat na de opening van een insolventieprocedure een vordering wordt ingesteld door de in die procedure aangewezen curator en dat die curator in het belang van de crediteuren handelt, in wezen niets verandert aan de aard van die vordering, die losstaat van de insolventieprocedure en ten gronde onderworpen blijft aan regels van gemeen recht (HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 29; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 29); - een vordering die kan worden ingesteld door de schuldeiser zelf en aldus niet onder de uitsluitende bevoegdheid van de curator valt en die losstaat van de inleiding van een insolventieprocedure, niet kan worden beschouwd als een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg van een dergelijke procedure, zodat er vanuit moet worden gegaan dat deze vordering op de gemene regels van het burgerlijk en handelsrecht is gegrond en bijgevolg niet buiten de werkingssfeer van de BrusselIbis-Verordening valt (HvJ 4 september 2014, C-157/13, Nickel & Goeldner Spedition, r.o. 28; 6 februari 2019, C-535/17, NK, r.o. 36). Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 21 november 2019, C-198/18, CeDe Group AB bovendien geoordeeld dat een vordering tot betaling van goederen die zijn geleverd ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, niet kan worden aangemerkt als het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg van een insolventieprocedure louter om de reden dat een van de contractpartijen aan de insolventieprocedure is onderworpen. Het instellen van die vordering is geenszins afhankelijk van de opening van een insolventieprocedure, aangezien een dergelijke vordering tot betaling buiten elke insolventieprocedure door de schuldeiser zelf tegen de schuldenaar kan worden ingesteld (r.o. 35-36). Die vordering valt dus niet onder de werkingssfeer van de Insolventieverordening, wanneer zij door de curator van een failliet bedrijf dat is gevestigd in een lidstaat, is ingesteld tegen een contractpartij gevestigd in een andere lidstaat (r.o. 37). Tevens oordeelt het Hof van Justitie in vaste rechtspraak dat om te bepalen of een geding binnen het toepassingsgebied van de Brussel Ibis-Verordening valt, men alleen dient te letten op het onderwerp van het geding. Of die verordening kan worden toegepast, wordt inzonderheid bepaald door de aard van de rechten die men door de betrokken procedure beoogt te bewaren of door te zetten (HvJ 17 november 1998, C-391/95, Van Uden, r.o. 33; 10 februari 2009, C-185/07, Allianz SpA, r.o. 22).
  8. Uit die rechtspraak volgt kennelijk dat: - een vordering tot betaling van een factuur voor de levering van goederen ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, die de schuldeiser die in de ene lidstaat is gevestigd, in die lidstaat instelt tegen de schuldenaar nadat tegen hem een insolventieprocedure is geopend in een andere lidstaat, binnen de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening valt, aangezien zij is gebaseerd op een recht of verbintenis voortvloeiend uit de gemene regels van het burgerlijk en het handelsrecht; - het gegeven dat een prealabele vraag moet worden beslecht inzake een krachtens artikel 1, lid 2, b), uitgesloten materie, namelijk wat het gevolg is van de opening van een insolventieprocedure voor de toelaatbaarheid van een vordering in rechte die tegen de gefailleerde zelf wordt ingesteld, hieraan niet in de weg staat, aangezien dit de aard van de door de vordering te bewaren rechten niet wijzigt.
