id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 Rolnummer: P.22.0040.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 990 - laatst gezien 2026-06-19 05:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen; wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à charge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald en (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen; dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen
(1).
(1)Zie noot OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à décharge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde; daarbij dient evenwel niet elk criterium of elke reden die de rechter bij de invulling van een criterium vermeldt, even draagkrachtig te zijn; de criteria en de daarbij vermelde redenen kunnen elkaar immers versterken, vervolledigen of verduidelijken en moeten zodoende steeds in hun onderling verband worden gelezen; het staat aan de rechter om, rekening houdend met de aldus gepreciseerde criteria, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend; daarbij moet de rechter zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; uit het geheel van die omstandigheden moet blijken dat de rechter deze criteria daadwerkelijk op de zaak heeft toegepast, zonder zich te beperken tot algemeenheden die niet worden geconcretiseerd aan de hand van de specifieke gegevens van de zaak of tot een formele zienswijze die geen bevestiging vindt in de verdere beoordeling; dit laatste sluit niet noodzakelijk uit dat de rechter, die heeft geoordeeld dat een belastende verklaring van een getuige niet doorslaggevend is voor de beoordeling van de schuld van de beklaagde, bij de schuldbeoordeling toch verwijst naar die verklaring, mits daaruit niet blijkt dat de rechter de schuldbeoordeling wel degelijk in overwegende mate op die verklaring steunt
(1).
(1)Zie noot OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Belang en onderling verband van de criteria over de noodzaak van een getuigenverhoor - Concrete toepassing van de criteria - Recht op een eerlijk proces in zijn geheel - Concrete omstandigheden van de zaak - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Belang en onderling verband van de criteria over de noodzaak van een getuigenverhoor - Concrete toepassing van de criteria - Recht op een eerlijk proces in zijn geheel - Concrete omstandigheden van de zaak - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Belang en onderling verband van de criteria over de noodzaak van een getuigenverhoor - Concrete toepassing van de criteria - Recht op een eerlijk proces in zijn geheel - Concrete omstandigheden van de zaak - Gebruik van een belastende verklaring van de getuige die niet doorslaggevend is voor het bewijs - Compenserende waarborgen voor de verdediging - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Nota: NOOT. De overwegingen 2, 3 en 4 van het arrest over de drie criteria voor het niet-horen van getuigen à charge op de terechtzitting, die voortvloeien uit de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM steunen op vaste rechtspraak, onder meer Cass. 15 februari 2022, AR P.21.1418.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13; Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2; Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0081.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, NC 2021, 348; Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626, NC 2021, 49; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508, NC 2021, 46; Cass. 16 juni 2020, AR P.19.1263.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7, AC 2020, nr. 399; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 20 september 2017, AR P.17.0428.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4, AC 2017, nr. 488; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, AC 2017, nr. 181, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73, met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, NC 2017, 173, T. Strafr. 2017, 207; EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, §27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, www.echr.coe.int Zie ook D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, in Strafrecht in breed spectrum, Die Keure, 2014, 25-58; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non verifiées de témoins au regard du procès équitable”, J.T. 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, “Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg”, T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-287; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GompelSvacina, 2019, 776-779; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1400-1403. Het arrest geeft in de overwegingen 5, 6 en 7 verduidelijking over het onderling verband tussen de drie criteria (de rechter moet geen gelijk gewicht toekennen aan elk criterium) en wijst op de noodzaak van een concrete (getoetst aan specifieke gegevens) en consistente motivering over deze criteria in functie van het recht op een eerlijk proces in zijn geheel. Het Hof nam eerder aan, over het aspect consistentie, dat: “Wanneer de strafrechter een getuigenverklaring als niet doorslaggevend voor de schuldigverklaring beschouwt, mag hij die verklaring als steunbewijs in aanmerking nemen, althans in zoverre niet blijkt dat die verklaring dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat ze het resultaat van de zaak heeft bepaald” (Cass. 16 juni 2020, AR P.19.1263.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7, AC 2020, nr. 399, RO 20). (BDS) Fiche 10 Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek vereist dat de rechter erover waakt aan de beklaagde geen straf op te leggen die dermate afbreuk doet aan zijn financiële toestand dat ze een miskenning van het eigendomsrecht inhoudt
(1); die bepaling vereist niet noodzakelijk dat de rechter de hoegrootheid van de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen bepaalt in functie van de ernst van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht of van de rol van de beklaagde in het geheel van de vervolgde feiten.
