id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.5 Rolnummer: C.20.0091.N Zaak: WOLFF E.A.G.T. bv contra HAECK BEVEILIGING bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 868 - laatst gezien 2026-06-16 04:39 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.5 Fiche 1 Bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het beweerd inbreukmakend teken wordt in beginsel uitgegaan van een vergelijking tussen het merk zoals gedeponeerd met het inbreukmakend teken zoals dit effectief wordt gebruikt en waargenomen door het publiek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK Vrije woorden: Overeenstemming tussen merk en beweerd inbreukmakend teken - Beoordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), gedaan te Den Haag op 25 febriuari 2005 - 25-02-2005 - Art. 2.20.1, b) - 53 Link Justel databank 20050225-53 Fiche 2 Wanneer bepaalde bestanddelen van een beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd zijn, moet niet enkel worden uitgegaan van die gedeponeerde bestanddelen, maar moet een vergelijking worden gemaakt met het teken in zijn geheel zoals dit daadwerkelijk wordt gebruikt, volgens de totaalindruk die door dit teken bij de gemiddelde consument wordt opgeroepen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MERKEN - BENELUX-MERK Vrije woorden: Overeenstemming tussen merk en beweerd inbreukmakend teken - Bestanddelen van beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd - Beoordeling - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), gedaan te Den Haag op 25 febriuari 2005 - 25-02-2005 - Art. 2.20.1,
- b)- 53 Link Justel databank 20050225-53 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0091.N WOLFF E.A.G.T. bv, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Prekelindenlaan 136, bus 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0480.192.659, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen HAECK BEVEILIGING bv, met zetel te 8900 Ieper, Ter Waarde 70, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0628.670.757, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 7 oktober 2019. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 13 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 2.20.1 BVIE, zoals van toepassing, geeft het ingeschreven merk de houder een uitsluitend recht. Onverminderd de eventuele toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden, sub b, wanneer dat teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk. 2. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hangt de beoordeling van het verwarringsgevaar van vele factoren af en met name van de bekendheid van het merk op de markt, van het antwoord op de vraag in hoeverre een associatie mogelijk is met het gebruikte of het ingeschreven teken, en van de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken en tussen de aangeduide waren of diensten. Het verwarringsgevaar dient derhalve in zijn geheel te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Die volledige beoordeling dient bovendien, wat de visuele, auditieve of begripsmatige gelijkenissen van de betrokken merken betreft, te berusten op de totaalindruk die door de merken wordt opgeroepen, en daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de onderscheidende en dominerende bestanddelen ervan. De wijze waarop de gemiddelde consument de betrokken waren of diensten waarneemt, speelt een beslissende rol bij de globale beoordeling van dit gevaar. De gemiddelde consument neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op de verschillende details ervan (HvJ 11 november 1997, Sabel / Puma, C-251/95, r.o. 22-23; HvJ 12 januari 2006, C. Ruiz-Picasso / BHIM, C-361/04, r.o. 18-19; HvJ 12 juni 2007, BHIM / Shaker, C-334/05, r.o. 34-35; HvJ 3 september 2009, Aceites / BHIM, C-498/07, r.o. 59-60; HvJ 18 juli 2013, Specsavers / Asda, C-252/12, r.o. 34-35; HvJ 8 mei 2014, Bimbo sa / BHIM, C-591/12, r.o. 20-21; HvJ 5 maart 2020, Halloumi / EUIPO, C-766/18, r.o. 67-69). Bij de beoordeling van de overeenstemming mag volgens het Hof van Justitie niet slechts één bestanddeel van een samengesteld merk in beschouwing worden genomen en met een ander merk worden vergeleken. Bij een dergelijke vergelijking moeten de betrokken merken juist elk in hun geheel worden onderzocht. Alleen wanneer alle andere bestanddelen van het merk te verwaarlozen zijn, kan de overeenstemming op basis van enkel het dominerende bestanddeel worden beoordeeld (HvJ 12 juni 2007, BHIM / Shaker, C-334/05, r.o. 41-42; HvJ 3 september 2009, Aceites / BHIM, C-498/07, r.o. 61-62; HvJ 8 mei 2014, Bimbo sa / BHIM, C-591/12, r.o. 22-23; HvJ 22 oktober 2015, BGW Beratungs-Gesellschaft Wirtschaft mbH / Scholz, C-20/14, r.o. 36-37). 