  9. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - tegen de eerste verweerster in Nederland een insolventieprocedure werd geopend ten gevolge waarvan zij op 21 november 2014 door de Nederlandse rechter failliet werd verklaard; - de eiseres de eerste verweerster op 11 maart 2015 voor de Belgische rechter heeft gedagvaard tot invordering van een onbetaalde factuur, uitgeschreven vóór het faillissement, voor bunkers die de eiseres aan het zeeschip ms Kasugta heeft geleverd; - de eiseres haar schuldvordering ten aanzien van de eerste verweerster eveneens bij de Nederlandse curator heeft ingediend krachtens de artikelen 26 en 110 Nederlandse Faillissementswet; - de vraag of de door de eiseres tegen de eerste verweerster zelf ingestelde vordering ontvankelijk is, blijkbaar afhangt van de vraag of dit een verifieerbare vordering is, met name een vordering ter voldoening van een verbintenis uit de boedel, die krachtens artikel 26 Nederlandse Faillissementswet slechts ter verificatie bij de curator kan worden ingediend volgens de procedure van artikel 110 en tijdens het faillissement niet tegen de gefailleerde in rechte kan worden ingesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid, dan wel een niet-verifieerbare vordering, met name een vordering betreffende de omvang van de boedel, die krachtens artikel 25, lid 2, Nederlandse Faillissementswet wel tegen de gefailleerde kan worden ingesteld, maar waarbij een veroordeling van de gefailleerde geen rechtskracht heeft tegenover de failliete boedel; - voor de beoordeling van de door de eiseres tegen de eerste verweerster zelf ingestelde vordering bijgevolg moet worden uitgemaakt of de betalingsverplichting van de eerste verweerster ten opzichte van de eiseres als niet verifieerbaar kan worden beschouwd, een vraag die enkel kan worden beantwoord volgens de regels van het Nederlandse faillissementsrecht en niet volgens die van het gewone burgerlijke en handelsrecht; - door het stellen van dezelfde vordering tegen de eerste verweerster, zowel ten opzichte van de boedel door indiening bij de curator als buiten de boedel, dit is tegen de gefailleerde zelf, op zijn minst voldaan is aan het vereiste van een intens verband tussen een vordering in rechte en de insolventieprocedure; - de thans tegen de gefailleerde ingestelde vordering gegrond is op specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures en niet op de gemene regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht, zodat zij onder de toepassing van de Insolventieverordening valt; - het hof van beroep krachtens artikel 3.1 van die verordening internationaal onbevoegd is, nu de insolventieprocedure op het Nederlands grondgebied werd geopend zodat de rechters van die lidstaat eveneens bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster, die nauw samenhangt met de insolventieprocedure.
  10. Door aldus te oordelen dat de vordering tot betaling van een factuur ter uitvoering van een overeenkomst die vóór de opening van een insolventieprocedure was gesloten, die de schuldeiser in België heeft ingesteld tegen de schuldenaar nadat tegen hem een insolventieprocedure werd geopend in Nederland, buiten de werkingssfeer van de Brussel Ibis-Verordening valt, om de enkele reden dat de schuldvordering ook bij de curator werd ingediend en de prealabele vraag moet worden beslecht of na de opening van de insolventieprocedure nog op toelaatbare wijze een vordering in rechte tegen de gefailleerde zelf kon worden ingesteld, terwijl dit de burgerlijke en handelsrechtelijke grondslag van de vordering niet wijzigt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. De eiseres heeft aangevoerd dat de eerste verweerster op grond van artikel L4 van de algemene voorwaarden van de OWB-groep over een mandaat beschikte om de derde en vierde verweersters te verbinden ten aanzien van de fysieke leverancier van de bunkers. De appelrechters beantwoorden dit verweer niet. Het onderdeel is gegrond. Derde middel (…) Gegrondheid
  12. Het arrest past, zonder op dit punt te worden bekritiseerd, de Nederlandse Faillissementswet toe om de afroepbaarheid van de bankgarantie te beoordelen rekening houdend met de in Nederland lopende insolventieprocedure tegen de eerste verweerster.
  13. Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die de voormelde wet in het land van oorsprong krijgt. Het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is.
  14. Artikel 33, lid 1, Nederlandse Faillissementswet bepaalt dat het vonnis van faillietverklaring tot gevolg heeft dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op enig deel van het vermogen van de schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk een einde neemt, en dat, ook vanaf hetzelfde ogenblik, geen vonnis bij lijfsdwang ten uitvoer kan worden gelegd. Krachtens lid 2 van deze bepaling vervallen gelegde beslagen, waarbij de inschrijving van een desbetreffende verklaring van de rechter-commissaris de bewaarder van de openbare registers machtigt tot doorhaling. Het beslag herleeft, zodra het faillissement een einde neemt ten gevolge van vernietiging of opheffing van het faillissement, mits het goed dan nog tot de boedel behoort. Indien de inschrijving van het beslag in de openbare registers is doorgehaald, vervalt de herleving, indien niet binnen veertien dagen na de herleving een exploot is ingeschreven, waarbij van de herleving mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
  15. Voormelde wetsbepaling verbiedt gedurende het faillissement uitsluitend de individuele tenuitvoerlegging op het vermogen van de schuldenaar, dit is het tot het faillissement behorende vermogen. Deze bepaling staat niet eraan in de weg dat de schuldeiser een bankgarantie afroept die tot persoonlijke zekerheid strekt van een schuld van de gefailleerde, aangezien hij hierdoor geen aanspraak maakt op een bestanddeel van de failliete boedel, maar op een derde vermogen.
  16. De appelrechters die oordelen dat het afroepen van een bankgarantie een vorm van gerechtelijke tenuitvoerlegging is die onverenigbaar is met artikel 33 Nederlandse Faillissementswet, zodat die afroep moet worden geschorst zolang het faillissement is geopend, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 28 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.