id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.12 Rolnummer: P.21.0402.N Zaak: BROVEE B.V.B.A. c. DE STEBENBOUWKUNDIG INSPECTEUR Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-10 Raadplegingen: 901 - laatst gezien 2026-06-18 16:24 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.12 Fiche Uit de artikelen 4.4.1, § 3, derde lid, 6.1.1, eerste lid, 6°, en 6.2.1, eerste lid, 4° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt dat het gebruik van een gebouw waarvan de functie werd gewijzigd zonder de daartoe bij toepassing van artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vereiste vergunning, in beginsel niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen wordt beschouwd en derhalve niet meer strafbaar is op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het doorvoeren van een in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde functiewijzing zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, wel strafbaar is gebleven; het gebruik van een bebouwd onroerend goed voor een bepaalde functie die eerder werd gewijzigd zonder de vereiste vergunning, moet immers worden onderscheiden van het doorvoeren van die functiewijziging zelf
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Handelingen in strijd met een gewestplan - Wijzigingen van de hoofdfunctie van een gebouw zonder omgevingsvergunning - Vergunningsplichtige handelingen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Artt. 4.4.1, § 3, derde lid, 6.1.1, eerste lid, 6°, en 6.2.1, eerste lid, 4° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Annotaties Publicaties: T.Gem.-Tijdschrift voor gemeenterecht - 2022, nr. 3, p. 147-
- - DEFOORT, Pieter-Jan; Noot'Een met de bestemmingsvoorschriften'strijdig gebruik'van een onvergund gebouw is niet langer strafbar' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0402.N
- BROVEE bv, met zetel te 2940 Stabroek, Rijstraat 48, beklaagde,
- I. L. M. L., beklaagde, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111-113, bus 55, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 februari
- De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 27 april 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 3 mei 2022 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest: - stelt de verjaring van de strafvordering vast met betrekking tot de telastlegging I; - verklaart de op de telastlegging II gebaseerde herstelvordering zonder voorwerp. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zoals van toepassing vóór 1 maart 2018, en de artikelen 4.2.1, 4.4.1, § 3, derde lid, en 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat de eiseressen schuldig zijn aan de feiten van de telastlegging II, namelijk omdat zij in de periode van 1 april 2011 tot 5 juni 2018 de stalling als opslagplaats hebben gebruikt bij de uitbating van een handelsruimte van elektrische apparaten en allerhande huisraad in strijd met de bestemming als agrarisch gebied in het gewestplan en dit gebruik hebben voortgezet, is niet naar recht verantwoord; het gebruik van de loods als opslagplaats voor elektrische apparaten en allerhande huisraad kan als zodanig niet worden beschouwd als een vergunningsplichtige handeling; niet-vergunningsplichtige handelingen, zoals het gebruik van een gebouw waarvan de functie zonder de daartoe vereiste vergunning werd gewijzigd, zijn aldus niet strijdig met de voorschriften van het gewestplan.
- Artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van toepassing vóór 1 maart 2018, stelt een persoon strafbaar die na 1 mei 2000 een inbreuk pleegt op de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onder¬havige codex, of dit voortzet of in stand houdt, op welke wijze ook, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn.
- Volgens artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat van toepassing is vanaf 1 maart 2018, wordt de volgende handeling een stedenbouwkundig misdrijf genoemd en met de voormelde straffen bestraft: “het na 1 mei 2000 plegen van een schending, op welke wijze ook, van de plannen van aanleg en verordeningen die tot stand zijn gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en die van kracht blijven zolang en in de mate dat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften, uitgevaardigd krachtens deze codex, tenzij de uitgevoerde werken, handelingen of wijzigingen vergund zijn of tenzij het gaat om de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6°.”
- Artikel 4.4.1, § 3, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening luidt als volgt : “Behoudens de onderhoudswerken vermeld in het eerste en tweede lid, worden niet-vergunningsplichtige handelingen niet beschouwd als strijdig met de voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingen, tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken of verbieden.”
- Uit die bepalingen volgt dat het gebruik van een gebouw waarvan de functie werd gewijzigd zonder de daartoe bij toepassing van artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vereiste vergunning, in beginsel niet langer als strijdig met de voorschriften van onder meer gewestplannen wordt beschouwd en derhalve niet meer strafbaar is op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het doorvoeren van een in artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde functiewijzing zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, wel strafbaar is gebleven. Het gebruik van een bebouwd onroerend goed voor een bepaalde functie die eerder werd gewijzigd zonder de vereiste vergunning, moet immers worden onderscheiden van het doorvoeren van die functiewijziging zelf.