3. Het Hof van Justitie oordeelt bovendien dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het teken rekening moet worden gehouden met de specifieke context waarin is gebruikgemaakt van het teken dat beweerdelijk overeenstemt met het ingeschreven merk. De derde die gebruikmaakt van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met een ingeschreven merk, beroept zich immers niet op enig merkrecht op dit teken maar maakt er gericht gebruik van. In die omstandigheden dient het onderzoek of de houder van het ingeschreven merk het recht heeft om zich tegen dit specifieke gebruik te verzetten, zich te beperken tot de omstandigheden waarin genoemd gebruik plaatsvindt, zonder dat moet worden nagegaan of een ander gebruik van hetzelfde teken in andere omstandigheden eveneens verwarringsgevaar zou opleveren (HvJ 12 juni 2008, O2 Holdings / Hutchison 3G, C-533/06, r.o. 64 en 66-67; HvJ 18 juli 2013, Specsavers / Asda, C-252/12, r.o. 45). 4. In een arrest van 1 juni 1978 heeft het Benelux-Gerechtshof daarnaast geoordeeld dat de merkhouder zich krachtens artikel 2.20.1.b BVIE kan verzetten tegen elk gebruik van een overeenstemmend teken voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten, ongeacht of dat teken al dan niet als merk is ingeschreven. Indien van een als merk ingeschreven teken, dat op zichzelf niet overeenstemt met het merk van de merkhouder, een bepaalde commerciële presentatie wordt gebruikt die wel overeenstemt met het merk van de merkhouder, kan deze laatste zich niet verzetten tegen het gebruik van het als merk ingeschreven teken op zichzelf maar wel tegen het gebruik van dit teken in de presentatie die tot verwarring omtrent de herkomst van de waren aanleiding kan geven. 5. Uit de voornoemde rechtspraak volgt kennelijk dat bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk en het beweerd inbreukmakend teken in beginsel wordt uitgegaan van een vergelijking tussen het merk zoals gedeponeerd, aangezien het uitsluitend recht van de houder krachtens artikel 2.20.1.b BVIE slechts verkregen wordt door depot, met het inbreukmakend teken zoals dit effectief wordt gebruikt en waargenomen door het publiek. Hieruit volgt dat wanneer bepaalde bestanddelen van een beweerd inbreukmakend teken als merk gedeponeerd zijn, niet enkel moet worden uitgegaan van die gedeponeerde bestanddelen, maar een vergelijking moet worden gemaakt met het teken in zijn geheel zoals dit daadwerkelijk wordt gebruikt, volgens de totaalindruk die door dit teken bij de gemiddelde consument wordt opgeroepen. 6. Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat: - de eiseres, actief in de veiligheidssector en gespecialiseerd in de levering en plaatsing van alarmsystemen en camerabewaking, titularis is van een samengesteld semi-figuratief Benelux-merk bestaande uit een woordelement (“Wolff Security” in hoofdletters) en een beeldelement (een wolvenkop die frontaal afgebeeld is); - de verweerster concurrerende activiteiten onder de handelsnaam “Wolf Security” uitoefent en een logo gebruikt, bestaande uit een wolvenkop, het woordelement “Wolf Security” in hoofdletters en de domeinextensie “.be”, en hiervan het woordelement “Wolf Security” als merk heeft gedeponeerd; - de eiseres heeft gevorderd dat wordt vastgesteld dat de verweerster, door het teken “Wolf Security” te gebruiken ter aanduiding van haar waren en diensten, haar uitsluitend recht op het merk “WOLFF SECURITY” heeft geschonden en dat de verweerster wordt veroordeeld tot staking van elk gebruik van de handelsnaam “Wolf Security” in het economisch verkeer, zowel alleen als gecombineerd met enig beeldelement. 7. Door vervolgens bij de beoordeling van de overeenstemming tussen het merk van de eiseres en het beweerd inbreukmakend teken van de verweerster rekening te houden met het logo van de verweerster in zijn geheel, zoals dit effectief wordt gebruikt en volgens de totaalindruk die het bij de gemiddelde consument oproept, en niet enkel met het woordelement “Wolf Security” dat als merk is gedeponeerd, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 767,20 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 28 april 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220428.1N.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220428.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div