(1)Cass. 17 maart 2021, AR P.20.0099.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210317.2F.2. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Financiële toestand van de beklaagde en recht op eigendom - Ernst van het strafbaar feit - Rol van de beklaagde in het geheel van de vervolgde feiten - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43bis, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 11 Bij het bepalen van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, dient de rechter geen aftrek te doen van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Kosten verbonden aan het plegen van het misdrijf - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 12 Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag in billijkheid bepalen
(1); daarbij dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen toelaten; de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel kan worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald en ongeacht de bestemming die hij later aan dat vermogensvoordeel heeft gegeven.
(1)Cass. 15 december 2020, AR P.20.0696.N, RABG 2021, 1010. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Raming van het verbeurdverklaarde bedrag in billijkheid - Gegevens van het strafdossier - Voordeel dat de beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald - Bestemming die de beklaagde gaf aan het vermogensvoordeel - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 3°, en 43bis - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0040.N I B. E. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gunter Fransis, advocaat bij de balie Leuven. II D. A. J. J. D. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 2 december 2021. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste, tweede en vierde onderdeel 1. De onderdelen voeren schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek om aanvankelijk medebeklaagde J.T. als getuige ter rechtszitting te horen. Het eerste onderdeel voert aan dat de redenen van het arrest, namelijk dat een beklaagde niet onder eed kan worden gehoord over een medebeklaagde, dat het beroepen vonnis ten aanzien van J.T. bij verstek is gewezen zodat die beslissing wat hem betreft nog niet in kracht van gewijsde is getreden en dat er een risico is van beïnvloeding, intimidatie, bedreiging en zelfs van geweld gelet op de aard van de feiten en het milieu waarin de feiten zich afspeelden, niet volstaan als feitelijke of juridische gronden om J.T. niet ter rechtszitting als getuige te horen; de appelrechters duiden evenmin aan op welke concrete omstandigheden, eigen aan de zaak, het risico van beïnvloeding, intimidatie, bedreiging en geweld is gebaseerd. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de belastende verklaringen van J.T. geen doorslaggevend bewijselement zijn en dat het enkele feit dat in de redenen voor eisers schuldigverklaring wordt verwezen naar de verklaringen van J.T. niet volstaat om deze verklaringen als doorslaggevend te aanzien, wanneer blijkt dat ook andere objectieve en materiële doorslaggevende bewijselementen aan die beslissing ten grondslag liggen; uit de redenen voor eisers schuldigverklaring blijkt dat de appelrechters aan de verklaringen van J.T. wel degelijk een determinerend karakter toekennen voor de bewijsbeslissing; dat de appelrechters daarbij ook verwijzen naar andere objectieve en materiële bewijselementen, volstaat niet om te oordelen dat deze belastende verklaringen niet doorslaggevend zijn. Het vierde onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat “[De eiser I] uitgebreid tegenspraak heeft kunnen voeren en gevoerd heeft betreffende de regelmatig aan het hof (van beroep) overgelegde bewijselementen. In zijn beroepsconclusie en op de rechtszitting van het hof hebben [de eiser I] en zijn raadsman gebruik gemaakt van hun recht om hun versies en uiteenzettingen van de feiten te geven en de beweerdelijk onware verklaringen te weerleggen. Zij hebben aldus de mogelijkheid gekregen om onder meer de verklaringen van [J.T.] (…) vrij te betwisten”; de loutere omstandigheid dat de verdediging de schriftelijke verklaring van een getuige à charge ter rechtszitting aan tegenspraak kan onderwerpen, kan niet worden beschouwd als een compenserende factor in het kader van de criteria om een getuigenverhoor ter rechtszitting te weigeren. 2. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 3. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 4. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 5. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Daarbij dient evenwel niet elk criterium of elke reden die de rechter bij de invulling van een criterium vermeldt, even draagkrachtig te zijn. De criteria en de daarbij vermelde redenen kunnen elkaar immers versterken, vervolledigen of verduidelijken en moeten zodoende steeds in hun onderling verband worden gelezen. 6. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met de aldus gepreciseerde criteria, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige à charge het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. Daarbij moet de rechter zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 7. Uit het geheel van die omstandigheden moet blijken dat de rechter deze criteria daadwerkelijk op de zaak heeft toegepast, zonder zich te beperken tot algemeenheden die niet worden geconcretiseerd aan de hand van de specifieke gegevens van de zaak of tot een formele zienswijze die geen bevestiging vindt in de verdere beoordeling. Dit laatste sluit niet noodzakelijk uit dat de rechter, die heeft geoordeeld dat een belastende verklaring van een getuige niet doorslaggevend is voor de beoordeling van de schuld van de beklaagde, bij de schuldbeoordeling toch verwijst naar die verklaring, mits daaruit niet blijkt dat de rechter de schuldbeoordeling wel degelijk in overwegende mate op die verklaring steunt. 8. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht. 9. Voor wat betreft het eerste criterium oordeelt het arrest (p. 12-13) dat het horen van J.T. als getuige ter rechtszitting problematisch is omdat: - een medebeklaagde niet kan worden ondervraagd onder eed wanneer het gaat om een verhoor dat betrekking heeft op een medebeklaagde; - alleszins het beroepen vonnis ten aanzien van J.T. bij verstek is gewezen, zodat die beslissing wat hem betreft nog niet in kracht van gewijsde is getreden; - er het risico is van beïnvloeding, intimidatie, bedreiging en zelfs van geweld, gelet op de aard van de feiten en het milieu waarin de feiten zich afspeelden. Die laatste reden kan worden gelezen samen met de redenen waarmee het arrest (p. 23-25) de ernstige morele druk beschrijft die de eiser II heeft ondervonden bij de poging afpersing door de eiser I (telastlegging E). 10. Voor wat betreft het tweede criterium oordeelt het arrest dat de belastende verklaringen van J.T. niet doorslaggevend zijn voor de schuldigverklaring van de eiser I aan de hem ten laste gelegde feiten. Het (p. 12 en 20-25) bevestigt dit door: - voor wat betreft de telastleggingen A.1, B.1 en C (teelt en verkoop cannabis en bendevorming) vast te stellen dat de verklaringen van J.T., die het vermeldt, worden bevestigd door de onderzoeksresultaten die het opsomt, namelijk de resultaten van huiszoekingen, telefoniegegevens en de verklaringen van de eiser II over de telastlegging E; - het bewijs van de telastlegging E te putten uit telefonieonderzoek, camerabeelden en verklaringen van de eiser II, diens echtgenote, ex-echtgenote en oorspronkelijk medebeklaagde S.P. 11. Voor wat betreft het derde criterium oordeelt het arrest dat er voor het niet kunnen ondervragen van J.T. voldoende compenserende factoren zijn omdat: - de eiser I en J.T. op het einde van het vooronderzoek met elkaar werden geconfronteerd en de eiser I ruimschoots de gelegenheid kreeg om aan J.T. vragen te stellen of argumenten aan te brengen teneinde de gezegdes van J.T. te ontkrachten, maar er geen bijkomende elementen werden aangebracht en beide partijen eenvoudigweg bij hun eerder afgelegde verklaringen bleven; - uit niets blijkt dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser I is miskend of dat bij de samenstelling van het dossier enige onregelmatigheid werd begaan; - de eiser I uitgebreid tegenspraak heeft kunnen voeren en heeft gevoerd over de regelmatig aan het hof van beroep overgelegde bewijselementen. In zijn beroepsconclusie en op de rechtszitting van het hof van beroep hebben de eiser I en zijn raadsman gebruik gemaakt van hun recht om hun versies en uiteenzettingen van de feiten te geven en de beweerdelijk onware verklaringen te weerleggen. Zij hebben aldus de mogelijkheid gekregen om onder meer de verklaringen van J.T. vrij te betwisten. 