- Met eigen redenen en met overname van de redenen van de eerste rechter oordeelt het arrest en stelt het vast dat (p. 5, 13, 18, 19 en 20): - de feiten van de telastlegging II moeten worden geherkwalificeerd als volgt: “Bij inbreuk op artikel 6.1.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijk Ordening, na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, een inbreuk te hebben gepleegd op de plannen van aanleg en verordeningen, tot stand gekomen volgens de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en die nog van kracht waren omdat ze niet vervangen worden door nieuwe voorschriften uitgevaardigd krachtens onderhavig decreet dat de uitgevoerde handelingen vergund zijn, of het gaat om onderhoudswerken aan een hoofdzakelijk vergunde constructie of om handelingen die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht; namelijk: het gebruik van de stallingen als opslagplaats bij de uitbating van een handelsruimte van elektrische apparaten en allerhande huisraad in strijd met de bestemming als agrarisch gebied, overeenkomstig het gewestplan, te hebben voortgezet; De feiten thans omschreven als hetzij zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, na 1 mei 2000 stedenbouwkundige handelingen te hebben gepleegd, te hebben toegestaan of aanvaard, in strijd met artikel 6.2.1, 4° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, tenzij het gaat om handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6°”; - enkel het wederrechtelijk gebruik van de loods wordt geviseerd, hetgeen een inbreuk uitmaakt op artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, namelijk het gebruik van de stalling als opslagplaats bij de uitbating van de handelsruimte van elektrische apparaten en allerhande huisraad in strijd met de bestemming als agrarisch gebied, overeenkomstig het gewestplan, te hebben voortgezet en dit van 1 april 2011 tot 5 juni 2018; - de eiseressen er verkeerdelijk van uitgaan dat het opslaan met commerciële doeleinden van elektrische apparaten en huisraad in een stalling in agrarisch gebied, namelijk in loods 2, een niet-vergunningsplichtige handeling was; - de loods 2 aanvankelijk werd opgericht met het oog op gebruik voor agrarische doeleinden; - op 4 september 1989 een vergunning werd afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen voor het bouwen van een opslagplaats voor stro, zijnde de loods 2; - op 13 mei 2004 een vergunning werd verleend voor het dichtmaken van de linkerzijgevel van de loodsen 1 en 2, waarbij voor loods 2 geen bestemmingswijziging werd aangevraagd van een stalling voor stro naar een handelsruimte; - het college van burgemeester en schepenen op 15 september 2005 een vergunning verleende om de linker zijgevels van de twee bestaande veestallen met sandwichpanelen en poorten dicht te maken en in deze laatste vergunning weliswaar gewag werd gemaakt dat de stallen in de toekomst mogelijks benut zouden worden deels voor de opslag van stro en deels voor de opslag van droge producten in functie van de vleeswarenfabriek van de eerste eiseres, doch dat dit geen toestemming tot functiewijziging inhield; - voor loods 2 ook nadien nooit een bestemmingswijziging werd aangevraagd; - de eiseressen aldus ten onrechte beweren dat zij over een vergunning be¬schikten om zonevreemde producten in loods 2 op te slaan; - de verbalisanten op 5 juni 2018 ingevolge een machtiging tot visitatie van de politierechter te Antwerpen van 22 mei 2018 vaststelden dat de loods 2 niet langer een opslagplaats voor stro was, maar wel een opslagplaats voor elektrische apparaten en huishoudtoestellen met het oog op export naar het buitenland; - de loods aldus niet meer werd gebruikt voor agrarische doeleinden, maar voor commerciële doeleinden; - deze functiewijziging een vergunningsplichtige handeling was en aldus een inbreuk inhield op artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - er sprake is van daden van gebruik in strijd met de bestemmingsvoorschriften die elk als dusdanig een aflopend misdrijf vormen voor zover zij ruimtelijke implicaties hebben; - de bijkomende handelsactiviteit extra autotrafiek met zich meebracht ingevolge het aan- en afrijden van vrachtwagens en bestelwagens die op regelmatige basis goederen uit de loods haalden met het oog op export om vervolgens de voorraad opnieuw aan te vullen; - deze niet-vergunde bedrijfsactiviteiten in loods 2 een onaanvaardbare mobiliteitsimpact hadden op de leefomgeving in agrarisch gebied en een aantoonbare weerslag op de ruimtelijke draagkracht in dit agrarisch gebied; - er aldus sprake is van een misdrijf in de zin van artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, thans artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
- Met die redenen oordeelt het arrest dat de eiseressen schuldig zijn aan het gebruik van de in de telastlegging II bedoelde loods met miskenning van de in het gewestplan bepaalde bestemming als agrarisch gebied zoals vóór 1 maart 2018 strafbaar gesteld door artikel 6.1.1, eerste lid, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en thans door artikel 6.2.1, eerste lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het oordeelt hierbij dat dit gebruik niet kan worden beschouwd als een niet-vergunningsplichtige handeling die niet strijdig is met de voorschriften van het gewestplan in de zin van artikel 4.4.1, § 3, derde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en dit op de loutere grond dat er een vergunningsplichtige functiewijziging werd doorgevoerd in de zin van artikel 4.2.1, 6°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, waarvoor nooit een vergunning is aangevraagd of werd verleend. Het arrest, dat aldus geen onderscheid maakt tussen enerzijds de zonder vergunning doorgevoerde functiewijziging van loods 2 van een agrarische naar een commerciële functie en anderzijds het gebruik ervan volgens die laatste functie, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de schuld van de eiseressen aan de telastlegging II leidt tot de vernietiging van de beslissing over de aan de eiseressen hiervoor opgelegde bestraffingen, met inbegrip van de ten aanzien van de eiseres 1 bevolen verbeurdverklaring van het bedrag van 86.000,00 euro, hun veroordeling tot het betalen van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, de beslissing over de kosten en de vaste vergoeding, maar laat de overige beslissingen van het arrest, waaronder de beslissing over de op de telastlegging I gebaseerde herstelvordering en de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de schuld van de eiseressen aan de telastlegging II, de hen hiervoor opgelegde bestraffingen, de bijdrage aan het Slachtofferfonds, de beslissing over de kosten en de vaste vergoeding. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseressen tot de helft van de kosten van hun cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten op 1.226,87 euro, waarvan 308,61 euro is verschuldigd. gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 3 mei 2022 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div