12. Met het geheel van die redenen en in het bijzonder de reden dat de eiser I en J.T. reeds tijdens het vooronderzoek met elkaar werden geconfronteerd, verantwoordt het arrest naar recht de beslissing om J.T. niet als getuige ter rechtszitting te horen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat op het einde van het vooronderzoek J.T. en de eiser I met elkaar werden geconfronteerd en dat de eiser I ruimschoots de gelegenheid kreeg om aan J.T. vragen te stellen of argumenten aan te brengen om de gezegdes van die laatste te ontkrachten; het verloop van dat confrontatieverhoor is opgenomen in bijlage 1 aan navolgend proces-verbaal nummer 502926/2016 van 26 mei 2016; uit de vermeldingen in die bijlage blijkt geenszins dat de eiser I tijdens het confrontatieverhoor ruimschoots de kans heeft gekregen om vragen te stellen aan J.T.; aldus miskennen de appelrechters de bewijskracht van bijlage 1 aan navolgend proces-verbaal nummer 502926/2016 van 26 mei 2016. 14. De bijlage bij het proces-verbaal nummer 502926/2016 van 26 mei 2016, dat het confrontatieverhoor van de eiser I en J.T. bevat, vermeldt op het einde: “vraag: heeft iemand nog iets toe te voegen of argumenten aan te brengen om uw verklaringen te staven”. “[de eiser I]: neen dank u”. Aldus geeft het arrest van die bijlage een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I 15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: enerzijds oordeelt het arrest dat de verklaringen van J.T. en de resultaten van het retroactief telefonieonderzoek geen determinerend karakter hebben voor de bewijsbeslissing; anderzijds oordeelt het dat de feiten van de telastleggingen A.l, B.l en C bewezen zijn gebleven lastens de eiser I op grond van de belastende verklaringen van J.T., bevestigd door onder meer de resultaten van het retroactief telefonieonderzoek; aldus verleent het arrest aan de vermelde resultaten en het vermelde onderzoek wel en niet een determinerend karakter voor de bewijsbeslissing; die redenen zijn tegenstrijdig. 16. Een motivering is slechts tegenstrijdig wanneer zij bestaat uit redenen die elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. 17. Eensdeels kan de rechter het bewijs van bepaalde feiten afleiden uit het samen lezen van verschillende bewijselementen die elk op zichzelf genomen geen determinerend bewijs opleveren. Anderdeels steunt het arrest het bewijs van de telastleggingen A.1, B.1 en C, met inbegrip van het verband tussen de bij de huiszoekingen gevonden zaken en de eiser I, eveneens op de telastlegging E en de gegevens op grond waarvan het die laatste telastlegging bewezen verklaart. Bijgevolg is het arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser I 18. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest houdt bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn rekening met de door de beklaagden ingediende verzoekschriften en conclusies in de beide aanleggen; het rekent de vertraging in de berechting van de zaak dus toe aan het gedrag van de beklaagden, zonder na te gaan of hun handelingen al dan niet voortvloeien uit de wettige uitoefening van het recht van verdediging; de wettige uitoefening van dat recht, mits het gebeurt te goeder trouw, kan niet worden aangevoerd tegen de beklaagde als rechtvaardiging voor een langdurige vertraging van de rechtspleging. 19. Elke beklaagde kan voor de vonnisrechter alle wettelijke middelen aanwenden voor de uitoefening van zijn recht van verdediging. De uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel. Aldus kan de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van de beklaagde of een medebeklaagde in rekening brengen wanneer die houding een vertraging veroorzaakt in het onderzoek of de behandeling van de zaak. Dat die houding enkel strekt tot de vrijwaring van het recht van verdediging van de beklaagde of de medebeklaagde en geen fout impliceert, is daarbij niet bepalend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 20. Na te hebben verwezen naar verschillende data tijdens het gerechtelijk onderzoek, de regeling van de rechtspleging en de behandeling voor de vonnisrechters, oordeelt het arrest: “Op het eerste zicht lijkt een lange termijn te zijn verlopen sinds de beklaagden wisten dat zij zich op strafrechtelijk vlak dienden te verdedigen. Echter de door de beklaagden ingediende verzoekschriften, de BOM-controle en het nemen van conclusies in beide aanleggen hebben een invloed gehad op de termijn, zij het niet onredelijk. De duur van de procedure vormt dan ook geen grond om de straffen ten aanzien van beklaagden te milderen.” Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II 21. Het middel voert schending aan van artikel 43bis Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser II de verbeurdverklaring per equivalent van een bedrag van 389.752,20 euro als vermogensvoordeel verkregen uit de telastleggingen A en B (opbrengsten cannabisplantages); het geraamde bedrag is uiterst onnauwkeurig; er kan nooit met zekerheid worden bepaald hoeveel een cannabisplantage eigenlijk opbrengt, gelet op de vele variabelen waaraan de oogsten onderhevig zijn; de eiser II heeft een dergelijk bedrag nooit ontvangen; het arrest houdt geen rekening met de kosten die het effectieve vermogensvoordeel sterk verminderen, noch met eisers moeilijke financiële situatie, zijn rol in de feiten en de buitensporige last die de verbeurdverklaring voor hem betekent; een verplichte verbeurdverklaring moet steeds afzonderlijk worden geïndividualiseerd; de strafrechter dient ook af te toetsen of de omvang van de verbeurdverklaarde goederen overeenstemt met de ernst van het misdrijf; het arrest doet dat niet. 22. De verbeurdverklaring van vermogensvoordelen bedoeld in de artikelen 42, 3°, en 43bis, tweede lid, Strafwetboek is overeenkomstig artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek niet verplicht, maar facultatief. 23. Artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek bepaalt: “De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen.” 24. Die bepaling vereist dat de rechter erover waakt aan de beklaagde geen straf op te leggen die dermate afbreuk doet aan zijn financiële toestand dat ze een miskenning van het eigendomsrecht inhoudt. Die bepaling vereist niet noodzakelijk dat de rechter de hoegrootheid van de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen bepaalt in functie van de ernst van het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft voortgebracht of van de rol van de beklaagde in het geheel van de vervolgde feiten. 25. Bij het bepalen van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, dient de rechter geen aftrek te doen van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf. 26. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag in billijkheid bepalen. Daarbij dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen toelaten. 27. De verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel kan worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald en ongeacht de bestemming die hij later aan dat vermogensvoordeel heeft gegeven. 28. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 29. Het arrest berekent de opbrengst van elk van de drie cannabisplantages aan de hand van een gedetailleerde opgave van het aantal planten, het aantal oogsten, de kweekwijze, de minimumgewichtsopbrengst per plant en de minimumverkoopprijs per gram, zoals dit alles blijkt uit de vastgestelde feiten en de verklaringen van de betrokkenen, waaronder de eiser II zelf. Verder oordeelt het arrest dat: - de eiser II uit puur winstbejag de productie van verdovende middelen heeft gestart ongeacht de door hem gekende nadelen daarvan; - een strenge bestraffing zich opdringt, mede ter ontrading van dergelijke praktijken in de toekomst; - uit het strafdossier blijkt dat door de eiser II wederrechtelijke vermogensvoordelen werden gerealiseerd. Het staat immers vast dat er werd geoogst in de plantages die hij mede uitbaatte en dat hij een groot deel van de opbrengst daarvan heeft geïncasseerd; - de aan de eiser II opgelegde verbeurdverklaring per equivalent noodzakelijk is om hem te doen inzien dat het plegen van misdrijven niet loont; - er geen elementen zijn die toelaten te besluiten dat de verbeurdverklaring van de bedragen zou resulteren in een onredelijk zware straf voor de eiser II; - deze verbeurdverklaring geen dermate afbreuk doet aan zijn financiële toestand dat ze een miskenning van het eigendomsrecht inhoudt; - het hof van beroep verwijst naar de omvangrijke criminele winsten die via de teelt van cannabis in ieder geval door de eiser II werden verkregen; - een effectieve uitvoering van de verbeurdverklaring verantwoord is teneinde de gevolgen van de misdrijven ongedaan te maken en de winsten uit de criminele activiteiten te ontnemen. Aldus steunt het arrest de berekening van de lastens de eiser II verbeurdverklaarde vermogensvoordelen op nauwkeurige gegevens en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 30. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 198,61 euro, waarvan de eiser I 99,30 euro is verschuldigd en de eiser II 99,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210317.2F.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220215.2N.13 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.17 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241218.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div